Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
procesinleiding onder 2.1) is gericht tegen het tweede gedeelte van rov. 4.1, waarin het hof het volgende heeft overwogen:
oostzijdevan de zich daar bevindende
tienknotwilgen” ná de eiswijziging wordt veranderd in “de denkbeeldige lijn vlak langs de
westzijdevan de zich daar bevindende knotwilgen”. Bij gebreke van enige toelichting in de memorie van grieven houdt deze eiswijziging op zichzelf beschouwd geen voldoende gemotiveerde grief in. Dat [eiser] deze motivering in een latere akte geeft is in strijd met de twee-conclusie-regel en de goede procesorde. Het eindvonnis van 31 mei 2017 zal in ieder geval in zoverre worden bekrachtigd.” (curs. hof.)
a, ben
cdat voor zover het hof heeft beoogd te oordelen dat de grief onvoldoende duidelijk kenbaar is gemaakt, dit oordeel onjuist en onbegrijpelijk is omdat:
2.1-Ia) de eiswijziging al in de aanhef van de memorie van grieven is aangekondigd met de woorden “memorie van grieven tevens wijziging van eis”;
2.1-Ib) de wijziging van eis voor wat betreft het vaststellen van de erfgrens niet meer betreft dan het wijzigen van de woorden ‘ten
oostenvan de wilgenrij’ in ‘ten
westenvan de wilgenrij’ (curs. A-G) en die eiswijziging geen nadere toelichting behoeft gelet op de feitelijke situatie en de stukken die onderdeel uitmaken van deze procedure. Het was [verweerders] en de raadsheer die op locatie aanwezig was, gelet op het debat zonneklaar, althans moet dat in redelijkheid zijn geweest, dat telkens in geschil is ‘de eigendom van de grond ten westen van de wilgenrij’ (procesinleiding, p. 9), waarbij [eiser] zich op het (vaststaande) feit beroept dat die wilgenrij door zijn vader rond 1965 is geplant en de stelling dat het niet logisch is om de bomen op de erfgrens te planten, [11] aldus het subonderdeel. Het moet gelet op de verdere inhoud van de memorie van grieven zonder nadere toelichting duidelijk zijn geweest dat de woorden ‘ten oosten’ zijn gebaseerd op een kennelijke schrijffout;
oostzijdevan de zich daar bevindende knotwilgen primair gewijzigd in: een denkbeeldige lijn vlak langs de
westzijdevan de zich daar bevindende knotwilgen.(onderstreping A-G) Daarnaast wordt subsidiair een verklaring voor recht gevorderd “dat de kadastergrens hier de juridische grens markeert, althans voor recht te verklaren wat het hof dienstig acht.”
2.I-Id) heeft het hof in rov. 4.1 miskend dat de tweeconclusieregel er niet aan in de weg staat dat grieven bij akte of bij pleidooi nog (nader) worden toegelicht. Dat klemt volgens de klacht temeer nu er voorafgaand aan de memorie van grieven een comparitie op locatie (descente) is geweest en die toelichting, gelet op de inhoud van het debat, geen nieuwe feiten of omstandigheden meebrengt en zowel de raadsheer die de comparitie/descente heeft gedaan, als [verweerders] gelet op het debat van partijen, hebben kunnen en zelfs moeten begrijpen dat de aanduiding ten oosten op een verschrijving berust.
.Het oordeel van het hof dat de motivering in een latere akte in strijd is met de tweeconclusieregel, is dan ook niet onjuist en evenmin onbegrijpelijk.
2.1-Vbouwt voort op de voorgaande klachten en deelt in het lot daarvan.
procesinleiding onder 2.2) is gericht tegen de oordelen van het hof betreffende ‘het noordelijk deel’ in de rov. 4.3-4.7, meer in het bijzonder de rov. 4.6 en 4.7. Daarin heeft het hof het volgende overwogen:
Vorderingen ter zake van het noordelijke deel
2.2.1-I)heeft het hof in rov. 4.6 en 4.7 miskend dat [eiser] gemotiveerd heeft betwist dat sprake is geweest van ondubbelzinnige inbezitneming door (de voorgangers van) [verweerders] en het vervolgens gedurende twintig jaar in bezit houden, terwijl de stelplicht en bewijslast daarvan op [verweerders] rusten.
daadtwintig jaren onafgebroken moet voortduren, maar het bezit.
het perceel van [eiser]betreft en dat [eiser] over de gehele lengte daarlangs zijn boot heeft gelegd, en betoogt verder dat de beschoeiing geen erfafscheiding is.
subonderdeel 2.2.1-IVdat van inbezitneming naar verkeersopvattingen geen sprake is, indien er enige tijd op de noordelijke punt rododendrons zijn geplaatst of grond is opgehoogd nu dit op zichzelf volstrekt onvoldoende is om als bezitsdaden aan te merken, dit nog los van het feit dat dit eerste gemotiveerd door [eiser] is betwist (stellingen (c), (g), (h) en (m)) en de bewijslast daarvan op [verweerders] rust. Daarvoor is méér nodig, een voor anderen zichtbare uitoefening van macht over de zaak waaruit de pretentie van eigendom blijkt met uitsluiting van [eiser] als rechthebbende, waaruit ook voor [eiser] voldoende duidelijk was of had moeten zijn dat hij tot actie zou moeten overgaan op straffe van verlies van eigendom door extinctieve verjaring, aldus het subonderdeel.
subonderdeel 2.2.1-IVnog op dat hij onweersproken heeft gesteld (memorie van grieven onder 3) dat hij rond 1998 een paal heeft geslagen in het noordelijke deel ter plaatse van de kadastermarkering en dat hij dat heeft gedaan om duidelijk de grens te markeren voor hemzelf en voor derden. Daaruit volgt volgens het subonderdeel dat [eiser] rond 1998 een bezitsdaad ten aanzien van zijn eigendom heeft gepleegd mede gericht op derden, dat aan een voortdurend gebruik met uitsluiting van [eiser] door [verweerders] in de weg staat, en dat van een ononderbroken gebruik van het noordelijke deel door (de voorgangers van) [verweerders] geen sprake is.
betwistingonvoldoende feitelijk heeft gemotiveerd. Voor het overige bouwt het voort op voorgaande klachten.
derdeonderdeel (
zie procesinleiding onder 2.3) bouwt voort op de voorgaande onderdelen, en deelt in hetzelfde lot.