Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
f.539.319,— of het restant daarvan, zal een rente worden voldaan zoals door partijen jaarlijks in de maand januari in onderling overleg zal worden vastgesteld of bij gebreke van overleg berekend tegen een percentage gelijk aan het percentage hetwelk de Coöperatieve Raiffeisen-Boerenleenbank W.A. te [plaats 1] vergoedt over spaargelden met een opzegtermijn van één jaar, ingaande op één januari negentienhonderd één en tachtig en jaarlijks bij achteraf betaling te voldoen, voor het eerst op één januari negentienhonderd twee en tachtig. (...)
f.100.000,—) welk bedrag echter verminderd zal worden met de door mij aan ieder van mijn dochters na heden te doene formele en/of materiële schenkingen.
f. 539.319,—) dat met dit gelegateerde bedrag en de reeds door mij op die schuld kwijt gescholden bedragen tezamen een bedrag van tweehonderdzesduizend driehonderd twee en dertig gulden (
f.206.332,—) van die schuld is verrekend.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
f100.000,— zouden uitbetalen, maar [de legatarissen] hebben daarin redelijkerwijs geen aanleiding hoeven te vinden om te onderzoeken of zij na het overlijden van oma nog aanspraak op die bedragen konden maken. Immers zonder testament waarin oma dit als last aan de erfgenamen heeft opgelegd, hebben [de legatarissen] aan de vermogensopstelling geen rechten kunnen ontlenen. Dat [de legatarissen] al bekend waren met het bestaan van het testament van oma voordat zij in 2014 daarvan een afschrift van [de weduwe en kinderen van de zoon] ontvingen, blijkt niet uit de stukken. In de onderhandse akte van 18 juni 1986, waarin [de legatarissen] [de zoon] machtigen om mede namens hen de nalatenschap af te wikkelen, wordt immers geen melding gemaakt van het testament. Vervolgens is het [de zoon] geweest die, mede namens [de legatarissen] , ten overstaan van de notaris de aangifte successierecht heeft verzorgd. Uit een brief van notaris [betrokkene 1] van 22 april 2016 blijkt dat [de legatarissen] pas in 2016 een afschrift van de aangifte, waarin het testament wordt genoemd, hebben ontvangen. Verder wordt in de notariële akten van 5 december 1986 en mei 2005, betreffende de verdeling en verkoop van tot de nalatenschap van oma behorende onroerende zaken, niet vermeld dat oma een testament had gemaakt. [de zoon] was, gezien de aangifte successierecht, wel bekend met het testament. Het ligt dan, temeer nu [de zoon] als gemachtigde de afwikkeling van de nalatenschap van oma zou verzorgen en [de legatarissen] erop mochten vertrouwen dat hij dat ook zou doen, op de weg van [de weduwe en kinderen van de zoon] , als rechtsopvolgers onder algemene titel van [de zoon] , om te bewijzen dat [de legatarissen] het testament al voor 2014 hadden ontvangen.
in concreto.Een andere opvatting leidt ertoe dat tóch een inhoudelijk debat nodig wordt over decennia oude feiten. Ik meen dat dit alles kan worden begrepen onder de door uw Raad bedoelde moeilijkheden zoals die voor de wederpartij bij het loslaten van een objectieve verjaringstermijn kunnen ontstaan (de zojuist aangehaalde overweging uit het mesothelioom-arrest, tussen de aandachtstreepjes). Alleszins terecht worden die moeilijkheden niet alleen in verband gebracht met de waarde van rechtszekerheid, maar ook met die van
billijkheid, nu ten opzichte van de wederpartij, en ook niet als tegenpool van de rechtszekerheid, maar juist gelijkgestemd.
nooitop grond van art. 6:2 lid 2 buiten Pro toepassing zou kunnen blijven. Gelet op de belangen die deze regel beoogt te dienen, waaronder in het bijzonder het belang van de rechtszekerheid, zal echter van onaanvaardbaarheid als in die bepaling bedoeld slechts in uitzonderlijke gevallen sprake kunnen zijn. Een zodanig uitzonderlijk geval kan zich voordoen wanneer onzeker is of de gebeurtenis die de schade kan veroorzaken – hier: de blootstelling aan asbest – inderdaad tot schade – hier: de ziekte mesothelioom – zal leiden, die onzekerheid zeer lange tijd is blijven bestaan en de schade in die zin
naar haar aardverborgen is gebleven dat zij daadwerkelijk is ontstaan en dus pas kon worden geconstateerd nadat de verjaringstermijn reeds was verstreken.
tenietgaanvan een rechtsvordering, en dat niet blijkt dat de wetgever zich ook het geval voor ogen heeft gesteld waarin de schade pas na het verstrijken van de verjaringstermijn is ontstaan, zodat de benadeelde in het geheel geen vordering tot schadevergoeding zou kunnen instellen: vóór het verstrijken van de termijn niet, omdat er toen nog geen schade was, en na het verstrijken van de termijn niet omdat toen de rechtsvordering verjaard was. Dit geval zou hierop neerkomen dat de verjaring het
ontstaanvan een rechtsvordering verhindert, en dat het daarna voorvallen van de schade niet meer dan een natuurlijke verbintenis in het leven roept.’
naar haar aardverborgen is gebleven tot en met het moment dat de verjaring intrad, met als gevolg dat de verjaring in feite
het ontstaan van de rechtsvordering verhindert.Zoals bekend volgen er in het mesothelioom-arrest nog zeven gezichtspunten die bij de beoordeling van het beroep op de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid door de rechter die over de feiten oordeelt bovendien moeten worden betrokken. Dat de schade naar haar aard verborgen is gebleven tot en met het moment dat de verjaring intrad, is op zichzelf dus niet voldoende. Diverse van die gezichtspunten hebben klaarblijkelijk de strekking om de wederpartij te beschermen tegen een voor haar al te bezwaarlijke toepassing van de beperkende werking. [8]
onderdeel 1is onjuist het oordeel van het hof dat indien de rechtsvorderingen van [de legatarissen] ter zake van de legaten verjaard zijn, het beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Kort samengevat komt de klacht van het onderdeel erop neer dat het hof heeft miskend dat voor toepassing van de beperkende werking in het geval van de objectieve verjaringstermijn van art. 3:306 BW Pro slechts in (hoogst) uitzonderlijke gevallen plaats is.
onderdeel 2presenteert de steller van het middel ons een reeks van vooral motiveringsklachten. Mijns inziens is het na het voorgaande niet zinvol om die klachten alle nog te bespreken. Ik beperk mij tot de eerste twee klachten.
dat erfstellingen inhoudt(zodat overeenkomstig het versterferfrecht alle drie de kinderen erfgenamen zijn). Dit is geheel juist. Uit de akte van 5 december 1986 kan dus ook niet worden afgeleid dat de notaris toen niet voor ogen stond dat oma een testament had gemaakt waarbij aan [de legatarissen] elk een bedrag van
f100.000,— was gelegateerd.
pas in 2016hebben ontvangen (en niet reeds eerder). In verband met het tijdsverloop – mede in verband met wat onder 3.8 is gezegd over het verband tussen verjaringstermijnen en de duur waarvoor stukken door het notariaat worden bewaard – is zeer wel mogelijk dat het dossier van de notaris aanvankelijk méér stukken heeft omvat.