Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerstemiddel bevat de klacht dat het hof door het Openbaar Ministerie ontvankelijk te verklaren en het primair ten laste gelegde feit bewezen te verklaren, een onjuiste uitleg heeft gegeven van de artikelen 1, 30 en 30b Wet op de kansspelen (verder ook wel: Wok). De steller van het middel wijst erop dat voor kansspelautomaten een speciaal regime is opgenomen in art. 30 e.v. Wok. ’s Hofs oordeel dat voor de beoordeling of sprake is van een kansspelautomaat de bestemming die aan een apparaat gegeven wordt doorslaggevend is, zou onjuist zijn omdat voor de vraag of sprake is van een kansspelautomaat ook van belang zou zijn op welke wijze op de computers feitelijk werd gegokt. Niet duidelijk zou zijn geworden of sprake is van een door de speler in werking gesteld mechanisch, elektrisch of elektronisch proces, waarbij het resultaat kan leiden tot de middellijke of onmiddellijke uitkering van prijzen of premies. De steller van het middel wijst daarbij op de definitie van een speelautomaat en een kansspelautomaat in art. 30 Wok Pro.
tweedemiddel bevat de klacht dat het hof de bewezenverklaring onvoldoende met redenen heeft omkleed. Blijkens de toelichting betreft de klacht de bewezenverklaring van de passage dat ‘het in Titel II en Va van die wet bepaalde niet van toepassing was’. De middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
relaas van de verbalisanten of één van hen(werkzaam als toezichthouder bij de afdeling Handhaving van de Kansspelautoriteit):
- deze pagina in de Engelse taal werd getoond;
Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie ten aanzien van het primair tenlastegelegde
a. gelegenheid te geven om mede te dingen naar prijzen of premies, indien de aanwijzing der winnaars geschiedt door enige kansbepaling waarop de deelnemers in het algemeen geen overwegende invloed kunnen uitoefenen, tenzij daarvoor ingevolge deze wet vergunning is verleend;
NJ2010/625. [1] De verdachte, een V.O.F., was in het bestreden arrest veroordeeld wegens het medeplegen van (opzettelijke) overtreding van art. 1, aanhef en onder a, Wok. Het hof had – kort gezegd – vastgesteld dat in de door de V.O.F. geëxploiteerde cafetaria gebruik werd gemaakt van daar aanwezige internetzuilen. Die internetzuilen waren volgens het hof voor degenen die van de door de cafetaria geboden faciliteiten gebruik maakten telkens zolang dat duurde een middel om een of meer kansspelen te spelen. De artikelen 30c en 30d Wok vormden volgens het hof geen lex specialis ten opzichte van art. 1 Wok Pro. Uw Raad casseerde en overwoog daarbij:
NJ2005/404 m.nt. Mok. Die zaak betrof een geschil tussen de Lotto en het in het Verenigd Koninkrijk gevestigde Ladbrokes. Ladbrokes bood via haar website de mogelijkheid om deel te nemen aan diverse kansspelen, die hoofdzakelijk sportgerelateerd waren. In cassatie stond onder meer de vraag centraal of Ladbrokes door de wijze waarop zij vanuit het Verenigd Koninkrijk via internet op haar website kansspelen aanbood, handelde in strijd met het verbod van art. 1, aanhef en onder a, Wok in Nederland ‘gelegenheid te geven’ tot deelneming aan kansspelen. Die vraag werd door Uw Raad bevestigend beantwoord. [6] Daarbij overwoog Uw Raad onder meer, en voor zover voor de beoordeling van het middel van belang:
derdemiddel bevat de klacht dat het bewezenverklaarde ‘opzet’ niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen. Uit de gebezigde bewijsmiddelen zou niet zonder meer volgen dat de verdachte wetenschap had van de omstandigheid dat op de computers werd gegokt en dat hij bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat er werd gegokt. Het enkel ter beschikking stellen van computers voor internetgebruik zou daartoe, zo begrijp ik, niet volstaan. Van de zijde van de verdachte was er volgens de steller van het middel geen enkele actieve bijdrage gericht op het eventuele gokgedrag van de klant, met de op de computers A1 t/m A3 aangetroffen software Tiposoft en CBC-X zou de verdachte niet bekend zijn, en ook met de eventuele gokactiviteiten van klanten zou de verdachte niet bekend zijn. Ook zou niet blijken dat de printer zou zijn gebruikt voor het uitprinten van wedtickets en/of dat de verdachte daarmee bekend was.