ECLI:NL:PHR:2020:1163

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
8 december 2020
Publicatiedatum
7 december 2020
Zaaknummer
20/00838
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 Wegenverkeerswet 1994Art. 36e SvArt. 278 lid 1 SvArt. 415 SvArt. 416 lid 2 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest wegens ongeldige betekening dagvaarding in hoger beroep

De verdachte werd door het gerechtshof Amsterdam niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Amsterdam wegens overtreding van de Wegenverkeerswet 1994. De dagvaarding in hoger beroep was echter niet op juiste wijze betekend, omdat niet was geprobeerd deze uit te reiken op het laatst bekende woonadres van de verdachte, terwijl het adres waar de betekening plaatsvond niet bestond.

De stukken tonen aan dat de verdachte niet meer was ingeschreven in de Basisregistratie Personen, maar wel een laatst opgegeven woonadres had. De dagvaarding werd abusievelijk op een ander adres betekend, waardoor de betekening niet rechtsgeldig was. De betekening ter griffie en toezending van een afschrift konden dit gebrek niet herstellen.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de dagvaarding rechtsgeldig was betekend en dat verstek kon worden verleend. Daarom wordt het arrest van het hof vernietigd en de dagvaarding in hoger beroep nietig verklaard. De zaak wordt terugverwezen voor een nieuwe behandeling met een juiste betekening.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de dagvaarding in hoger beroep nietig verklaard wegens onjuiste betekening.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer20/00838

Zitting8 december 2020
CONCLUSIE
F.W. Bleichrodt
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1957,
hierna: de verdachte.

Het cassatieberoep

Het gerechtshof Amsterdam heeft de verdachte bij arrest van 20 februari 2020 niet‑ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 23 mei 2019. Bij dat vonnis is de verdachte wegens “overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken waarvan een week voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. H.J.J. Hendrikse, advocaat te Amsterdam, heeft een middel van cassatie voorgesteld.

Het middel

3. Het middel bevat de klacht dat het hof de verdachte ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, niet-ontvankelijk heeft verklaard in het hoger beroep. Volgens de steller van het middel is de dagvaarding in hoger beroep niet op de juiste wijze aan het van de verdachte bekende woonadres betekend.
4. De stukken van het geding houden, voor zover relevant voor de beoordeling van het middel, het volgende in:
(i) Op 23 mei 2019 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld tegen het bij verstek gewezen vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 23 mei 2019. De akte vermeldt dat van de verdachte op dat moment geen vaste woon- of verblijfplaats hier te lande bekend is.
(ii) Op 23 december 2019 is de dagvaarding van de verdachte in hoger beroep om te verschijnen op de terechtzitting van het gerechtshof Amsterdam van 20 februari 2020 ter griffie van de rechtbank Amsterdam betekend. Op de akte staat vermeld dat van de verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is.
(iii) Op 8 januari 2020 is geprobeerd de dagvaarding van de verdachte in hoger beroep om te verschijnen op de terechtzitting van het gerechtshof Amsterdam van 20 februari 2020 te betekenen op het (handmatig op de akte ingevulde) adres [a-straat 1] , [plaats] . Als reden van het niet-uitreiken vermeldt de akte dat de in de adressering aangegeven woning niet bestaat. Op de akte staat een ander adres voorgedrukt, te weten [a-straat 2] , [plaats] . Vervolgens heeft op 29 januari 2020 betekening ter griffie van de rechtbank Amsterdam plaatsgevonden. Uit de akte blijkt dat op dezelfde datum een afschrift is verzonden aan “het aan ommezijde vermelde adres van de geadresseerde”.
(iv) De aan de dagvaarding van de verdachte in hoger beroep gehechte ID-staten SKDB betreffende de verdachte van 23 december 2019 en 29 januari 2020 houden in dat de verdachte niet gedetineerd was, dat zijn status met ingang van 20 juli 2018 is gewijzigd naar “Vertrokken Onbekend Waarheen (VOW)” en dat zijn laatst opgegeven woon- of verblijfplaats [a-straat 2] , [plaats] betrof, met als registratiedatum 25 mei 2019.
(v) Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 20 februari 2020 houdt in dat de verdachte, “hoewel behoorlijk gedagvaard”, niet ter terechtzitting is verschenen. Het proces-verbaal vermeldt als adres van de verdachte [a-straat 2] , [plaats] . De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting een formulier overgelegd waaruit blijkt dat “achtereenvolgens bij het dagvaarden in hoger beroep, vier dagen voor de terechtzitting van heden en heden door middel van de geautomatiseerde strafrechtsketendatabank (SKDB) is gecontroleerd of de verdachte in een Nederlandse penitentiaire inrichting verbleef, hetgeen niet het geval blijkt te zijn”. Vervolgens heeft het hof verstek verleend tegen de niet verschenen verdachte en heeft de voorzitter opgemerkt dat door of namens de verdachte geen appelschriftuur is ingediend.
(vi) Bij arrest van 20 februari 2020 heeft het hof de verdachte op de voet van art. 416, tweede lid, Sv niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep. Het hof heeft daartoe overwogen dat de verdachte niet een schriftuur met grieven tegen het vonnis heeft ingediend, dat de verdachte evenmin mondeling bezwaren tegen het vonnis heeft opgegeven en dat het hof ook overigens niet is gebleken van enig rechtens te respecteren belang dat is gediend met enig onderzoek van de zaak.
5. Bij de beoordeling van het middel kan het volgende worden vooropgesteld. Indien de niet‑gedetineerde verdachte niet staat ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP), maar van hem wel een woon- of verblijfplaats bekend is, dient uitreiking van de dagvaarding ingevolge het bepaalde in art. 36e, eerste lid, sub b onder 2°, Sv (tot 1 januari 2020: art. 588, eerste lid, sub b onder 2° Sv (oud)) op dat adres plaats te vinden. Die laatste woon- of verblijfplaats moet opgemaakt kunnen worden uit de stukken van het geding en niet door een latere opgave zijn achterhaald. [1] Ingevolge het bepaalde in art. 278 lid 1 Sv Pro, dat op grond van art. 415 Sv Pro van overeenkomstige toepassing is in hoger beroep, dient de rechter de geldigheid van de uitreiking van de dagvaarding van de niet‑verschenen verdachte te onderzoeken en, zo deze niet op geldige wijze is geschied, de nietigheid van de dagvaarding uit te spreken. Dat is slechts anders ingeval de raadsman van de niet-verschenen verdachte niet klaagt dat de betekening op onjuiste wijze is geschied. [2]
6. De verdachte is niet ter terechtzitting in hoger beroep op 20 februari 2020 verschenen. Evenmin is een raadsman verschenen. Uit de stukken van het geding blijkt dat de verdachte ten tijde van zijn oproeping om te verschijnen ter terechtzitting van het hof niet meer stond ingeschreven in de BRP. Uit de ID-staten SKDB van 23 december 2019 en van 29 januari 2020, die zich bij de stukken van het geding bevinden, blijkt dat als laatst opgegeven woon- of verblijfplaats [a-straat 2] , [plaats] geldt. Als datum van registratie is 25 mei 2019 vermeld, dus nadat hoger beroep is ingesteld en voordat de dagvaarding voor de zitting van 20 februari 2020 is uitgereikt. Door deze opgave [3] was ten tijde van de uitreiking [a-straat 2] in [plaats] bekend als het laatst opgegeven woon- of verblijfadres van de verdachte, terwijl uit de stukken van het geding niet blijkt dat dit adres is achterhaald door een latere opgave. [4]
7. Het heeft er alle schijn van dat het voornemen bestond op 8 januari 2020 de dagvaarding van de verdachte in hoger beroep uit te reiken op het desbetreffende, laatst opgegeven adres ( [a-straat 2] , [plaats] ). Op die akte staat immers dat adres voorgedrukt. Kennelijk is abusievelijk koers gezet naar het adres [a-straat 1] in [plaats] , zonder resultaat omdat “de in de adressering aangegeven woning niet bestaat”. Tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor onder 5 is vooropgesteld, had moeten worden getracht de dagvaarding op het adres [a-straat 2] in [plaats] uit te reiken. De betekening ter griffie en de toezending van een afschrift die daarop volgden, kunnen dat gebrek niet repareren. [5] Datzelfde geldt voor de betekening ter griffie die reeds voorafgaand aan deze poging tot uitreiking, op 23 december 2019, heeft plaatsgevonden.
8. Gelet op het voorafgaande, is het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel van het hof dat de dagvaarding in hoger beroep op rechtsgeldige wijze is betekend en aan de verdachte verstek kon worden verleend, onbegrijpelijk. Dat brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven.
9. Het middel is terecht voorgesteld.

Slotsom

10. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
11. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot nietigverklaring van de dagvaarding in hoger beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163,
2.HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163,
3.Een dergelijke opgave kan worden opgevat als door de verdachte zelf te zijn gedaan. Vgl. HR 19 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2405 en HR 17 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:626.
4.Raadpleging van internet leert dat dit adres is verbonden aan de stichting ‘[A]’ ([A].nl). Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg blijkt dat de raadsman van de verdachte aldaar heeft opgemerkt dat de verdachte deze stichting heeft opgericht en dat de verdachte een loods heeft aan de [a-straat].
5.HR 15 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD2676 (niet gepubliceerd). Vgl. ook HR 24 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ9076.