In deze zaak is de verdachte veroordeeld wegens oplichting en het opzettelijk nalaten van het tijdig verstrekken van gegevens, met een gevangenisstraf van 24 maanden. De redelijke termijn van de strafprocedure begon op 7 oktober 2014 en de verdachte werd bij vonnis van 16 mei 2017 veroordeeld. Hoger beroep werd ingesteld op 24 mei 2017, waarna de behandeling meerdere keren werd aangehouden, deels op verzoek van de verdediging.
Het hof oordeelde dat de totale procedure met vijf maanden was overschreden, waarbij vertragingen in hoger beroep werden toegerekend aan de verdediging en van de totale duur werden afgetrokken. Het hof volstond met een constatering van overschrijding zonder strafvermindering. De advocaat-generaal stelde dat het hof ten onrechte niet per procesfase had beoordeeld en dat de overschrijding in eerste aanleg ruim zeven maanden bedroeg, wat een strafvermindering rechtvaardigt.
De Hoge Raad overweegt dat de redelijke termijn per procesfase moet worden beoordeeld en dat het hof onbegrijpelijk heeft geoordeeld door alleen naar de totale duur te kijken. De Hoge Raad vernietigt het arrest voor zover het de straf betreft en vermindert de straf op basis van de overschrijding. De rest van het beroep wordt verworpen.