Conclusie
1.De feiten en het procesverloop
2.De bespreking van het cassatiemiddel
jegens RNHB. Uit art. 22 lid 4 volgt Pro dus volgens het hof slechts dat [A] en Beheermaatschappij Nassauplein geen vordering hebben op RNHB (zie de laatste zin van rov. 3.5). Op de verhouding tussen [A] en Beheermaatschappij Nassauplein enerzijds en [verzoekster 2] is art. 22 lid 4 niet Pro van toepassing, zo overweegt het hof, zodat [verzoekster 2] hierop geen beroep kan doen ter betwisting van de vordering die [A] en Beheermaatschappij Nassauplein stellen te hebben uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking.
NJ1977/362 (
Hoge Valksedijk) en de noot onder dit arrest.
Hoge Valksedijk-arrest om het volgende. Van Bruinessen was eigenares van een perceel grond met opstallen aan de Hoge Valksedijk in de gemeente Ede. De Utrechtse Verzekerings Bank (UVB) had een recht van hypotheek. In de hypotheekakte was het beding bedoeld in art. 1223 lid 2 BW Pro gemaakt. [12] De UVB oefende haar rechten uit dit beding uit. Er werd een veiling gehouden en het perceel werd toegewezen aan [betrokkene 1] en [betrokkene 2] voor de som van 132.000 gulden. [betrokkene 1] en [betrokkene 2] lieten het echter afweten en de UVB moest tot her-veiling overgaan, waarna het perceel definitief werd toegewezen aan een derde voor de lagere som van 114.000 gulden. Van Bruinessen sprak vervolgens [betrokkene 1] en [betrokkene 2] aan tot betaling van de in art. 4 van Pro de algemene veilingvoorwaarden voorziene boete van 10% van de koopprijs (13.200 gulden) en tot betaling van een bedrag van 18.000 gulden (132.000 minus 114.000) op grond van art. 5. [betrokkene 1] en [betrokkene 2] verweerden zich met het argument dat Van Bruinessen aan de algemene veilingvoorwaarden geen rechten kon ontlenen, omdat die slechts golden tussen UVB enerzijds en [betrokkene 1] en [betrokkene 2] anderzijds. Het hof Arnhem overwoog dat Van Bruinessen zich tegenover [betrokkene 1] en [betrokkene 2] niet kon beroepen op art. 4 en Pro art. 5 van Pro de algemene veilingvoorwaarden, nu die uitsluitend van kracht waren tussen “de partijen bij de koop-overeenkomst” (dus tussen UVB en [betrokkene 1] en [betrokkene 2]). De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof. De Hoge Raad koos, zoals annotator Kleijn het verwoordde, voor “een analogische toepassing van de regeling in artt. 532 jo. 537c Rv., zulks op grond van de gelijkenis van de verkoop van door de hypotheekhouder met de executie als bedoeld in de artt. 537a Rv. e.v.”. Daaruit volgde, zo oordeelde de Hoge Raad:
Hoge Valksedijk-arrest, in welk verband ik opmerk dat in het onderdeel niet wordt toegelicht waarom het een en ander uit dit arrest zou volgen.
NJ2019/393, m.nt. A.I.M. van Mierlo. [14] Die toepassing van het hof is juist, zoals [verzoeksters] erkennen in randnummer 2.37 van het verzoekschrift tot cassatie. Aan het pluraliteitsvereiste is dus voldaan, er zijn steunvorderingen. De vraag of specifiek de vorderingen van [A] Beheermaatschappij Nassauplein op [verzoekster 2]
ooksteunvorderingen opleveren en of, in verband hiermee, het beroep van [verzoekster 2] op art. 22 lid 4 kan Pro slagen, is hierdoor van geen belang meer.
i.[verzoeksters] verrichten geen aflossingen op hun schulden aan RNHB,
ii.[verzoeksters] beschikken niet over de middelen om op korte termijn alle schulden en de faillissementskosten te betalen,
iii.De curator heeft paulianeuze betalingen aangetroffen,
iv.er bestaan intercompany vorderingen,
v.er bestaat onvoldoende garantie dat de faillissementskosten kunnen worden betaald) tot zijn oordeel dat [verzoeksters] in de toestand verkeren dat zij hebben opgehouden te betalen. De omstandigheid dat de curator paulianeuze betalingen heeft aangetroffen in de bankafschriften van [verzoeksters] is slechts één van de door het hof meegewogen omstandigheden.
NJ1988/912 en op HR 25 mei 2018,
RvdW2018/628 (HR 25 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:774,
NJ2019/393, m.nt. A.I.M. van Mierlo).
NJ1988/912 ging het om het volgende. […] werd op verzoek van […], die een vordering op hem had van afgerond 1,2 miljoen gulden, bij vonnis van 30 maart 1988 in staat van faillissement verklaard. In hoger beroep werd dit vonnis vernietigd en werd het verzoek tot faillietverklaring alsnog afgewezen. Offermans was erin geslaagd, met hulp van zijn echtgenote, om na de faillietverklaring, kort gezegd, alle steunvorderingen bij overeenkomst ‘te regelen’. Die steunvorderingen werd “geregeld, afgedaan of overgenomen”, aldus het hof. Het hof overwoog dat daarom “niet gebleken is dat appellant [Lucassen] verkeert in de toestand van te hebben opgehouden te betalen”. Alleen de vordering van Offermans was overgebleven. Offermans ging in cassatie. De Hoge Raad overwoog
i.dat voor faillietverklaring geen plaats is ten aanzien van een schuldenaar die niet meer dan één schuldeiser heeft en
ii.dat het oordeel van het hof dat ten gevolge van de regeling van de ‘steunvorderingen’ niet gezegd kon worden dat Lucassen verkeerde in de toestand dat hij had opgehouden te betalen, geen blijk gaf van een onjuiste rechtsopvatting. Het laatste oordeel van het hof kon volgens de Hoge Raad, verweven als het is met ’s hofs waardering van de feiten, in cassatie verder niet op juistheid worden getoetst.
alleschulden en de faillissementskosten, waaronder het salaris van de curator, te betalen. Het hof heeft het dus nadrukkelijk over
alleschulden van [verzoeksters] , waaronder die aan RNHB. Het hof heeft het dus over het financiële totaalplaatje. Het subonderdeel miskent dit. Het subonderdeel klaagt dat het hof de fondsen op de derdengeldenrekening van mr. Van Atten (zie rov. 3.6) over het hoofd heeft gezien – een bedrag van € 140.300 –, maar miskent dat die fondsen slechts bestemd waren voor de concurrente crediteuren die met het aanbod van [verzoeksters] hadden ingestemd (zie rov. 3.6). RNHB was niet zo’n concurrente crediteur en de fondsen op de derdengeldenrekening van mr. Van Atten waren niet bestemd voor RNHB. Met andere woorden: het bestaan van die fondsen maakt de overweging van het hof dat niet is gebleken dat [verzoeksters]
alleschulden kunnen betalen, niet onbegrijpelijk.
voor zover deze niet vanaf de boedelrekening kunnen worden voldaan.In zijn e-mail van 14:39 uur vraagt de curator ook “een bevestiging van de garantie voor de volledige voldoening van de faillissementskosten in alle drie de faillissementen voor zover deze niet vanaf de boedelrekening kunnen worden voldaan”. In geen van beide e-mail lees ik dat de curator bevestigt, met zoveel woorden, ter zitting te hebben verklaard dat met de boedelrekening en de garantie de faillissementskosten zijn gedekt. Dit betekent dat het subonderdeel op dit punt feitelijke grondslag mist, voor zover niet al sprake is van een ontoelaatbaar novum in cassatie.
alleschulden te betalen, in welk geval het uitspreken van hun faillissement niet in de rede ligt. Met de tussen haakjes geplaatste toevoeging ‘heel’ heeft het hof enkel willen uitdrukken dat een lange termijn de schuldenaar, gelet op diens toestand van te hebben opgehouden te betalen, niet gegund is.
NJ2003/693, rov. 3.2 en 3.3). Art. 6 lid 3 Faillissementswet Pro eist niet dat het hof ook de hoogte van de vordering van de schuldeiser, in dit geval RNHB, onderzoekt. [20]