Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
de eendaadse samenloop van medeplegen van poging tot moord en medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II of een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd en medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie”, 3. “
opzetheling” en 4. “
medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II” en in zaak B wegens 1.
“witwassen”, 2 subsidiair
“opzetheling” en 3.
“medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig jaar met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof beslissingen genomen ten aanzien van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, de vordering tot oplegging van een schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer en de vordering van de benadeelde partij, een en ander zoals vermeld in het bestreden arrest.
eerste middelkomt op tegen de afwijzing van het verzoek tot het horen van twaalf getuigen.
ofwel te ver verwijderd van de in de onderhavige strafzaak te beantwoorden vragen, ofwel […] louter speculatief” zijn, geef ik hieronder ook overwegingen uit het bestreden arrest (p. 5 e.v.) weer die betrekking hebben op ‘de start van het onderzoek en de inzet van bijzondere opsporingsbevoegdheden’. De vaststellingen die het hof hierin heeft opgenomen zijn in cassatie op zichzelf niet ter discussie gesteld. Ik citeer (met weglating van voetnoten):
. Uit (onder meer) het requisitoir van het openbaar ministerie in hoger beroep begrijpt het hof dat dit afschermproces-verbaal mede is gebaseerd op het volgende.
Informatie van het Team Criminele Inlichtingen (TCI), neergelegd in een proces-verbaal van 18 december 2014, inhoudende dat in de maand december 2014 via een informant de informatie is binnengekomen dat het leven van [betrokkene 1], waarmee blijkens dit TCI-proces-verbaal [betrokkene 1] wordt bedoeld, gevaar liep.
De bevindingen tijdens de observatie van [betrokkene 1] op 27 augustus 2015 tussen 21:23 en 21:27 uur in het kader van onderzoek “X”. Deze houden in dat, op het moment dat [betrokkene 1] de Sishalounge aan de Amstelveenseweg te Amsterdam verliet en op zijn scooter wegreed, een Fiat 500, in eerste instantie zonder verlichting te voeren, bij hem aansloot en vervolgens dezelfde route achter hem is gaan rijden met gelijke snelheid, daarbij dezelfde rode verkeerslichten negerend als [betrokkene 1] deed. De Fiat, waarin zich twee personen bevonden, reed daarbij enkele malen op de trambaan om het verkeer dat voor de rode verkeerslichten stil stond te ontwijken.
De bevindingen bij de controle van die Fiat omstreeks 22:00 uur die dag, welke controle op verzoek van het observatieteam in onderzoek ‘”X” heeft plaatsgevonden. Bij die controle werden [verdachte] en [medeverdachte 1] in de Fiat aangetroffen en werd in de Fiat met toestemming van [verdachte] , die de auto bestuurde, gekeken. Daarbij werden onder meer diverse paren zwarte handschoenen, ongebruikte regenpakken en een (naar later bleek) gestolen kentekenplaat [kenteken 1] aangetroffen. Deze kentekenplaat werd enige uren later, op 28 augustus 2015 omstreeks 00:45 uur, in beslag genomen bij de aanhouding (ter zake van heling) van de zich op dat moment in de Fiat bevindende [verdachte] en [medeverdachte 2] . Na de controle is de Fiat met daarin [verdachte] en [medeverdachte 1] langs de woning van [betrokkene 1] gereden.
eenliquidatie
”. Indien en voor zover uit dit proces-verbaal van verdenking moet worden afgeleid dat de verdenking meer algemeen, op de liquidatie van in ieder gevaleen persoon
was gericht, overweegt het hof dat de op 28 augustus 2015 beschikbare informatie een redelijk vermoeden van schuld opleverde dat de verdachte een strafbare betrokkenheid had bij de voorbereiding van een liquidatie. Het is juist dat in zekere zin sprake is van een dubbeltelling in het proces-verbaal van verdenking, in die zin dat de controle op 27 augustus 2015 als zelfstandige bron van verdenking naast het afschermproces-verbaal is vermeld, terwijl - zoals hiervoor overwogen - het afschermproces-verbaal juist mede is gebaseerd op die controle. Dat kan aan de raadsman worden toegegeven. Maar dat maakt voorgaande gevolgtrekking niet anders. Er bestaat ook geen grond voor het oordeel dat de rechter-commissaris niet in redelijkheid tot het afgeven van de machtigingen voor de toepassing van bijzondere opsporingsbevoegdheden had kunnen komen. Daarom is geen sprake van een vormverzuim.
plaatsvond, leidt niet reeds tot de conclusie dat sprake is van een 'harde aanwijzing dat de rechter-commissaris opzettelijk is voorgelogen om machtigingen (naar het hof begrijpt: voor de toepassing van diverse bijzondere opsporingsbevoegdheden) te verkrijgen
'.
controlerenof was voldaan aan de voorwaarde van een redelijk vermoeden van schuld.
onherstelbaarvormverzuim betreft, of omdat het door de verdediging beoogde rechtsgevolg volgens het geldende juridische kader buiten bereik ligt. In de tweede plaats dient de verdediging concreet te onderbouwen welke aanwijzingen voor een vormverzuim bestaan. Van de verdediging mag worden verlangd dat zij aan het getuigenverzoek feiten en omstandigheden ten grondslag legt die een ‘begin van aannemelijkheid’ meebrengen dat zich in het voorbereidend onderzoek een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv heeft voorgedaan. Het getuigenverzoek kan worden afgewezen in geval van een zogeheten ‘
fishing expedition’ naar onrechtmatigheden waarvan op geen enkele wijze uit het dossier is gebleken. [4]
Feiten of omstandigheden die meebrengen dat de inhoud van bescheiden of toelichting voor het kunnen voeren van rechtmatigheidsverweren ontoereikend is, of dat met het oog daarop zonder nader onderzoek of nadere verantwoording niet kan worden vertrouwd, zijn ter toelichting op de gedane verzoeken weliswaar gesteld, doch deze zijn ofwel te ver verwijderd van de in de onderhavige strafzaak te beantwoorden vragen, ofwel zijn louter speculatief.”
niette kennen gegeven welke aanwijzingen voor het bestaan van een vormverzuim kunnen worden geput uit de dossierstukken die haar ter beschikking stonden. In de tweede plaats heeft de verdediging niet kenbaar gemaakt op welke gronden moet worden aangenomen dat deze vormverzuimen (zouden) hebben plaatsgehad in het onderzoek naar de poging tot moord op [slachtoffer] , begaan op 5 november 2018. Dat de gestelde vormverzuimen hebben plaatsgehad in de strafzaak tegen de verdachte ter zake van dit delict spreekt niet voor zich, aangezien de gestelde vormverzuimen zouden hebben plaatsgehad op een moment waarop de poging tot moord nog moest worden gepleegd.
tweede middelklaagt over de onterechte, dan wel ontoereikend gemotiveerde verwerping van het verweer dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim vanwege het ontijdig ingrijpen door justitie na het ontstaan van de verdenking van een op handen zijnde liquidatie.
NJ1999/567 m.nt. Schalken (Karman), de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie heeft aanvaard zonder daarbij als voorwaarde te stellen dat de verdachte door het verzuim in zijn belang is geschaad. Het Karman-arrest is in zoverre een uitzondering op hetgeen hierboven is vooropgesteld. In die zaak ging het immers om een handelwijze van de officier van justitie – het doen van een toezegging aan een verdachte die erop neerkwam dat onder omstandigheden een rechterlijke uitspraak niet (geheel) zou worden tenuitvoergelegd – die de kern van het wettelijk systeem raakte wat betreft de wettelijk voorziene verdeling van bevoegdheden en verplichtingen tussen het Openbaar Ministerie en de rechter. Voor zover de steller van het middel het oog mocht hebben gehad op toepassing van het Karman-arrest in de onderhavige zaak heeft hij de strekking van die uitspraak miskend, nu van zo een inbreuk hier geen sprake is. [6] Gesteld noch gebleken is dat de rechtsverhouding tussen het Openbaar Ministerie en de rechter, zoals die in het wettelijk systeem ten aanzien van vervolging, berechting en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen is vervat, in casu is aangetast.
derde middelbehelst de klacht dat het in zaak A onder 4 bewezen verklaarde feit niet uit de bewijsmiddelen kan volgen.
1. Wapens in de zin van deze wet zijn de hieronder vermelde of overeenkomstig dit artikellid aangewezen voorwerpen, onderverdeeld in de volgende categorieën.
vierde middelbehelst de klacht dat het in zaak B onder 1 bewezen verklaarde feit niet uit de bewijsmiddelen kan volgen.
hij op 4 november 2015 in Nederland zich heeft schuldig gemaakt aan witwassen, immers heeft hij een geldbedrag van 8.000 euro, in 16 briefjes van 500 euro, voorhanden gehad, terwijl hij wist dat dat geldbedrag, onmiddellijk of middellijk, afkomstig was uit enig misdrijf.”
“Dit is acht kop, maar ik je krijgt alvast vier van me, ja”(het proces-verbaal uitwerking OVC-gesprek d.d. 4 november 2015, p. 865). Mede gelet op de tot het bewijs gebezigde verklaring van de vriendin van [medeverdachte 1] (het proces-verbaal verhoor getuige [betrokkene 3] d.d. 9 november 2015, zaaksdossier C01, p. 737) kan daaruit worden afgeleid dat de verdachte een bedrag van € 2.000,00, bestaande uit vier briefjes van 500 euro, aan [medeverdachte 1] heeft gegeven. Dit bedrag heeft [medeverdachte 1] vervolgens aan zijn vriendin gegeven. Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen blijkt dan ook dat de verdachte feitelijke zeggenschap over het geld heeft gehad door een deel van het bedrag aan de medeverdachte te geven en – op die grond – het geldbedrag voorhanden heeft gehad.
vijfde middelbehelst de klacht dat het in zaak B onder 2 subsidiair bewezen verklaarde feit niet uit de bewijsmiddelen kan volgen.
ten tijde vanhet voorhanden krijgen van de bromfietskentekenplaat wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof, acht ik niet onbegrijpelijk en bovendien toereikend gemotiveerd.
zesde middelbevat de klacht dat het hof het in zaak A onder 1 bewezen verklaarde ten onrechte heeft gekwalificeerd als poging tot moord.
“poging tot moord”.