Uitspraak
kantoorhoudende te Amsterdam,
gevestigd te Bussum,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel in het principale beroep
4.Beslissing
28 november 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil tussen de curator van het faillissement van [A] B.V. en Rabobank over de geldigheid van een pandrecht op activa die onder eigendomsvoorbehoud waren geleverd. De curator stelde dat Rabobank onrechtmatig handelde door begin december 2007 de activa executoriaal te verkopen, omdat het eigendomsvoorbehoud nog bestond en Tatra Wood niet bevoegd was tot verpanding.
De Hoge Raad overwoog dat de curator namens de boedel van [A] op 26 november 2007 rechtsgeldig afstand had gedaan van het eigendomsvoorbehoud jegens Rabobank. Deze afstand was onderdeel van afspraken tussen de curator en Rabobank, bevestigd in e-mails en een latere schriftelijke verklaring. Rabobank trad op als bevoegd vertegenwoordiger van Tatra Wood, wat de aanvaarding van de afstand rechtsgeldig maakte.
Verder oordeelde de Hoge Raad dat de onmiddellijke belanghebbenden het pandrecht als geldig hadden aangemerkt in de periode tussen verpanding en afstand. Hierdoor was het pandrecht van Rabobank geldig en kon zij bevoegdelijk de executoriale verkoop houden. De klachten van de curator tegen deze oordelen werden verworpen. De Hoge Raad bekrachtigde het arrest van het hof en wees het cassatieberoep af.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat Rabobank een geldig pandrecht had en bevoegd was tot executoriale verkoop, en wijst het cassatieberoep van de curator af.