Conclusie
- feit 1, voor zover dit feit ziet op de volgende items: 4x A/D Converter 2.0/3.2 GSPS Ultra High-Speed, ISLA216P25IRZ en ISLA216P13IRZ;
- en feit 3, voor zover dit feit ziet op de volgende items: 4 x A/D Converter 2.0/3.2 GSPS Ultra High-Speed”, en de uitlevering voor het overige ontoelaatbaar verklaard.
De feiten waarvoor de uitlevering toelaatbaar is verklaard
Het gaat in chronologische volgorde om achtereenvolgens:
- de “Indictment” van de Grand Jury, die is uitgesproken ter openbare zitting van 18 oktober 2018 van de District Court van het District Columbia (Verenigde Staten van Amerika, hierna: V.S.);
- de “Affidavit” van 30 oktober 2018 van M. Faruqui, Assistant United States Attorney for the District of Columbia (V.S.), en
- twee door de Amerikaanse autoriteiten verstrekte lijsten met de goederen (elektronica) waarop de Indictment ziet.
De lijsten met de goederen zijn als bijlage gehecht aan processen-verbaal van het team Precursoren, Strategische goederen en Sanctiewetgeving (Poss) en bevatten nadere technische specificaties van de goederen waarop de feiten 1 en 3 betrekking hebben.
[…]
De International Emergency Economie Powers Act (lEEPA; Wet op de economische bevoegdheden bij internationale noodsituaties) 50 U.S.C. §§ 1701-1706 gaf de president van de Verenigde Staten van Amerika de bevoegdheid economische sancties aan een vreemd land op te leggen naar aanleiding van een ongewone of buitengewone bedreiging voor de nationale veiligheid, het buitenlandse beleid of de economie van de Verenigde Staten. […]
Op 6 mei 1995 vaardigde de president decreet nr. 12959 uit waarmee decreet nr. 12170 werd aangenomen en voortgezet (gezamenlijk: de "decreten"), en onder andere de directe of indirecte uitvoer, de wederuitvoer, verkoop of levering van Amerikaanse goederen, technologie en diensten uit Amerika of door een Amerikaans burger naar Iran werd verboden. De decreten gaven de Amerikaanse minister van financiën de bevoegdheid benodigde regels ter uitvoering van de decreten af te kondigen. Ingevolgde deze bevoegdheid kondigde de minister van financiën de Iranian Transactions Regulations [Regeling Iraanse transacties] af, en vaardigde op 22 oktober 2012 een herziene regeling af genaamd de Iranian Transactions and Sanctions Regulations [ITRS, Regeling Iraanse transacties en sancties], waardoor de opgelegde sancties aan de hand van de decreten konden worden uitgevoerd.
11. Gedaagden [opgeëiste persoon] , [betrokkene 1] of hun medesamenzweerders hadden op geen enkel moment een vergunning of machtiging van in het district Columbia gevestigde OFAC ontvangen of in hun bezit om welke goederen, technologie of diensten dan ook uit te voeren naar Iran.
[…]
OPENLIJKE HANDELINGEN
[…]
r. Op of omstreeks 16 november 2015 liet gedaagde [opgeëiste persoon] $7.165,00 overmaken naar Bedrijf 1, welke transactie via de Verenigde Staten werd doorgevoerd als betaling voor uit Amerika afkomstige goederen bestemd voor verzending naar Iran.
[…]
(Samenzwering aangaande het onrechtmatig uitvoeren van Amerikaanse goederen naar Iran en het oplichten van de Verenigde Staten en het Amerikaanse ministerie van Financiën in strijd met titel 18, United States Code, sectie 371)
[…]
“[Part Name/Number] Texas Instruments ADC12D1000CIUT/NOPB, [Part Description] A/D Converter 2.0/3.2 GSPS Ultra High-Speed [Date] Seized (December 15, 2015) [ECCN] 3A001.a5a3”.
Onder verwijzing naar “Counts 1,8”:
“[Part Name/Number] ISLA216P25IRZ ISLA216P13IRZ [Date] June 3, 2015 [ECCN] 3A001.a.5.a.5”
zoals deze feiten zijn uiteengezet in de “Indictment” van de Grand Jury, die is uitgesproken ter openbare zitting van 18 oktober 2018 van de District Court van het District Columbia (V.S.).
eerste middelklaagt dat de rechtbank ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd heeft aangenomen dat met betrekking tot feit 1 en 3 de overgelegde stukken genoegzaam zijn. De eerste deelklacht houdt in dat de rechtbank de Indictment, de Affidavit en de lijst met goederen niet als bewijsmateriaal had mogen aanmerken. De rechtbank zou voor wat betreft het vereiste bewijsmateriaal uitsluitend hebben verwezen naar de Indictment en de lijst. De tweede deelklacht houdt in dat de rechtbank ten onrechte althans onvoldoende gemotiveerd heeft aangenomen dat het overgelegde materiaal “een voldoende redelijk vermoeden van schuld oplevert.”
[…]
b. het bewijsmateriaal dat, volgens het recht van de aangezochte Staat, de aanhouding en dagvaarding van die persoon zou rechtvaardigen indien het feit in die Staat zou zijn gepleegd, met inbegrip van bewijsmateriaal waaruit blijkt dat de persoon wiens uitlevering wordt verzocht degene is op wie het bevel tot aanhouding betrekking heeft.”
5. Genoegzaamheid van de stukken5.1.
Standpunt verdediging
Standpunt officier van justitie
5.3.
Beoordeling
Strafbaarheid van de uitvoer van de goederen naar Iran naar Nederlands recht
8. Bij wijze van voorbeeld, op 15 december 2015 hebben Amerikaanse rechtshandhavingsautoriteiten een gereguleerde uitvoer van geïntegreerde schakelingen (die ook in Europa zijn gereguleerd krachtens het Akkoord yan Wassenaar), die [opgeëiste persoon] had gekocht van een Amerikaans bedrijf (‘VS-Bedrijf 1'), verhinderd. De rechtshandhavingsautoriteiten werden gewezen op de aankoop van [opgeëiste persoon] toen het VS-Bedrijf 1 aan de rechtshandhaving meedeelde dat een werknemer van [opgeëiste persoon] ’s bedrijf dat gevestigd is in Verenigde Arabische Emiraten, [A] , communiceerde met het VS-Bedrijf 1 vanaf een Iraans Internet protocol (‘ÏP’)-adres. In reactie daarop plaatste HSI undercoveragenten om namens het VS-Bedrijf 1 met [A] te communiceren. Tijdens daaropvolgende bijeenkomsten vertelde [opgeëiste persoon] de undercoveragenten dat hij de producten kocht van Amerikaanse bedrijven met gebruikmaking van een valse naam; stelde hij voor om schijnondernemingen te gebruiken in Turkije, Nederland en Canada om de verzendingen vanuit de Verenigde Staten te vergemakkelijken; en heeft valse eindgebruikersverklaringen ingediend bij de Amerikaanse overheid. [opgeëiste persoon] heeft via [A] de producten gekocht met gebruikmaking van een derde-bedrijf genaamd Antique Home Appliances, dat in de Verenigde Arabische Emiraten gevestigd is. Nadat deze producten in beslag waren genomen heeft [opgeëiste persoon] , met gebruikmaking van de alias ‘ [opgeëiste persoon] ,’ vanaf een Iraanse IP-adres navraag gedaan waarom de producten in beslag waren genomen. Later vertelde [opgeëiste persoon] een agent dat hij [opgeëiste persoon] als bijnaam gebruikte.”
De strafbaarheid van de uitvoer van “dual-use” goederen in het algemeen
De strafbaarheid van de uitvoer van “dual-use” goederen naar Iran in het bijzonder
Strafbaarheid van de uitvoer van “dual-use” goederen naar Iran na de totstandkoming van het Atoomakkoord
Strafbaarheid op grond van verordening 428/2009 en het Besluit strategische goederen
[…]
5. geïntegreerde analoog/digitaal- en digitaal/analoog-omzetters, als hieronder:
[…]
1. een scheidend vermogen van 8 bit of meer maar minder dan 10 bit, met een outputsnelheid van meer dan 500 miljoen woorden per seconde;
[…]
5. geïntegreerde schakelingen voor analoog-digitaalomzetters (ADC’s) en digitaal-analoogomzetters (DAC’s), als hieronder:
[…]
1. een scheidend vermogen van 8 bit of meer maar minder dan 10 bit, met een ‘bemonsteringssnelheid’ van meer dan 1,3 gigasamples per seconde (GSPS);
[…]
Configurable to Either 2.0/3.2 GSPS Interleaved or 1.0/1.6 GSPS Dual ADC”. [31]
derde middelklaagt over de verwerping door de rechtbank van het beroep op wat wordt aangeduid als de “politieke exceptie”. De klachten houden in dat de rechtbank “ten onrechte althans onbegrijpelijk de uitlevering toelaatbaar heeft verklaard terwijl de politieke exceptie zich tegen toelaatbaarverklaring verzet” althans dat het oordeel van de rechtbank met betrekking tot het beroep op de politieke exceptie “onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd” is.
9.1. Standpunt verdediging
1°. delicten, die ingevolge hun wettelijke omschrijving steeds – dus onafhankelijk van de omstandigheden van het geval – als zodanig zijn aan te merken (de staatkundige delicten in engere zin);
2°. delicten, die in concreto zijn gericht op het teweegbrengen van veranderingen in het politieke bestel;
3°. delicten, begaan ten einde een feit als onder 1° en 2° bedoeld mogelijk te maken, dan wel aan vervolging deswege, of aan discriminatoire vervolging, te ontkomen.
Bij de onder 2° bedoelde delicten komt het op de (objectieve) strekking van het begane feit aan en niet op de subjectieve) beweegredenen van de dader. Zo is een geval van mishandeling niet als een delict van politieke aard in de zin van het ontwerp te beschouwen, op de enkele grond, dat het feit is begaan uit afkeer van de staatkundige overtuiging of activiteit van het slachtoffer.” [39]
“Als gezegd: van een Amerikaan mag verwacht worden de politiek van zijn vaderland te volgen. Idem dito mag van een Nederlands bedrijf verwacht worden zich aan Duitse sancties tegen Iran te houden als hij besluit zich met al die landen te gaan bemoeien. Maar nu net van een Iraniër kan dit niet verwacht worden; hij kan zich beroepen op de absolute exceptie. In ieder geval is het in deze concrete omstandigheden een relatief politiek delict, naar objectieve maatstaven bezien.”
vierde middelklaagt over de verwerping door de rechtbank van het beroep dat is gedaan op de toepasselijkheid van het zogenoemde ‘Blocking Statute’. In dit verband wordt verzocht een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.
Nu is vastgesteld dat de hiervoor genoemde feiten, waaronder de uitvoer van dual-use goederen naar Iran, ook in Nederland strafbaar zijn, kan geen beroep worden gedaan op het ‘blocking statute’, nog daargelaten de vraag of de opgeëiste persoon als ingezetene in Europa kan worden aangemerkt. Het verweer wordt daarom verworpen.”
1. natuurlijke personen die ingezetenen van de Gemeenschap en onderdaan van een Lid-Staat zijn,
2. rechtspersonen die zijn opgericht in de Gemeenschap,
3. in artikel 1, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 4055/86 bedoelde natuurlijke of rechtspersonen,
4. andere natuurlijke personen die ingezetenen van de Gemeenschap zijn, tenzij die personen zich bevinden in het land waarvan zij onderdaan zijn,
5. andere natuurlijke personen in de Gemeenschap, met inbegrip van haar territoriale wateren en haar luchtruim en op vaartuigen en in luchtvaartuigen die onder de rechtsmacht of controle van een Lid-Staat vallen, en die beroepshalve optreden.”
[…]
het door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties ingestelde embargo tegen Libië niet naleeft (voor de goede orde zij opgemerkt dat Nederlandse ingezetenen gehouden zijn om het VN-embargo na te leven voorzover overtreding daarvan strafbaar is gesteld op basis van de Sanctiewet 1977).”