Conclusie
advocaat: mr. N.C. van Steijn
advocaten: mr. S.F. Sagel en mr. I.L.N. Timp
1.Feiten
Er is geen aanleiding te twijfelen aan het normaal functioneren van de deuren en van de technische hulpmiddelen die de personenvervoerder zicht geven over het perron gedurende het vertrekproces (noot: de metrocombinatie is direct technisch onderzocht door de afdeling railmaterieel van GVB. Er zijn geen afwijkingen aangetroffen (zie bladzijde 5 van de rapportage).
Uit de reconstructie blijkt dat de bij het incident betrokken personenvervoerder de passagier bij de achterste deur voor en tijdens het vertrek van de metro heeft moeten kunnen zien.
De beschrijving van het incident door de personenvervoerder wijkt af van de cameraregistraties. Er stond al vijf seconden een persoon binnen het profiel van vrije ruimte (PVR) van de metro, voordat de metro zich in beweging zette. Daarnaast heeft de passagier niet op de klaptrede gestaan, maar zat vastgeklemd tussen de deuren.
(…)
Het ongeval is veroorzaakt door menselijk falen van de personenvervoerder van de 50-09. Hij heeft via de trein-TV-monitor onbelemmerd zicht kunnen hebben op de tussen de deuren ingeklemde reiziger. Hij is vertrokken terwijl een reiziger zich al vijf seconden binnen het profiel van de vrije ruimte bevond. Hij heeft gedurende vier seconden de metro laten rijden, terwijl de passagier tussen de deuren geklemd zat.
De personenvervoerder heeft door het niet correct toepassen van de vertrekprocedure een reiziger in gevaar gebracht.
Wanneer zich bij het vertrek van een metro vanaf een halte een incident voordoet waarbij de veiligheid van een persoon in gevaar is geweest, dan dient de personenvervoerder dit incident te melden bij de verkeersleiding.
De personenvervoerder heeft het incident niet zelf bij de verkeersleiding gemeld.”
2.Procesverloop
3.Bespreking van het principaal cassatiemiddel
de deuren waren aan het sluiten want de reiziger was er al op de 51e seconde en op de 52e seconde zijn de deuren volledig dicht’ (p. 2), en dat door Werknemer is opgemerkt: ‘
Op de beelden is mijn metro zichtbaar en ik zie dat er wel iemand in de pvr staat op het moment dat de metro gaat rijden’ (p. 3). Ook uit de bestreden beschikking blijkt dat ter zitting camerabeelden zijn vertoond. Zo verwijst het hof in rov. 3.9.2 naar “
uit de ter zitting diverse malen bekeken camerabeelden.”
Bewijsmiddelen als geluidsbanden en videofilms ontlenen hun waarde eerst aan hun ‘hantering’, dat wil zeggen deze banden zullen zo nodig ter zitting worden afgedraaid of vertoond, waarbij de inhoud zoveel mogelijk op zodanige wijze zal worden vastgelegd in het proces-verbaal dat de mogelijke betekenis van dit bewijsmiddel voldoende vaststaat.”
ter ondersteuning van disciplinaire maatregelen tegen het personeel’. Het hof had dit verweer moeten bespreken, omdat het gaat om de vraag of gebruik kan worden gemaakt van onrechtmatig verkregen bewijs. Voor de beantwoording van die vraag had het hof de in het arrest
Achmea/ […](HR 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:942) omschreven afweging moeten toepassen. Daarbij speelt mee dat het hier gaat om het eigen protocol van GVB, met het doel van zelfregulering, aldus het onderdeel.
(…) In onderhavige casus valt op dat GVB desondanks niet schroomt om de eigen richtlijnen en protocollen betreffende hetverbodom cameraopnames tegen het eigen personeelslid in te zetten, volledig terzijde schuift en deze expliciet heeft ingezet om het hoogste sanctiemiddel – zijnde een ontslag, toe te kunnen passen (zie productie 4 verweerschrift). Het te pas en te onpas benutten van camerabeelden terwijl hier tegenover geen controlemechanisme wordt getolereerd, maakt dat vastgesteld moet worden dat GVB dienaangaande dubbele standaarden hanteert en haar geloofwaardigheid ernstig aantast, temeer in he ontslagproces vervolgens geen originele camerabeelden, maar gemanipuleerde reconstructies hiervoor zijn ingezet. Dit is onacceptabel en niet rechtvaardig vanuit het perspectief van hoor en wederhoor en wegens het belang van een goede procesorde. (…)”
19. Voor wat betreft de toedrachtsanalyse die GVB heeft bijgevoegd onder productie 9, wordt primair verzocht deze buiten beschouwing te laten. Hierbij wordt verwezen naar het ‘protocol Cameratoezicht GVB, cameratoezicht op stations en haltes’. Dit reglement is bijgevoegd onder productie 4. Uit dit protocol (pagina 5) vloeit voort dat de beelden niet mogen worden gebruikt ‘ter ondersteuning van disciplinaire maatregelen tegen het personeel’. Dit is juist wat GVB in dit geval wél placht te doen.’
Achmea/ […]heeft betrekking op onrechtmatig verkregen bewijs. [19] De Hoge Raad oordeelde dat bij de beantwoording van de vraag of onrechtmatig verkregen bewijs gebruikt mag worden, tot uitgangspunt moet worden genomen dat het algemene maatschappelijke belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, alsmede het belang dat partijen erbij hebben hun stellingen in rechte aannemelijk te kunnen maken, in beginsel zwaarder wegen dan het belang van uitsluiting van bewijs. Slechts indien sprake is van bijkomende omstandigheden, is terzijdelegging van dat bewijs gerechtvaardigd.
gebruikonrechtmatig is, is de maatstaf van
Achmea/ […]niet rechtstreeks van toepassing. Snijders stelt echter dat diezelfde maatstaf ook hier kan worden gebruikt, en dat het ook hier gaat om een afweging van enerzijds het algemene maatschappelijke belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt en het belang dat partijen erbij hebben hun stellingen in rechte aannemelijk te kunnen maken, en anderzijds het belang ‘
dat onrechtmatig gedrag niet beloond dient te worden’. [22] Deze benadering lijkt mij juist, waaraan dan is toe te voegen dat ook in deze context sprake zal moeten zijn van ‘bijkomende omstandigheden’ (zoals de Hoge Raad het formuleert). Het lijkt mij duidelijker om te zeggen dat het bij de afweging van deze belangen aankomt op de bijzondere feiten en omstandigheden van het geval.
Achmea/ […] .In die zaak schond de verzekeraar de door het Verbond van Verzekeraars opgestelde Gedragscode Persoonlijk onderzoek NVvV. Het gebruik van het met schending van deze code (en dus onrechtmatig) verkregen bewijs, achtte het hof onrechtmatig,
medein aanmerking genomen
het doel van de Gedragscode.Dat doel was immers juist om verzekerden bescherming te bieden tegen een ongerechtvaardigde of disproportionele inbreuk op hun privacy, in relatie tot de belangen die de verzekeraar kan hebben om bepaalde informatie te achterhalen. Volgens de Hoge Raad gaf dat oordeel geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en was het niet onvoldoende gemotiveerd.
Protocol Cameratoezicht GVB. Cameratoezicht op stations en haltes. Versie 1.3’ staat onder meer het volgende (p. 5, arcering in origineel):
Het doel van het cameratoezicht vloeit rechtstreeks voort uit de taak van de OCC [Observatie en Communicatie Centrale, A-G
], die ook wel kernachtig wordt samengevat door de termen Schoon, Heel, Veilig en Service. Het cameratoezicht wordt uitgeoefend teneinde(…)
[Werknemer] haalt het protocol Cameratoezicht op stations en haltes aan. GVB zou deze regels niet hebben nageleefd volgens [Werknemer]. GVB ziet niet in wat dit met de grief van [Werknemer] te maken heeft, maar wil daar het volgende over opmerken: in eerste aanleg (zie punt 13 van de pleitnota van GVB) heeft GVB aangegeven dat uitgangspunt is dat de camerabeelden niet gebruikt worden ter ondersteuning van disciplinaire maatregelen tegen medewerkers. Er is dan ook geen sprake van het te pas en te onpas gebruiken van de beelden zoals [Werknemer] doet voorkomen. Er kan echter sprake zijn van een uitzonderlijke situatie. Dat was wat GVB betreft hier aan de orde, omdat de verklaring van [Werknemer] lijnrecht tegenover die van het slachtoffer en de medereizigster stond. Daarnaast was alle informatie sowieso bekend bij het management van GVB nu de reiziger/het slachtoffer een schadeclaim had neergelegd. Ingeval va een schadeclaim mogen de beelden overigens verwerkt worden (zie hoofdstuk 3 van het cameraprotocol (…)). Uit de stukken die in dit kader in het verzekeringsdossier aanwezig waren, te weten het feitenrelaas zoals dat opgemaakt was aan de hand van de beelden, was al duidelijk geworden dat [Werknemer] niet de waarheid sprak (…).”
dat Werknemer het voorschrift dat hij met de metro pas mocht vertrekken nadat hij er zich van had vergewist dat zich niemand in de PVR-zone bevond, heeft overtreden.’ Zou Werknemer op zijn monitor niet goed hebben kunnen zien wat zich aan de achterzijde van de metro voltrok, dan nog zou Werknemer de veiligheidsvoorschriften hebben geschonden. Het hof heeft immers in rov. 2.8 – in cassatie onbestreden – vastgesteld dat de veiligheidsregels onder andere voorschrijven dat de metrobestuurder tijdens het sluiten van de deuren met behulp van de monitor/spiegel (of bij een defect daarvan of in een onoverzichtelijke situatie door kijken uit het raam van de cabinedeur) dient te controleren of er reizigers of voorwerpen tussen de deuren bekneld laten. Dit strookt ook met de stellingen van GVB dat indien de metrobestuurder uit het raam van de cabinedeur dient te kijken of hij veilig kan vertrekken indien de monitor defect is of sprake is van een onoverzichtelijke situatie. [25] Kennelijk, en niet onbegrijpelijk, is het hof van oordeel dat Werknemer deze inhoud van (dit aspect van) de veiligheidsvoorschriften niet voldoende heeft betwist.
ernstigverwijtbaar handelen. Uit die overweging valt niet af te leiden dat het hof zijn beoordeling of sprake is van het overtreden van de veiligheidsvoorschriften – in afwijking van rov. 3.9.2 – zou hebben beperkt tot het niet op de monitor kijken.
(…) Dat de passagier de PVR betrad op een moment dat de metro nog stil stond, dat hij zijn hand tussen de deuren stak op een moment dat die deuren nog enigszins open waren, en dat het vervolgens enige seconden duurde voordat de metro begon te rijden blijkt overigens onmiskenbaar uit de ter zitting diverse malen bekeken camerabeelden. Daarmee staat vast dat Werknemer het voorschrift dat hij met de metro pas mocht vertrekken nadat hij er zich van had vergewist dat zich niemand in die PVR-zone bevond, heeft overtreden.”
doorgegeven, zoals namens GVB onder meer op de mondelinge behandeling in hoger beroep is verklaard. [26]
een te lichtemaatstaf heeft toegepast, [27] waardoor het hof te streng is geweest voor Werknemer.
authenticiteitvan de opnamen. [38] Mijns inziens gaat het echter om, in de woorden van Asser, de
integriteitvan het bewijsmiddel, namelijk: ‘
dat het bewijsmiddel als zodanig en de inhoud onaangetast zijn door onbevoegde manipulatie’. [39] Asser verstaat onder authenticiteit dat de herkomst van het bewijsmiddel vaststaat en die herkomst is hier niet in geschil.
(…) Alhoewel GVB op basis van haar eigen onderzoeken en reconstructies gebaseerd op het ‘veiliggestelde’ beeldmateriaal een toedrachtsanalyse met bijbehorende feitenrelaas formuleert/schetst, blijkt aan de hand van een juiste doorlichting van de nog resterende camerafragmenten, dat deze zodanig geknipt zijn dat het eigen ‘onderzoek’ hiermee kloppend wordt maar dit niet de werkelijkheid weerspiegeld. Kortom, dit onderzoek blijkt zeer onzorgvuldig verricht te zijn waarbij ondergetekende zich niet aan de gedachte kan onttrekken dat de bewijslevering hiertoe gebaseerd is op creatief knipwerk. De vooralsnog bewerkte informatie is zodanig ‘passend’ gemaakt, dat van een zuivere bewijsaanlevering geenszins sprake geweest kan zijn.Belangrijke opnamemomenten ontbreken, hetgeen door GVB ook nergens op geen enkele wijze in het eigen onderzoek is benoemd. In de bewijsaanlevering van GVB zijn ernstige tijd- en fragmentinbreuken aldus hiaten over de gehele tijdslijn zichtbaar. Voor een goede procesorde dient de rechtmatigheid van de ontslagprocedure gebaseerd op dit beeldmateriaal met twee geanonimiseerde getuigenverklaringen, dan ook uiterst kritisch te worden benaderd. Graag wenst Werknemer als getuige te horen de heer […], die blijkens het afschrift van GVB deze camerabeelden heeft verwerkt (zie productie 7).”
17. Er is geen sprake van dat het beeldmateriaal gemanipuleerd is door GVB zoals [Werknemer] in het beroepschrift beweert. Werknemer geeft aan dat de opnames op een aantal momenten enkele seconden verspringen. Hier is een technische verklaring voor. De camera’s die op de perrons hangen zijn verbonden met kastjes waarin de door de camera’s opgenomen beelden worden gesplitst. Die splitsing houdt in dat de beelden direct livestream worden doorgegeven aan de TV-monitoren in de bestuurderscabines. (…) Daarnaast worden de beelden doorgegeven aan recorders, die ervoor zorgen dat de beelden bewaard worden en teruggekeken kunnen worden. De recorders nemen echter alleen op als er voldoende beweging is. Ze hebben sensoren om zodoende niet teveel capaciteit van de recorders te gebruiken. Deze zouden anders veel te snel vol zijn. Als gevolg hiervan is het mogelijk dat het bewaarde beeld soms enkele seconden verspringt.”
7. (…) indien men de genoemde handelingen baseert op camerabeelden waar vervolgens vele essentiële seconden uit blijken te missen. Sterker nog, in een toedrachtsanalyse niet eens benoemen dat er in het benutte materiaal eenvoudigweg hiaten zijn, waardoor er mogelijk niet zuiver geoordeeld kan worden, maakt dat GVB absoluut niet volledig over onmiskenbare defecten in het gerefereerde bronmateriaal is geweest. (…)
Het zou kunnen dat deze bewust gemanipuleerd zijn en dit benadrukt het belang van de getuigenverklaringen.”
Op de beelden ontbreken momenten en daarin zou kunnen zitten dat Werknemer nog een keer stopt. De beelden zijn niet volledig dus ik betwist dat uit de beelden blijkt dat Werknemer maar een keer gestopt is.”
Ik houd rekening met de mogelijkheid van manipulatie van de camerabeelden en ernstige verwijtbaarheid van de werkgever.”
(…) Hieraan doet niet af dat de camerabeelden gezien vanaf de achterkant van de metro tweemaal 2,1 seconden een hiaat vertonen, omdat deze hiaten betrekking hebben op momenten ruim nadat de metro was vertrokken.”
(…) Weliswaar doet zich dan een periode voor van ongeveer zes seconden waarvan camerabeelden ontbreken, maar Werknemer heeft niet gesteld, en het zou ook uiterst onaannemelijk zijn, dat gedurende die zes seconden de passagier weer opnieuw op de rijdende metro is gesprongen, deze metro is gestopt en vervolgens weer is opgetrokken waarna deze binnen deze seconden weer opnieuw op snelheid is gekomen. (…)”
De gebeurtenissen die door GVB worden genoemd als het verwijtbaar handelen van Werknemer, dat ten grondslag wordt gelegd aan het ontbindingsverzoek, staan daarmee vast. (…) Voor verdere bewijslevering met betrekking tot genoemde gebeurtenissen is geen aanleiding omdat de vaststaande gebeurtenissen voldoende grond vormen voor de ontbinding van de arbeidsovereenkomst. (…)”