Conclusie
1.Inleiding
2.Ambtshalve opmerkingen ten aanzien van de toepasselijke termijnen
Stb.2017, 246, en is in werking getreden op 1 juli 2018. Volgens de overgangsbepaling (art. VI) [6] is art. 552d lid 4 Sv van toepassing op de inwilliging en de uitvoering van een verzoek om rechtshulp dat wordt ontvangen na de inwerkingtreding van deze wet. Aangezien het verzoek om rechtshulp dat in onderhavige zaak centraal staat dateert van 30 augustus 2018, zijn de termijnen van art. 552d lid 4 Sv van toepassing.
3.De beschikking
1. Procedure
2. Feiten
3. Standpunt klager en standpunt officier van justitie
- niet is voldaan aan het vereiste van dubbele strafbaarheid,
- dit in strijd zou zijn met artikel 4 van Pro de EU verordening 2271/96 (het zgn “blocking statute”);
- en de overtreding van de sanctiewetgeving van de Verenigde Staten in dit geval moet worden beschouwd als politiek delict en er daarom sprake is van een weigeringsgrond als genoemd in artikel 10 van Pro het Rechtshulpverdrag en artikel 5.1.5 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv).
- De officier van justitie heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beklag.
4. Beoordeling
4.Het eerste middel
in de plaatskomt van het verzoek dat op het Rechtshulpverdrag is gebaseerd.
5.Het tweede middel
6.Het derde middel
aangezochte staatom toestemming kan worden gevraagd om het overgedragen bewijsmateriaal voor andere doelen aan te wenden en aangenomen moet worden dat bij de overdracht van voorwerpen daaromtrent ook voorwaarden kunnen worden worden bedongen door de minister. [15] Een dergelijke benadering sluit aan bij de toepassing van het specialiteitsbeginsel in het uitleveringsrecht. Volgens de Hoge Raad kan een opgeëiste persoon zich niet met succes op een dreigende schending van het specialiteitsbeginsel beroepen, omdat het vertrouwen dat de verzoekende staat zich overeenkomstig het specialiteitsbeginsel zal beperken, alleen opzij kan worden gezet wanneer een dreigende schending van het specialiteitsbeginsel tevens een dreigende flagrante schending van art. 6 EVRM Pro zou opleveren en tegen een dergelijke schending geen daadwerkelijk rechtsmiddel openstaat in de zin van art. 13 EVRM Pro. [16] Hetzelfde uitgangspunt geldt mijns inziens mutatis mutandis voor het specialiteitsbeginsel in het kader van kleine rechtshulp. Het lijkt mij te ver strekken, zoals door de steller van het middel kennelijk wordt betoogd, dat de beklagrechter het beklag gegrond zou moeten verklaren omdat niet voor alle feiten dubbele strafbaarheid is aangenomen. Wat dat betreft sluit ik mij aan bij de door de steller van het middel aangehaalde annotatie van Swart onder de uitspraak van 18 oktober 1994, NJ 1996/410: