Conclusie
2.Bespreking van het cassatieberoep
productie 2bij de onderhavige Memorie van Antwoord (MvA) in het geding gebrachte overzicht is het faillissement van [eiser] geëindigd op 21 februari 2014. Op 6 december 2013, derhalve tweeëneenhalve maand voor de beëindiging van zijn faillissement, heeft [eiser] de dagvaarding jegens [verweerder] uitgebracht. Gegeven dat het faillissement toen nog niet was geëindigd en zijn beweerde vordering(en) de failliete boedel raakte (raakten) diende [eiser] te beschikken over een machtiging van de curator c.q. de rechter-commissaris teneinde de procedure aanhangig te kunnen maken. Nu deze machtiging ontbrak, althans nu van een machtiging niet is gebleken, was [eiser] in zijn vordering(en) in eerste aanleg niet-ontvankelijk. Het hoger beroep is ingesteld tegen een vonnis dat in weerwil daarvan is gewezen, mitsdien [eiser] in hoger beroep niet-ontvankelijk in zijn vordering(en).”
1) Faillissement
in hoger beroep niet-ontvankelijkis, niet ook in eerste aanleg. De stelling dat [eiser] in eerste aanleg niet-ontvankelijk was, is volgens de klacht door [verweerder] uitsluitend als grondslag genoemd voor het verweer dat hij in het hoger beroep niet-ontvankelijk is.
MET CONCLUSIE
onverplichtaanvaarden rechtsstrijd van dien aard. Onafhankelijk dus van de bepaling van art. 27 lid Pro 2, dat overigens volkomen in het stelsel van art. 25 past Pro, doch waarop het hof trouwens slechts ter bevestiging van zijne opvatting beroep doet, schijnt mij dus ’s Hofs beslissing volkomen gerechtvaardigd.”
Tijdensfaillissement behoefde [verweerder] die procedure niet te dulden en kon hij zich op de niet-ontvankelijkheid van [eiser] beroepen [17] .
Na afloopvan het faillissement kon dat volgens mij indachtig de besproken ratio voor deze exceptie niet meer, althans kan zo’n verweer niet meer slagen. De regels van de Faillissementswet zijn naar hun aard uitsluitend van toepassing tijdens faillissement [18] . Nadien verkrijgt de voorheen failliete (natuurlijke [19] ) persoon weer het beheer en de beschikking over zijn rechten en herleeft de normale rechtstoestand waarin iedere schuldeiser zijn eigen belangen behartigt en ter verzekering van zijn vermogensrechtelijke aanspraken zelfstandig kan procederen [20] .
nadatde slotuitdelingslijst was neergelegd en omdat de schuldsanering
ten tijde van de uitspraakinmiddels was geëindigd. Dit is de enige parallel in de rechtspraak die ik heb gevonden. Ook in onze zaak lijkt mij ruimte om anders te oordelen dan tot niet-ontvankelijkheid.
ex tuncwerkt. Het lijkt mij dat wij buiten deze discussie over terugwerkende kracht kunnen blijven, als de hiervoor bepleite ratio-redenering opgaat. Maar als je dat wel in ogenschouw zou nemen, dan heeft te gelden dat ik hiervoor geen bevestiging heb gevonden in (het stelsel van) de wet, literatuur of in de rechtspraak. Juist omdat de regels van de Faillissementswet naar hun aard alleen van toepassing zijn tijdens de faillissementssituatie, meen ik dat de niet-ontvankelijkheid van art. 25 lid 1 Fw Pro naar zijn aard geen terugwerkende kracht heeft.
in fine) en 2.8 de gedachte ten grondslag ligt dat indien de dagvaarding is uitgebracht op een tijdstip waarop [eiser] in staat van faillissement verkeerde en hij niet over een machtiging van de curator, dan wel de rechter-commissaris beschikte, het hof op grond van de vermeende grief van [verweerder] het vonnis zou moeten vernietigen en, opnieuw rechtdoende, [eiser] niet-ontvankelijk zou moeten verklaren in zijn vorderingen in eerste aanleg. De redenering achter die gedachte is volgens de klacht dan kennelijk dat indien juist is dat [eiser] tijdens zijn faillissement [verweerder] in rechte heeft betrokken, dit enkele feit met zich brengt dat [eiser] om die reden in het hoger beroep alsnog in zijn vorderingen niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Dat is volgens de klacht om de volgende redenen onjuist:
voorafgaandaan diens faillietverklaring gestarte procedure niet wil overnemen, vgl. Verstijlen in: T&C Insolventierecht, commentaar op art. 27 Fw Pro, aant. 3 onder verwijzing naar HR 7 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5197, NJ 2007/577 (
L./Staat). De Procesinleiding in cassatie 3.25-3.30 bepleit hier een parallel met onze zaak, maar het verschil is hier nu juist dat een op eigen houtje eisende failliet van meet af aan een valse start neemt, die met een beroep op niet-ontvankelijkheid kan worden geredresseerd, terwijl in een art. 27 Fw Pro situatie er sprake is van een aanvankelijk niet-failliete eiser, die vervolgens na aanvang van de procedure failliet wordt verklaard (faillissement eiser tijdens aanhangige procedure), waarna diens curator niet wil voortzetten. Dat in zo’n situatie ruimte bestaat voor een belangenafweging verbaast minder, maar om dat zo maar door te trekken naar art. 25 Fw Pro situaties lijkt mij niet gewenst [30] .