Conclusie
Middelen namens de verdachte
eerste middelkeert zich tegen de bewezenverklaring van het tenlastegelegde.
- terwijl hij als fysiotherapeut uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht had op [slachtoffer]
- op de benen, althans het lichaam is gaan zitten en meermalen onverhoeds de blote borsten heeft vastgegrepen/vastgepakt en
- de broek/legging omlaag heeft getrokken en
heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten:
- het meermalen vastpakken van de borsten van die [slachtoffer] en
- het meermalen duwen/brengen van de vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] .”
kanopleveren, op zichzelf nog niet betekent dat de aangeefster mede onder invloed hiervan is overgegaan tot het dulden van zodanige handelingen en de verdachte zich hiervan bewust was.
ditoverwicht is geweest waardoor de aangeefster is gedwongen tot het ondergaan van de bewezenverklaarde handelingen, is niet onbegrijpelijk. Daarbij wijs ik erop dat op dit punt ter ’s hofs terechtzitting geen verweer is gevoerd en dat hetgeen de stellers van het middel nu naar voren brengen ook als een vorm van napleiten kan worden beschouwd. Hoe dan ook, het hof heeft op grond van de hiervoor genoemde, en uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkende, feiten en omstandigheden kunnen oordelen, zoals het heeft gedaan, dat de verdachte als fysiotherapeut een uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht had, dat de aangeefster mede daardoor is gedwongen de bewezenverklaarde handelingen te ondergaan en dat de verdachte zich op dat moment daarvan bewust is geweest. Anders dan de stellers van het middel betogen, is de bewezenverklaring (ook) op dit onderdeel naar de eis der wet voldoende met redenen omkleed.
tweede middelklaagt over de vervangende hechtenis die aan de opgelegde schadevergoedingsmaatregel is verbonden.
Middelen namens de benadeelde partij
Vordering tot schadevergoeding van [slachtoffer]
Huishoudelijke hulp € 390,00
Immateriële schade € 8.750,00
Kosten medische informatie
€ 82,02Totaal € 9.712,01
NJ2019/379, m.nt. Vellinga. Ik vat samen. De benadeelde partij kan in het strafproces vergoeding vorderen van de schade die zij door een strafbaar feit heeft geleden indien tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de schade voldoende verband bestaat om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden. Voor de beantwoording van de vraag of zodanig verband bestaat zijn de concrete omstandigheden van het geval bepalend. Voor vergoeding aan de benadeelde partij komt overeenkomstig de regels van het materiële burgerlijk recht slechts in aanmerking de schade die de benadeelde partij heeft geleden als gevolg van de onrechtmatige gedragingen van de verdachte, voor zover deze schade op de voet van art. 6:98 BW Pro aan de verdachte kan worden toegerekend. Voor de toewijsbaarheid van de vordering van de benadeelde partij gelden niet de bewijs(minimum)regels van het Wetboek van Strafvordering maar de regels van stelplicht en bewijslastverdeling in civiele zaken. Overeenkomstig de hoofdregel van art. 150 Rv Pro rust op de benadeelde partij die een vordering instelt in beginsel de last de feiten en omstandigheden te stellen – en in geval van betwisting daarvan bewijs bij te brengen – die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden. In de context van het strafproces heeft die stelplicht in het bijzonder betrekking op de feiten en omstandigheden die niet kunnen worden vastgesteld aan de hand van uit het strafdossier af te leiden gegevens met betrekking tot het aan de verdachte tenlastegelegde strafbare feit, hetgeen in het bijzonder geldt voor feiten en omstandigheden die bepalend zijn voor de aard en omvang van de gevorderde schade. Het staat de rechter vrij in zijn oordeel over een vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk een inhoudelijke beslissing te nemen in de vorm van een toe- of afwijzing, en de vordering voor het resterende deel niet-ontvankelijk te verklaren. Een dergelijke splitsing van de vordering maakt het voor de strafrechter mogelijk te beslissen over dat deel van de vordering waarvan de behandeling niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, terwijl de benadeelde partij het resterende deel van haar vordering aan de burgerlijke rechter kan voorleggen. Voorts kan uit de hier relevante rechtspraak worden afgeleid dat indien de rechter oordeelt dat de vordering om de hiervoor genoemde reden niet-ontvankelijk is, geen wettelijke bepaling hem verplicht dit oordeel nader te motiveren. [3] Voor cassatie van zo een oordeel bestaat weinig ruimte; de Hoge Raad acht het oordeel van feitelijke aard, zodat het in cassatie slechts op de begrijpelijkheid ervan kan worden getoetst. [4]
eerste namens de benadeelde partij voorgestelde middelklaagt dat het oordeel van het hof aangaande de materiële schade, inhoudend dat “voor het overige niet kan worden vastgesteld dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde”, niet (begrijpelijk) is gemotiveerd.
tweede namens de benadeelde partij voorgestelde middelbehelst de klacht dat het hof heeft verzuimd te beslissen op het deel van de door de benadeelde partij ingediende vordering voor zover die vordering ziet op huishoudelijke hulp.
derde namens de benadeelde partij voorgestelde middelklaagt dat het hof ten onrechte heeft verzuimd zijn oordeel ten aanzien van de immateriële schade deugdelijk te motiveren, althans dat deze motivering een argument bevat dat het oordeel van het hof niet kan dragen.
NJ2019/379, m.nt. Vellinga heeft de Hoge Raad, met verwijzing naar HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376, onder meer nog overwogen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. [5] Voorts heeft de Hoge Raad in dit overzichtsarrest, voor zover hier relevant, het volgende overwogen. Indien de omvang van de schade zonder nader onderzoek dat een onevenredige vertraging van het strafgeding zou opleveren, niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, kan die omvang in veel gevallen worden geschat (art. 6:97 BW Pro). In zijn motivering van die schatting dient de rechter zoveel mogelijk aan te sluiten bij de vaststaande feiten. Indien de gehele schade of een bepaalde schadepost wordt geschat op een bepaald bedrag impliceert de beslissing met betrekking tot die schade(post) de afwijzing van hetgeen meer werd gevorderd, tenzij uit die beslissing blijkt dat sprake is van een gedeeltelijke toewijzing en de vordering voor het resterende deel niet-ontvankelijk wordt verklaard. De begroting van immateriële schade geschiedt naar billijkheid met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt. Uit vaste rechtspraak van de civiele kamer van de Hoge Raad volgt verder dat de aard van de in art. 6:97 BW Pro aan de rechter gegeven bevoegdheid om de omvang van de schade te schatten indien zij niet nauwkeurig kan worden vastgesteld met zich brengt dat de motivering van de omvang van het geschatte bedrag niet aan hoge eisen behoeft te voldoen. [6] Wel geldt ook voor een dergelijke schatting het grondbeginsel van een behoorlijke rechtspleging dat elke rechterlijke beslissing ten minste zodanig moet worden gemotiveerd dat zij voldoende inzicht geeft in de aan haar ten grondslag liggende gedachtegang om de beslissing zowel voor partijen als voor derden – in geval van openstaan van hogere voorzieningen: de hogere rechter daaronder begrepen – controleerbaar en aanvaardbaar te maken. [7]
uitsluitendhet gevolg van het bewezenverklaarde zijn. Dat is een feitelijk oordeel, dat niet onbegrijpelijk is en zich in cassatie niet voor verdere toetsing leent. Vervolgens heeft het hof de omvang van de immateriële schade naar maatstaven van billijkheid geschat op het bedrag van € 3000,- (te vermeerderen met de gevorderde rente over dit bedrag zoals in het arrest vermeld). Het hof heeft de vordering voor het overige deel van de gestelde immateriële schade niet afgewezen, maar niet-ontvankelijk verklaard omdat de behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Dit oordeel is evenmin onbegrijpelijk en het hof behoefde ook dit oordeel niet van een nadere motivering te voorzien. [8] Daaraan doet niet af hetgeen de steller van het middel nog in de toelichting aanvoert, te weten dat het hof zou zijn voorbijgegaan aan de brief van de psychotherapeut die als productie 1 bij de vordering van de benadeelde partij is overgelegd. Ik merk daarbij op dat die brief uitdrukkelijk aan de orde is geweest op de terechtzitting van het hof van 29 oktober 2019. De raadsvrouw van de benadeelde partij heeft toen overeenkomstig haar pleitnota naar voren gebracht dat bij de vordering benadeelde partij als productie 1 een bericht van de psychotherapeut is overgelegd. Volgens de raadsvrouw blijkt uit deze informatie dat het slachtoffer bij de intake heeft gemeld dat zij twee maanden daarvoor is verkracht door de verdachte en dat niet wordt aangegeven dat het slachtoffer vanwege andere gebeurtenissen de psychotherapeut heeft bezocht. Kennelijk (en niet onbegrijpelijk) heeft het hof de inhoud van deze informatie feitelijk anders dan de raadsvrouw gewaardeerd en is het ondanks deze brief tot het oordeel gekomen dat de vordering van de benadeelde partij ter zake van de immateriële schade in haar geheel bezien (en een nader onderzoek naar aanleiding van die brief) een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Ik meen dat ook met betrekking tot de opgegeven immaterieel geleden schade de beslissing van het hof op de vordering van de benadeelde partij voldoende met redenen is omkleed.