Conclusie
CONCLUSIE
eerste middelkeert zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de stukken genoegzaam zijn en de verwerping door de rechtbank van het verweer dat de stukken ongenoegzaam zijn. De rechtbank zou er bij de verwerping van het verweer niet op zijn ingegaan “dat uit de overgelegde affidavit niet, althans onvoldoende blijkt het verloop van het onderzoek en tot welke concrete onderzoeksresultaten dat onderzoek heeft geleid op basis waarvan de omschreven verdenking is ontstaan.” Ook zou de verdenking van enige betrokkenheid bij identiteitsdiefstal “onvoldoende ondersteund [worden] door bewijsmateriaal”.
i.e., ‘cashing out.’ Since approximately 2017, [de opgeëiste persoon] , in collaboration with other members of the Skimming Organization, conducted cash outs as part of various skimming operations.
Genoegzaamheid van de stukken
7.1.1 Standpunt verdediging
affidavit(beëdigde verklaring) die slechts een uitgebreide omschrijving geeft van de tegen de opgeëiste persoon gerezen verdenking, welke overigens onvoldoende wordt ondersteund door bewijsmateriaal. Uit voornoemde verklaring blijkt onvoldoende hoe het strafrechtelijk onderzoek is verlopen en op basis van welke concrete onderzoeksresultaten de verdenking is ontstaan.
7.1.2 Beoordeling
affidavitwaarin het verloop en het resultaat van het strafrechtelijk onderzoek wordt gerelateerd (HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1571). De bewijsmiddelen waarop het
affidavitis gebaseerd hoeven daarbij niet te worden overgelegd (HR 1 juli 1986, NJ 1987/218).
tweede middelklaagt over de motivering van de afwijzing door de rechtbank van het verzoek om de behandeling van het uitleveringsverzoek aan te houden om nader onderzoek te doen “naar de vraag of de Amerikaanse autoriteiten in 2018 beschikten of konden beschikken over de informatie die heeft geleid tot de feiten waarvoor de uitlevering” is verzocht. Aangevoerd wordt dat de afwijzing van het verzoek onbegrijpelijk, althans onvoldoende is gemotiveerd, waardoor in het bijzonder art. 26 Uitleveringswet Pro is geschonden.
soortgelijkefeiten als waarvoor de uitlevering wordt verzocht. Op grond van art. 5 van Pro het toepasselijke uitleveringsverdrag dient de uitlevering niet alleen te worden geweigerd indien de opgeëiste persoon ter zake van het feit waarvoor uitlevering wordt verzocht door de aangezochte staat (i.c. Nederland) “wordt vervolgd, vervolgd is geweest, of is berecht en veroordeeld of vrijgesproken” (art. 5 aanhef Pro en onder a), maar ook indien “uit anderen hoofde tegen de opgeëiste persoon geen vervolging kan worden ingesteld ter zake van het feit waarvoor uitlevering wordt verzocht, krachtens het recht in de aangezochte Staat met betrekking tot het effect van een voorafgaande strafvervolging” (art. 5 aanhef Pro en onder b). Zoals hieronder zal blijken, heeft het ter zitting gedane verzoek betrekking op de weigeringsgrond in art. 5 aanhef Pro en onder b van het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika (hierna: het Uitleveringsverdrag). [5]
13. Dat contact verandert wat mij betreft geenszins dat de noodzaak bestaat tot het verrichten van nader onderzoek i.v.m. die eerdere vervolging uit 2018.
14. Want dat het tijdstip en de plaats van die feiten uit 2018 niet (geheel) overeenkomen met - ik noem het voor het gemak even - ‘de nieuwe feiten’, dat was evident. Al moet ik daar wel direct een nuance bij maken: de ‘nieuwe feiten’ zouden namelijk zijn gepleegd ’tussen 2014 en 2019’ (2018 valt daar dus onder) en ‘in de hele Verenigde Staten’ (Tennessee valt daar dus onder).
15. Maar nog belangrijker: dat daarmee (dus dat de feiten niet precies op dezelfde tijd en plaats zouden zijn gepleegd) geen sprake kan zijn van het ne bis in idem beginsel, lijkt wat kort door de bocht.
16. Want wat namelijk opvalt, is dat de soort gedragingen die cliënt thans worden verweten, exact hetzelfde zijn als die uit 2018. In beide gevallen:
17. Bij het ne bis in idem beginsel zijn dan ook niet alleen het tijdstip en de plaats van de gedragingen van belang, maar juist ook:
18. En juist die aspecten lijken in deze zaak een rol te spelen. Omdat het dus lijkt te gaan om precies dezelfde
soortgedragingen. En het gewoon niet logisch lijkt dat die gedragingen uit 2018 geen enkele rol hebben gespeeld in het huidige onderzoek van de Amerikaanse autoriteiten.
19. Want hoe voor de hand liggend is het dat cliënt, zoals de Amerikaanse autoriteiten stellen, tussen 2014 en 2019, als lid van een skimorganisatie, in de gehele VS, cash-outs uitvoerde, dergelijke cash-outs ook uitvoerde tussen april en juni 2018 in Tennesee, maar dat dié cash-outs (tussen april en juni 2018) volstrekt los van stonden van die cashouts tussen 2014-2019. Niet zo, wat de verdediging betreft.
20. En dat dat niet zo voor de hand lijkt te liggen, blijkt ook wel uit de stukken die ik u afgelopen maandag per mail deed toekomen. Toen cliënt namelijk in maart 2018 werd aangehouden, droeg hij maar liefst
17vervalste bankpassen en een grote stapel cash geld met zich. Alleen al op grond daarvan, die ongewone hoeveelheid vervalste bankpassen, bestaat het vermoeden dat de skimacties zich destijds niet beperkten tot die gedragingen zijn genoemd in de plea agreement.
21. De Amerikaanse autoriteiten leken er destijds echter bewust voor te kiezen - en hebben dat volgens cliënt ook expliciet uitgesproken - cliënt niet verder te vervolgen als hij middels de plea agreement akkoord zou gaan met zijn uitzetting. En dat heeft ook plaatsgevonden: cliënt is daadwerkelijk het land uit gezet (nadat de financiële verplichtingen waren voldaan).
22. En in opdracht van de Amerikanen zijn de resterende verdenkingen daarmee komen te vervallen (
bijlage 1- Federal Court Judgment).
23. En om die reden is het van belang om te weten of de Amerikaanse autoriteiten toen in 2018 wellicht al beschikten, of in ieder geval kónden beschikken over de informatie die nu heeft geleid tot de vervolging voor de ‘nieuwe feiten’.
24. Want als dat inderdaad zo is, dat de Amerikaanse autoriteiten toen al beschikten of konden beschikken over die informatie, dan zou dat naar Nederlands recht in de weg kunnen staan van een (nieuwe) vervolging als de onderhavige.
25. Ofwel op basis van het ne bis in idem beginsel, om de redenen die ik hierboven al noemde, ófwel op basis van de beginselen van goede procesorde, omdat er wezenlijke samenhang lijkt te zijn in het handelen en de schuld van cliënt als we de gedragingen van toen vergelijken met die waarvan cliënt nu wordt verdacht, ook al is nu het organisatie-aspect erbij gekomen (vgl. ECLI:NL:HR:1996:ZD0583).”
De voorzittervraagt de officier van justitie in hoeverre het haar duidelijk is dat Tennessee niet één van de feiten betreft die onder het in het uitleveringsverzoek genoemde feit 3 zou kunnen vallen.
[…]
De raadsvrouw:
Verweer ten aanzien van mogelijke strijdigheid met het ‘ne bis in idem’ beginsel en het
soortgedragingen als die uit 2018 en er een wezenlijke samenhang lijkt te zijn qua handelen en schuld, is het niet logisch dat de gedragingen uit 2018 geen enkele rol hebben gespeeld in het huidige strafrechtelijk onderzoek waarvoor nu de uitlevering wordt gevraagd.
7.2.2 Standpunt officier van justitie
Die komt er – kort gezegd – op neer dat de 'plea agreement’ (schulderkenning) uit 2018 betrekking heeft op zeer specifieke en beperkte criminele activiteiten, namelijk het bekennen van fraude bij één enkele bank in de Staat Tennessee gedurende een periode van minder dan twee maanden in 2018. Het huidige uitleveringsverzoek heeft, betrekking op een periode van ongeveer 5 jaar, met specifieke verwijzingen naar criminele activiteiten in maart en mei 2017, in New York, en juli 2017 in Massachusetts. De op zichzelf staande vervolging in Tennessee maakt op geen enkele wijze deel uit van de vervolging in New York waarbij een criminele organisatie betrokken is die langs de oostkust van de Verenigde Staten opereert, aldus de toelichting van de Amerikaanse autoriteiten. De misdrijven, de locaties en de perioden verschillen dus. Gelet hierop is in de visie van het Openbaar Ministerie geen sprake van strijdigheid met het ne bis in idem beginsel (dubbele strafvervolging).
7.2.3 Beoordeling
Voorafgaande strafvervolging ter zake van hetzelfde feitUitlevering wordt niet toegestaan wanneer:
a. de opgeëiste persoon door de aangezochte Staat ter zake van het feit waarvoor uitlevering wordt verzocht wordt vervolgd, vervolgd is geweest, of is berecht en veroordeeld of vrijgesproken; of
b. uit anderen hoofde tegen de opgeëiste persoon geen vervolging kan worden ingesteld ter zake van het feit waarvoor uitlevering wordt verzocht, krachtens het recht in de aangezochte Staat met betrekking tot het effect van een voorafgaande strafvervolging.” [7]
Artikel 5behandelt de weigeringsgrond gebaseerd op het beginsel ne bis in idem.
Onderdeel (a) heeft betrekking op de situatie dat in de aangezochte staat ter zake van het feit waarvoor uitlevering wordt gevraagd nog een vervolging gaande is. Die situatie is voorzien in artikel 9, eerste lid, onder (a), van de Uitleveringswet. Onderdeel (b) heeft betrekking op alle gevallen waarin naar het recht van de aangezochte staat geen verdere vervolging meer kan plaatsvinden. Dit onderdeel dekt alle situaties voorzien in artikel 9, eerste lid, onder b, c en d van de Uitleveringswet. Deze soepele formulering is gekozen omdat het Amerikaanse recht een minder vergaande regeling op dit gebied kent dan het Nederlandse recht.” [8]
[...]
U zegt mij dat ik uiteindelijk ben veroordeeld voor - kort gezegd - bankfraude en vraagt mij welke andere feiten er toen ter discussie stonden. U vraagt mij of ik toen werd vervolgd vanwege de valse creditcards die ik in mijn bezit had. Ik had veel meer creditcards bij mij die niet genoemd worden.
De raadsvrouw deelt mede dat er kennelijk al onderzoek is geweest naar meerdere bankpassen.U vraagt mij of ik alle stukken (waarover de rechtbank beschikt) heb ontvangen. Dit zijn alle stukken die wij hebben. Het lijkt erop dat het plea agreement is gesloten voor die feiten waarop stempels staan afgedrukt en dat alle toen resterende verdenkingen kwamen te vervallen. U vraagt mij of ik concreet kan aangeven voor welke strafbare feiten ik destijds een plea agreement heb gesloten en voor welke feiten de Amerikaanse autoriteiten besloten hebben mij niet te vervolgen. Ik heb die plea agreement gesloten voor alles waarvan ik destijds werd verdacht. Die andere feiten staan niet op mijn conto. Ik weet waar ik mij schuldig aan heb gemaakt.”