Conclusie
VLEP)
Food Connect)
1.De feiten
hof) is in het in cassatie bestreden arrest [1] van 4 december 2018 (hierna: het
arrest) uitgegaan van de volgende feiten.
PH&C). [3]
Verplichtstelling VLEP) is de deelneming in VLEP verplicht gesteld voor bepaalde werknemers in de Vleeswarenindustrie, de Gemaksvoedingindustrie, de Versvlees- en Vleesbewerkende industrie en de Pluimveeverwerkende Industrie.
De werkingssfeer
Verplichtstelling PH&C) luidt vanaf 1 januari 2008, voor zover relevant, als volgt:
Werkingssfeer
2.Het procesverloop
In eerste aanleg
Verplichtstelling VLEP, en derhalve geen premies verschuldigd is aan VLEP noch bijdragen verschuldigd is aan de Stichting sociaal fonds voor de gemaksvoedingsindustrie; subsidiair een verklaring voor recht dat zij wél valt onder de werkingssfeer van de
Verplichtstelling PH&C(en de gelieerde sociale fondsen); met rente en kosten. (
Zie rov. 2.) VLEP heeft in reconventie gevorderd dat Food Connect wordt veroordeeld tot betaling van achterstallige pensioenpremies over de jaren 2010 t/m 2015 tot een bedrag van € 1.592.841,81, met rente en kosten. (
Zie rov. 2.) Bij vonnis [5] van 11 september 2017 (hierna: het
vonnis) heeft een kantonrechter [6] van de rechtbank Den Haag de primaire vordering van Food Connect toegewezen en de reconventionele vordering van VLEP afgewezen.
MvG) zes grieven gericht tegen het vonnis van de kantonrechter. Food Connect heeft die grieven bestreden bij memorie van antwoord (hierna ook: de
MvA). Ter terechtzitting van 22 oktober 2018 hebben partijen hun standpunten aan de hand van pleitnotities mondeling doen toelichten. Hiervan is een proces-verbaal opgemaakt. Het hof heeft het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd en VLEP veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Het hof heeft het bewijsaanbod van VLEP gepasseerd, nu geen concreet bewijs is aangeboden van feiten die, indien bewezen, kunnen leiden tot een andere beslissing. Het hof heeft daartoe, zakelijk weergegeven, het volgende overwogen.
Zie rov. 3.) Partijen twisten in essentie over de vraag of de (in hoofdzaak verrichte) bedrijfsactiviteiten van Food Connect moeten worden aangemerkt als contractcatering (meer specifiek: institutionele catering op basis waarvan zij verplicht is aangesloten bij PH&C), zoals Food Connect stelt, dan wel dat Food Connect moet worden aangemerkt als producent (althans groothandel) van gemaksvoeding, zoals VLEP verdedigt. Vaststaat dat het een het ander uitsluit: er kan slechts één verplichtstelling gelden. (
Zie rov. 4.) Uitleg van bepalingen van verplichtstellingsbesluiten zoals de Verplichtstelling VLEP dient plaats te vinden op basis van een objectieve uitlegmethode, aangezien een verplichtstellingsbesluit materiële wetgeving betreft. [7] Uitgaande van een objectieve uitlegmethode – waarbij onder meer de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen een rol speelt – ligt het in de rede, voor zover nodig, bij het begrip ‘producent/groothandel van gemaksvoeding’ aan te sluiten bij de werkingssfeerbepalingen van de CAO voor de Gemaksvoedingindustrie. (
Zie rov. 5.)
Zie rov. 6.) Het begrip “fabrieksmatig” is noch in de Verplichtstelling VLEP noch in die CAO nader omschreven. Onder het begrip “fabrieksmatig” wordt in het algemeen taalgebruik verstaan dat het gaat om een productieproces waarbij het overgrote deel van de werkzaamheden machinaal wordt verricht, en waarbij sprake is van serieproductie van grote aantallen dezelfde producten. Bij de beantwoording van de vraag of de door Food Connect bereide maaltijden fabrieksmatig worden geproduceerd, is daarom niet doorslaggevend dat het elke dag gaat om een grote hoeveelheid maaltijden noch dat hierbij machines en grote kookketels worden gebruikt. Niet is voldaan aan het vereiste dat het gaat om gemaksvoeding die “fabrieksmatig” is bereid, nu [9] niet aannemelijk is geworden dat het bereidingsproces van de maaltijden van Food Connect voor het overgrote deel machinaal plaatsvindt [10] en evenmin sprake is van serieproductie van grote aantallen dezelfde producten. [11] Reeds daarom valt Food Connect niet onder de werkingssfeer van de Verplichtstelling VLEP. (
Zie rov. 7.)
Zie rov. 8.)
Zie rov. 9.)
Zie rov. 10.)
3.De bespreking van het cassatiemiddel
bereidenvan etenswaren die als gemaksvoeding kunnen worden aangemerkt en niet ook op het
samenstellenvan zulke etenswaren, zodat ook de niet-fabrieksmatige ‘samensteller’ van zulke etenswaren onder de Verplichtstelling VLEP kan vallen.
bereidenals het
samenstellenvan etenswaren die als gemaksvoeding kunnen worden aangemerkt, of anders gezegd: volgens het hof ziet de Verplichtstelling VLEP op fabrieksmatige ‘productie’ (van gemaksvoeding). Dat heeft het hof m.i. kunnen doen zonder schending van enige rechtsregel of nadere motivering, indachtig ook nr. 3.3.
dat zij een aantal koks in dienst heeft die dagelijks grote hoeveelheden voedsel bereidenen
dat elke maaltijd, op basis van de specifieke wensen van de klant, handmatig wordt samengesteld. Dat Food Connect acht koks in dienst heeft, heeft VLEP (ook) zelf naar voren gebracht, [36] net als de stelling dat Food Connect dagelijks grote hoeveelheden voedsel bereidt. [37] Dat elke maaltijd wordt samengesteld op basis van de specifieke wensen van de klant heeft VLEP slechts (in enige mate) gerelativeerd, door te stellen dat de keuzemogelijkheden die de klanten van Food Connect hebben beperkt zijn. [38] Hetzelfde geldt voor de stelling dat elke maaltijd handmatig wordt samengesteld, door op te merken “dat er enig handwerk te pas komt” (wat een maaltijd niet “ambachtelijk of individueel samengesteld” maakt) en dat zelfs in fabrieken enig handwerk wordt verricht. [39] Hieruit volgt dat, anders dan de klacht wil, het bestreden oordeel van het hof niet lijdt aan een motiveringsgebrek als bedoeld in de klacht.
machinaalplaatsvindt. Dit oordeel, dat berust op vaststellingen die van feitelijke aard zijn (er zijn acht koks, die eerst grote hoeveelheden voedsel voorbereiden; daarna wordt elke maaltijd handmatig samengesteld, waarbij rekening kan worden gehouden met specifieke wensen van klanten) komt mij niet onbegrijpelijk voor en kan het oordeel van het hof dragen dat niet aannemelijk is geworden dat het bereidingsproces van de maaltijden bij Food Connect voor het overgrote deel machinaal plaatsvindt. Dat het hof, in dit verband, essentiële stellingen van VLEP onbesproken heeft gelaten, zie ik niet.
levert” [onderstreping, A-G]. Gelet op het onderstreepte deel in dit citaat uit die bepaling ligt het in de rede dat voor het antwoord op de vraag of sprake is van dergelijke ‘etenswaren’ als bedoeld in dat citaat, zoals een kant-en-klare maaltijd, geen relevantie toekomt aan de omstandigheid dat deze door de producent (eerst) ‘geleverd’ moeten worden aan de afnemer. [45] Die omstandigheid is daarbij immers een gegeven. Waar het daarbij om draait, is of de producent deze etenswaren wel of niet
ter onmiddellijke consumptielevert. Het hof onderkent dat door “in dit verband” die gecursiveerde woorden centraal te stellen en erop te wijzen dat deze woorden in het dagelijks taalgebruik in het algemeen zo worden begrepen dat het gaat om etenswaren “die bedoeld zijn om onmiddellijk na levering te worden gegeten” (en niet om te worden bewaard tot een later tijdstip). Dit laatste, wat ook m.i. strookt met de gangbare betekenis van deze woorden in dit verband en waartoe het hof heeft kunnen komen zonder schending van een rechtsregel of nadere motivering (het ligt nogal voor de hand), is nadien gevolgd in de rechtspraak. [46] Aan het daarop volgende oordeel van het hof in rov. 8 dat Food Connect daaraan voldoet wat betreft de onderhavige bedrijfsactiviteiten, staat dus niet in de weg hetgeen het hof vaststelt in rov. 1.2 over onder meer “het leveren van maaltijden” door Food Connect. De klacht miskent het voorgaande door: kortweg uit te gaan van een eigen, nogal rigide en verder niet onderbouwde invulling van ‘ter onmiddellijke consumptie’, [47] die is losgezongen van art. 1 van Pro de CAO voor de Gemaksvoedingindustrie 2014-2015 en hetgeen het hof overweegt in rov. 8 (zie hiervoor); en vervolgens te betogen dat “de maaltijden van Food Connect” daaraan niet voldoen, omdat “vervoer en bezorging nodig [is] (rov. 1.2 van het arrest van het Hof)”. [48] Daaruit volgt niet dat het oordeel van het hof als bestreden in de klacht onbegrijpelijk is in verband met de Verplichtstelling VLEP, of ‘rechtens onjuist’.
dagelijksdoor Food Connect afgeleverde maaltijden in zijn algemeenheid gaat om maaltijden ‘ter onmiddellijke consumptie’ als weergegeven in nr. 3.14 en hiervoor herhaald. Precieze denkers kunnen wellicht een boompje opzetten over de vraag hoe onmiddellijk ‘onmiddellijk’ is in dit verband, maar de hier bedoelde omstandigheden staan naar de aard en ook redelijkerwijs hoe dan ook niet in de weg aan de vaststelling van het hof dat het hier, in zijn algemeenheid, gaat om etenswaren die “bedoeld zijn om onmiddellijk na levering te worden gegeten” (en niet om te worden bewaard tot een later tijdstip). De klacht miskent het voorgaande, door weer kortweg uit te gaan van die eigen invulling van ‘ter onmiddellijke consumptie’ [50] en vervolgens te betogen dat “de maaltijden van Food Connect” daaraan niet voldoen, omdat “de maaltijden tot een later tijdstip bewaard [kunnen] worden (rov. 8 van het arrest van het Hof)” en “[o]pwarmen immers noodzakelijk [is] en bewaren mogelijk [is], zoals het Hof in rov. 8, slot overweegt”. Ook daaruit volgt niet dat het oordeel van het hof als bestreden in de klacht onbegrijpelijk is in verband met de Verplichtstelling VLEP, of ‘rechtens onjuist’.
en dat de klant de maaltijd desgewenst ook nog een dag in de koelkast kan zetten, doet er naar het oordeel van het hof niet aan af dat het in zijn algemeenheid gaat om maaltijden “ter onmiddellijke consumptie”” [onderstreping, A-G]. In zoverre gaat de klacht uit van een verkeerde lezing van rov. 8 en mist deze dus ook feitelijke grondslag. Wat betreft dat “opwarmen” wijs ik nog op een ander, daarmee verband houdend knelpunt in de klacht (met de daarin gehanteerde eigen invulling van ‘ter onmiddellijke consumptie’, waarover hiervoor). De achterliggende gedachte van de klacht is hier dat, nu er sprake is van ‘conservering’ van de voeding die als gemaksvoeding is bepaald, met de als gemaksvoeding geduide etenswaren altijd handelingen verricht dienen te worden om de voeding vervolgens te consumeren (“met name het verwarmen”); dit leidt ertoe dat de maaltijden van Food Connect niet ‘ter onmiddellijke consumptie worden geleverd’ zoals art. 1 van Pro de CAO voor de Gemaksvoedingindustrie 2014-2015 luidt, nu opwarmen daarbij immers noodzakelijk is. [51] De consequentie van deze gedachtegang is evenwel dat dan
elkeproducent van gemaksvoeding deze etenswaren níet ter onmiddellijke consumptie levert, wat deze zinsnede – die juist kenbaar gericht is op de vraag óf de betreffende producent van gemaksvoeding deze etenswaren ter onmiddellijke consumptie levert – zinledig zou maken. Deze gedachtegang leidt daarmee tot een bepaald onaannemelijk gevolg, hetgeen te meer klemt nu deze zinsnede is toegevoegd aan die bepaling om de werkingssfeer van die CAO te verduidelijken, wat impliceert dat deze zinsnede een zelfstandige betekenis heeft en (dus) geen overbodige franje is.
Onder b)klaagt VLEP over de overweging van het hof in rov. 9 dat (onder meer) de omschrijving in de CAO voor de Contractcatering van het begrip ‘inflightcatering’ erop wijst dat het begrip ‘restauratieve diensten’ niet al te beperkt moet worden uitgelegd. Volgens VLEP is sprake van een onbegrijpelijke, rechtens onjuiste uitleg.
Onder c)klaagt VLEP over, wat zij noemt, de overweging van het hof in rov. 9 “dat het samenstellen en leveren van maaltijden als een restauratieve dienst aangemerkt moet worden indien hierbij beperkt persoonlijk advies geleverd wordt”. Dit zou onbegrijpelijk zijn. Op grond van een en ander is volgens VLEP het oordeel van het hof in rov. 9 omtrent het begrip ‘restauratieve diensten’ onjuist, althans ondeugdelijk gemotiveerd. Ik zie aanleiding de klachten onder a), b) en c) gezamenlijk te bespreken.
verwerpingdoor het hof in rov. 9 van
VLEP’s stellingdat
geen sprake isvan het verlenen van ‘restauratieve diensten’ als bedoeld “in de beide regelingen” (de CAO voor de Contractcatering en de Verplichtstelling PH&C), omdat Food Connect “slechts maaltijden aflevert die de klant zelf nog moet opwarmen”. Deze verwerping steunt op de gronden (i) dat het begrip ‘restauratieve diensten’ niet nader is gedefinieerd in die CAO en de Verplichtstelling PH&C, (ii) dat onder meer de omschrijving in die CAO van het begrip ‘inflightcatering’ erop wijst dat het begrip ‘restauratieve diensten’ niet al te beperkt moet worden uitgelegd, (iii) dat in het algemeen taalgebruik onder het begrip ‘restauratieve diensten’ wordt verstaan: “de verstrekking van spijzen en dranken betreffend”, en (iv) dat in het licht van het bovenstaande (dus: ad (i) t/m (iii)) de voornoemde bedrijfsactiviteiten van Food Connect redelijkerwijs kunnen worden begrepen onder het verlenen van restauratieve diensten.
direct dan wel indirectrestauratieve diensten in (…) verzorgingshuizen of verpleeghuizen worden verleend alsmede
direct dan wel indirectmaaltijden worden verzorgd aan onder meer thuiswonende bejaarden (…)” [onderstreping, A-G]. [80] Ook dit wijst erop, in lijn met de omschrijving in die CAO van het begrip ‘inflightcatering’, dat het begrip ‘restauratieve diensten’ niet al te beperkt moet worden uitgelegd.
indirectrestauratieve diensten kan verlenen (in verzorgingshuizen of verpleeghuizen) en maaltijden kan verzorgen (aan onder meer thuiswonende bejaarden), [81] wat in het logisch verlengde ligt van (a).