Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
1.
Een proces-verbaal opgemaakt te Venlo, op 23 april 2014. d.d. 8 (…), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2]:
[a-straat 1]
[plaats]
Tel . [telefoonnummer]
tot prostitutie brengen" in de zin van art. 250ter (oud) Sr mede verstaan dient te worden "
iedere gedraging gericht tegen een persoon ertoe strekkende deze te belemmeren in zijn vrijheid met prostitutie op te houden ongeacht de omstandigheden of deze daarbij vrijwillig betrokken is geraakt dan wel reeds eerder bij prostitutie betrokken was”. Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft geoordeeld dat dit criterium ook van toepassing is bij de interpretatie van het bestanddeel “
tot prostitutie brengen" in de zin van art. 273f lid 1 sub 3 Sr.
uitbuiting" in de zin van art. 273f Sr (evenals het vroeger het geval was bij art. 273a oud Sr) is niet in algemene termen te beantwoorden, maar is sterk verweven met de omstandigheden van het geval. Daarbij komt o.a. betekenis toe aan de aard en de duur van de tewerkstelling, de beperkingen die meegebracht worden voor het vermeende slachtoffer, het economische voordeel dat daarmee behaald zou kunnen worden. Bij de weging van deze en andere relevante factoren dienen de in de Nederlandse samenleving geldende maatstaven als referentiekader te worden gehanteerd. Het gaat derhalve om mondige prostituees.
Nog daargelaten of het verweer met betrekking tot de verklaring van medeverdachte [medeverdachte] tegenover de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] in verband met de zgn. Schutznorm in de onderhavige strafzaak opgaat, overweegt het hof ten aanzien van de bruikbaarheid van die verklaring voor het bewijs als volgt.
In een gesprek met medeverdachte [medeverdachte] vertelde deze aan de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] onder meer dat verdachte de vriend van [slachtoffer] was, dat hij en verdachte op zoek waren naar een werkplaats voor [slachtoffer] in een club en dat [slachtoffer] in het verleden vaker in clubs had gewerkt (…). Verbalisant [verbalisant 1] heeft in een afzonderlijk proces-verbaal d.d. 25 april 2014 gerelateerd dat met 'club' een bordeel of sexclub wordt bedoeld en dat hij [medeverdachte] ook heeft horen zeggen dat [slachtoffer] seksuele handelingen zou moeten verrichten tegen betaling (…).
de overtuigingdat verdachte zich samen met medeverdachte [medeverdachte] aan het bewezen verklaarde schuldig heeft gemaakt, voorts ontleend aan de omstandigheid dat beiden wisselende, onderling tegenstrijdige verklaringen hebben afgelegd over hun reisdoel en de relatie tussen verdachte en [slachtoffer]. Het hof heeft de inhoud van die verklaringen in het arrest reeds weergegeven met verwijzing naar de pagina’s in het voormelde politiedossier. Hieronder wordt die weergave voor de volledigheid herhaald:
NJ2016/314 m.nt. Van Kempen heeft Uw Raad overwogen dat deze gedragingen alleen strafbaar zijn als zij zijn begaan onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld. [2] ‘Uitbuiting’ is in de wet niet gedefinieerd, anders dan door de opsomming in het tweede lid van een aantal vormen van uitbuiting, waaronder uitbuiting van een ander in de prostitutie. De vraag of - en zo ja, wanneer - sprake is van 'uitbuiting' in de zin van art. 273f Sr, is – zo heeft Uw Raad aangegeven - niet in algemene termen te beantwoorden, maar is sterk verweven met de omstandigheden van het geval. [3] In HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099,
NJ2010/598 m.nt. Buruma heeft Uw Raad overwogen dat ‘in een geval als het onderhavige’ onder meer betekenis toekomt aan ‘de aard en duur van de tewerkstelling, de beperkingen die zij voor de betrokkene meebrengt, en het economisch voordeel dat daarmee door de tewerksteller wordt behaald’, terwijl bij de weging van deze en andere relevante factoren ‘de in de Nederlandse samenleving geldende maatstaven als referentiekader (dienen) te worden gehanteerd’. Het ging in die zaak evenwel om personen die tewerk waren gesteld in een Chinees restaurant. Het gegeven kader is niet geformuleerd met het oog op een zaak waarin het gaat om (het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van) prostitutiewerkzaamheden. Daarmee is overigens niet gezegd dat aan deze factoren geen betekenis toekomt in de situatie van seksuele uitbuiting. [4] In die zaken ligt het accent evenwel meer op rechtstreekse vaststellingen van onvrijwilligheid. Bij de invulling van de vereiste mate van onvrijwilligheid is HR 5 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5235,
NJ2002/546 van belang. In die zaak was sprake van prostitutiewerkzaamheden. Uw Raad overwoog daarin dat een situatie ‘waarin de prostitué(e) niet of slechts in verminderde mate de mogelijkheid heeft een vrije keuze te maken met betrekking tot het al dan niet aangaan of voortzetten van zijn of haar relatie tot de exploitant’ door de wetgever als ‘uitbuitingssituatie’ is aangeduid. [5]
NJ2016/314 m.nt. Van Kempen had de verdachte een vliegticket voor betrokkene geboekt. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de betrokkene had bevestigd dat zij ‘een kamer had betaald om te kunnen werken’. In HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2928 had de verdachte met de betrokkene contact gelegd in Roemenië en haar van het vliegveld opgehaald. A-G Vegter wees erop dat de betrokkene werkdagen maakte van dertien uren. Maar deze enkele vaststelling zou niet het oordeel kunnen dragen dat sprake was van mensenhandel. Na cassatie volgde in deze zaak wederom een veroordeling, die in HR 19 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:891 in stand bleef. Uw Raad wees er in laatstgenoemd arrest onder meer op dat het hof had vastgesteld dat de betrokkene ‘wat betreft haar verblijfplaats, vervoer en communicatie met derden volledig afhankelijk was van de verdachte en zijn broer’ en dat zij ‘van het door haar verdiende bedrag van 400 à 500 euro niets in haar bezit had’.