Conclusie
en19/02303 Br
1.Het geding in cassatie
2.Behandeling in feitelijke aanleg
In deze zaak hebben de Libische autoriteiten om vertrouwelijkheid van met name de inhoud van het rechtshulpverzoek verzocht, welk verzoek is gegrond op artikel 46, twintigste lid, van het Verdrag. Op grond van dat artikel kan een verzoekende staat van de aangezochte staat verlangen dat zij de inhoud van het verzoek geheimhoudt, “behalve voor zover bekendmaking nodig is voor de uitvoering van het verzoek.” Naar het oordeel van de rechtbank doet deze uitzondering zich in deze zaak niet voor. De inhoud van het rechtshulpverzoek zal derhalve niet aan klaagsters bekend worden gemaakt. Dat laat onverlet dat de rechtbank bij de beoordeling van het hiernavolgende uitsluitend de stukken heeft betrokken waarvan de vertrouwelijkheid niet was gevraagd door de Libische autoriteiten.’’
De voorzitterdeelt voorts mee dat in deze procedure geklaagd wordt over het onder klaagsters [klaagster 2] en [klaagster 1] gelegde beslag op een aantal bankrekeningen bij de ABN AMRO en Rabobank. Het beslag is gelegd in het kader van een rechtshulpverzoek, waarbij is verzocht om gedeeltelijke vertrouwelijkheid van enkele stukken, waaronder het rechtshulpverzoek zelf. Deze stukken heeft de rechtbank ingezien, maar zijn niet gedeeld met klaagsters of hun raadslieden.
Een aantal stukken heeft het openbaar ministerie alsnog overgelegd, maar dan enigszins gereduceerd. Het rechtshulpverzoek blijft vooralsnog vertrouwelijk.
(…)
De officier van justitieSchmitz deelt mee:
Dat is exact.
De raadsmandeelt mee:
Klaagsters hebben een groot probleem met de vertrouwelijkheid van de stukken, in het bijzonder het rechtshulpverzoek. Temeer nu de rechtbank wel inzage heeft gehad in deze stukken. In het bestuursrecht is voor deze situatie een regeling opgetuigd, maar bij deze strafrechtelijke procedure heeft de rechtbank het integrale dossier en wij niet. Wij tekenen hiertegen protest aan.
(…)
De voorzittergeeft voorts de officieren van justitie het woord om te reageren on het verzoek tot inzage van de vertrouwelijke stukken.
De officier van justitieSchmitz deelt mee:
Allereerst is het verzoek om vertrouwelijkheid in het rechtshulpverzoek zelf neergelegd. Het openbaar ministerie is op basis van het Verdrag daaraan gebonden. Verder voorziet het Wetboek van Strafvordering ook in de mogelijkheid om processtukken van de verdediging te onthouden, als bij bekendmaking het belang van het strafrechtelijk onderzoek ernstig wordt geschaad. Naast de vertrouwelijkheid ten aanzien van de verdachten, blijft de verplichting van het openbaar ministerie bestaan om deze vertrouwelijke stukken wel aan de rechtbank te doen toekomen.
Dat het onderzoek wordt geschaad bij bekendmaking van de vertrouwelijke stukken wordt gesteld door de Libische autoriteiten in het rechtshulpverzoek. Het internationale vertrouwelijkheidsbeginsel houdt in dat de verzochte staat geen nadere toets aanlegt. Hetgeen kan worden verstrekt, wordt ook meteen verstrekt. Daarmee wordt ook voldaan aan artikel 13a van de Wet Overdracht Tenuitvoerlegging Strafvonnissen (hierna: WOTS).
De raadsmandeelt mee:
De inhoud van het rechtshulpverzoek kennen wij niet. Dus hetgeen gesteld wordt door de officier van justitie kunnen wij niet verifiëren, maar de rechtbank wel.
Toch bepleit ik dat de uitzondering aan de orde is: ‘’behalve voor zover bekendmaking nodig is voor de uitvoering van een verzoek ex. artikel 552a.’’ Het openbaar ministerie kan aan de verzoekende staat terugkoppelen dat dat aan de orde is en dat aan het vertrouwelijkheidsverzoek niet kan worden voldaan. Ik heb ook geen argument gehoord waarom klaagsters niet geïnformeerd kunnen worden en de rechtbank wel. Wij persisteren bij ons verzoek tot inzage van het integrale dossier. Klaagsters willen een beslissing op hun klaagschriften van een rechtbank die hetzelfde dossier kent als wij. Subsidiair verzoeken klaagsters dat de rechtbank zich verschoont, zodat een andere meervoudige kamer op grond van hetzelfde dossier als wij in ons bezit hebben de beslissing kan nemen.
De officier van justitiedeelt mee:
Aan de verdediging is een brief van de autoriteiten van Libië verstrekt, waarin zij het verzoek tot vertrouwelijkheid uitleggen. Hetgeen is weggestreept, is gedaan omdat bekendmaking van die informatie aan klaagsters het onderzoek zou kunnen schaden en heeft betrekking op de inhoud van het rechtshulpverzoek.
Verder merk ik op dat artikel 552a Sv slechts een marginale toets toestaat en volgens mij is dat ook mogelijk op grond van de informatie die met de verdediging is gedeeld.
Ten slotte merk ik op dat het verzoek om een nieuwe meervoudige kamer in strijd is met de wet, waarin wort voorzien dat gehele dossier wel aan de rechtbank wordt verstrekt en niet aan de verdediging.
De raadsmandeelt mee:
De brief waarin wordt verwezen naar het RHV kennen wij, maar waarom mogen klaagsters de weggestreepte passage niet zien?
Ik zie in de wet negens de voorziening waarin wordt geregeld dat de rechtbank het integrale dossier heeft en de verdediging niet.
De marginale toets betreft een ander onderwerp dan de inzage van stukken.
Ten slotte is geen enkel onderzoeksbelang aangevoerd dat geschaad zou worden bij bekendmaking van de vertrouwelijke stukken.
De voorzitteronderbreekt de behandeling voor beraad.
De voorzitterdeelt na hervatting van het onderzoek mee dat de rechtbank als volgt heeft beslist.
De rechtbank wijst het verzoek af om alle stukken in het klaagschriftendossier ter kennisname aan klaagsters te doen toekomen.
In deze zaak is beslag gelegd in het kader van een rechtshulpverzoek van de autoriteiten van Libië op grond van artikel 13a van de WOTS, in samenhang met het Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie, tot stand gekomen in New York, 31 oktober 2003 (Trb. 2004, 11 en Trb. 2005, 244; hierna: het Verdrag), waarbij Nederland en Libië partij zijn. In dit geval wordt het strafvorderlijk belang van het beslag gesteld door de verzoekende staat. In de nagekomen stukken van de officieren van justitie, waaronder met name de notitie van de officier van justitie mr. Dingley van 14 augustus 2018 staan de strafbare feiten waartoe de verdenking in de Libische strafzaak strekt en de bevoegdheidsgrondslag.
In deze zaak hebben de Libische autoriteiten om vertrouwelijkheid van met name de inhoud van het rechtshulpverzoek verzocht, welk verzoek is gegrond op artikel 46, twintigste lid, van het Verdrag. Op grond van dat artikel kan een verzoekende staat van de aangezochte staat verlangen dat zij de inhoud van het verzoek geheimhoudt, ‘’behalve voor zover bekendmaking nodig is voor de uitvoering van het verzoek.’’ Naar het oordeel van de rechtbank doet deze uitzondering zich in deze zaak niet voor. De inhoud van het rechtshulpverzoek zal derhalve niet aan klaagsters bekend worden gemaakt.
Voorts zal de rechtbank zich niet verschonen omdat de samenstelling inzage heeft gehad in de vertrouwelijke stukken. De kennisname van deze stukken is inherent aan de betrokken procedure. Ook dit verzoek van klaagsters wijst de rechtbank af.’’
3.Juridisch kader
2) Door de raadkamer worden het openbaar ministerie, de verdachte en andere procesdeelnemers gehoord, althans hiertoe opgeroepen, tenzij anders is voorgeschreven. Artikel 22, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
3) De verdachte en andere procesdeelnemers kunnen zich bij de behandeling door de raadkamer door een raadsman of advocaat doen bijstaan.
4) Indien de verdachte de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst, wordt de bijstand van een tolk ingeroepen. Het openbaar ministerie roept de tolk op. Artikel 276, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
5) Het openbaar ministerie legt aan de raadkamer de op de zaak betrekking hebbende stukken over. De verdachte en andere procesdeelnemers zijn, evenals hun raadsman of advocaat, bevoegd van de inhoud van deze stukken kennis te nemen.
6) Het tweede tot en met vijfde lid zijn niet van toepassing, voor zover het belang van het onderzoek hierdoor ernstig wordt geschaad.’’
2) De wederzijdse rechtshulp wordt verleend in de ruimst mogelijke mate krachtens de relevante wetten, verdragen, overeenkomsten en regelingen van de aangezochte Staat die partij is met betrekking tot opsporing, vervolging en gerechtelijke procedures ten aanzien van de strafbare feiten waarvoor een rechtspersoon aansprakelijk kan worden gesteld overeenkomstig artikel 26 van Pro dit Verdrag in de verzoekende Staat die partij is.
3) De wederzijdse rechtshulp die moet worden verleend overeenkomstig dit artikel kan worden verzocht voor elk van de volgende doeleinden:
7) Het negende tot en met het negenentwintigste lid van dit artikel zijn van toepassing op ingevolge dit artikel gedane verzoeken indien de betrokken Staten die partij zijn niet gebonden worden door een verdrag inzake wederzijdse rechtshulp. Indien deze Staten die partij zijn gebonden zijn door een dergelijk verdrag, zijn de desbetreffende bepalingen van dat verdrag van toepassing, tenzij de Staten die partij zijn, overeenkomen in plaats daarvan het negende tot en met het negenentwintigste lid van dit artikel toe te passen. De Staten die partij zijn, worden sterk aangemoedigd deze leden toe te passen indien zij de samenwerking vergemakkelijken.
(…)
19) De verzoekende Staat die partij is, gebruikt of zendt geen informatie of bewijsmateriaal verstrekt door de aangezochte Staat die partij is voor opsporing, vervolging of gerechtelijke procedures anders dan vermeld in het verzoek zonder voorafgaande toestemming van de aangezochte Staat die partij is. Niets in dit lid belet de verzoekende Staat die partij is tijdens zijn procedures informatie of bewijsmateriaal bekend te maken die respectievelijk dat ontlastend is voor een verdachte. In het laatste geval stelt de verzoekende Staat die partij is de aangezochte Staat die partij is voorafgaand aan de bekendmaking daarvan in kennis, en overlegt, indien daarom is verzocht, met de aangezochte Staat die partij is. Indien in een uitzonderlijk geval voorafgaande kennisgeving niet mogelijk is, stelt de verzoekende Staat die partij is de aangezochte Staat die partij is onverwijld op de hoogte van de bekendmaking.
20) De verzoekende Staat die partij is, kan verlangen dat de aangezochte Staat die partij is het bestaan en de inhoud van het verzoek geheimhoudt, behalve voorzover bekendmaking nodig is voor de uitvoering van het verzoek. Indien de aangezochte Staat die partij is niet kan voldoen aan het vereiste van geheimhouding, stelt hij de verzoekende Staat die partij is daarvan onverwijld op de hoogte.’’
2) De uitvoerende autoriteit garandeert, overeenkomstig haar nationale recht, de geheimhouding van de feiten en de inhoud van het EOB, behalve voor zover deze gegevens met het oog op de tenuitvoerlegging van de onderzoeksmaatregelen moeten worden vrijgegeven. Indien de uitvoerende autoriteit niet in staat is aan de geheimhoudingsplicht te voldoen, stelt zij de uitvaardigende autoriteit hiervan onverwijld in kennis.’’
4.De bespreking van de middelen
determination of a criminal charge’ of vaststelling van burgerlijke rechten en verplichtingen en zodoende geen strijd kan zijn met het recht op een eerlijk proces of ‘
equality of arms’als bedoeld in art. 6 EVRM Pro. Wel kan eventueel strijd zijn met de beginselen van een behoorlijke procesorde, waarop de steller van het middel ook een beroep doet.
7.45 It is recognized in paragraph 14 that the very act of executing the request may draw attention to what is being done. If, however, there are public procedures in the requested party (such as the publication of lists of relevant types of applications) which constitute a breach of confidentiality greater than that necessary minimum, the requested party must promptly inform the requesting party of that fact, with a view to seeking a decision on whether the request should continue to be executed, in the same or an amended form.’’