Conclusie
1.Inleiding
3.Bespreking van het cassatiemiddel
2:300a BW
productie 5 bij dagvaarding):
Ad grief 3
Vrijstelling VPB
nietonder het bereik van art. 2:300a BW (oud) valt, terwijl de curator zich op het tegenovergestelde standpunt stelt. De rechtbank heeft het standpunt van de curator gevolgd en geoordeeld dat een van vennootschapsbelasting vrijgestelde stichting
welonder het bereik van art. 2:300a BW (oud) valt. [14] [eisers] hebben door in de toelichting op hun derde grief te verwijzen naar hetgeen zij in eerste aanleg hebben gesteld, (voldoende) duidelijk gemaakt waar de schoen naar hun mening wringt. Het had voor de curator en de appelrechter (voldoende) duidelijk moeten zijn dat met grief III werd gestreden over de vraag of een van vennootschapsbelasting vrijgestelde stichting al dan niet onder het bereik van art. 2:300a BW (oud) valt. Hierbij neem ik in aanmerking dat de curator in zijn verweer op grief III niet heeft aangegeven dat het voor hem niet kenbaar was waartegen hij zich had te verweren. De curator heeft immers ook op zijn beurt ter weerlegging van grief III verwezen naar zijn stellingen in eerste aanleg.