ECLI:NL:PHR:2020:1201
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over bekrachtiging nietige erkenning en verkrijging Nederlanderschap in Caribisch recht
Deze zaak betreft een verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap van een persoon die in 1993 in Sint Maarten werd erkend door een man die ten tijde van de erkenning gehuwd was met een andere vrouw dan de moeder van het kind. De erkenning was op grond van het toen geldende BW-NA nietig. Het hof had geoordeeld dat de erkenning door bekrachtiging, mede door het overlijden van de man, toch geldig was geworden en het Nederlanderschap vanaf de erkenningsdatum was vastgesteld.
De Staat stelde cassatieberoep in tegen deze beslissing. De kernvraag was of bekrachtiging van een nietige erkenning kan plaatsvinden zonder dat de onmiddellijk belanghebbenden bekend waren met de feiten die de nietigheid veroorzaakten, en of het blote rechtsfeit van overlijden tot bekrachtiging kan leiden.
De Hoge Raad bevestigde dat kennis van de nietigheidsgrond niet vereist is voor bekrachtiging zolang de belanghebbenden zich niet op de nietigheid hebben beroepen of zich onverenigbaar met de geldigheid hebben gedragen. Echter, het hof had onjuist geoordeeld dat het overlijden van de erkenner als blote rechtsfeit tot bekrachtiging kan leiden. Bekrachtiging vereist handelingsbekwaamheid en bevoegdheid om de rechtshandeling te verrichten, wat bij overlijden ontbreekt.
De Hoge Raad vernietigde daarom de beschikking van het hof en wees het verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap af. Hiermee is bevestigd dat bekrachtiging niet kan plaatsvinden door louter het overlijden van de erkenner en dat de erkenning nietig blijft zolang niet aan de vereisten voor geldigheid is voldaan.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en wijst het verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap af wegens ontbreken van bekrachtiging.