Conclusie
[verweerder 1]
[verweerder 2]
[verweerder]) door verjaring een erfdienstbaarheid hebben verkregen die hen het recht geeft om vanuit hun achtertuin via de tuinpoort te komen en te gaan van en naar de openbare weg door de steeg die zich bevindt op het naastgelegen perceel van eiser tot cassatie (hierna:
[eiser]). Het hof heeft - kort gezegd - geoordeeld dat [verweerder] op grond van art. 3:105 jo Pro. 3:306 BW eigenaar is geworden van de erfdienstbaarheid door verjaring van de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit, ook indien aangenomen zou moeten worden dat het bezit pas per 1 januari 1992, onder het huidige recht, is aangevangen.
1.Feiten en procesverloop
primair, dat door verjaring een erfdienstbaarheid is ontstaan ter zake de steeg, en
subsidiair, dat de steeg bestemd is tot buurweg. [5]
Los van wat [eiser] ervan vond gingen wij er vanuit dat de erfdienstbaarheid bestond, want dat was uitgezocht.”
2.Bespreking van het cassatiemiddel
feitelijkgehandeld als ware de erfdienstbaarheid wel gevestigd, doordat er in de zijmuur een
poortis aangebracht en van het pad
gebruikwerd gemaakt. De poort diende geen ander doel dan het verschaffen van toegang van de tuin naar de [a-straat] en vice versa. Met dit alles was sprake van
bezitvan een erfdienstbaarheid, en wel een erfdienstbaarheid met een
zichtbaar en voortdurendkarakter. [21] Dit bezit was bovendien
te goeder trouw. [22] Nu deze in 1979/1980 aangevangen verkrijgende verjaringstermijn (van 20 of 30 jaar) onder oud recht niet is voltooid, brengt art. 73 Ow Pro mee dat de erfdienstbaarheid is ontstaan op 1 januari 1993, aldus [verweerder] .
toestandwaarvan diens bezit de voortzetting vormt. Op grond van deze laatste zinsnede nam de verjaring een aanvang per december 1979/januari 1980.
alleerfdienstbaarheden door verjaring ontstaan.
niet te goeder trouw. Ten aanzien van art. 3:105 BW Pro wordt wel gesproken van bevrijdende verjaring of - zuiverder - van verkrijging in aansluiting op de extinctieve verjaring van de rechtsvordering tot beëindiging van het bezit. [30] De bepaling berust op het beginsel dat na een zeker tijdsverloop het recht zich bij de feiten dient aan te sluiten en strekt ter bevordering van de rechtszekerheid. Zij dient tevens ter voorkoming van de anomalie dat de werkelijk rechthebbende zijn goed niet meer kan opvorderen terwijl de bezitter, bij gebreke van goede trouw als vereist in art. 3:99 BW Pro, alleen op bezitsacties kan bogen en niet tot rechthebbende kan uitgroeien. [31]
bezit, als eigenaar (ii)
te goeder trouw, (iii) gedurende een periode van 20 of 30 jaar (art. 1992 en Pro 2000 (oud) BW).
zichtbare erfdienstbaarheden(art. 725 lid Pro 2 (oud) BW) werd gesproken wanneer enig blijvend uitwendig teken op het bestaan van de erfdienstbaarheid wees (zoals een deur, venster of waterleiding).
voortdurende erfdienstbaarheden(art. 724 lid Pro 2 (oud) BW) werden aangemerkt erfdienstbaarheden voor de uitoefening waarvan geen menselijke activiteit nodig is (zoals de erfdienstbaarheid van waterloop, gootrecht of uitzicht). De menselijke activiteit moest betrekking hebben op de rechtstreekse uitoefening van de erfdienstbaarheid. [37]
voortdurendheiden
zichtbaarheidzijn geschrapt in het nieuw BW. Uit de TM volgt dat het vereiste van zichtbaarheid verlaten is omdat dit al besloten ligt in de eis van bezit; de eis van voortdurendheid berust op een verwarring tussen een voortdurend bezit - algemeen vereiste voor verkrijging door verjaring - en een voortdurende uitoefening van bezit. Er wordt op gewezen dat onder het nieuwe recht dus ook een erfdienstbaarheid van weg door verjaring zal kunnen ontstaan. [39] Verder volgt uit de TM dat - hoewel erfdienstbaarheden onder het nieuw BW ook door verjaring kunnen worden verkregen wanneer zij niet zichtbaar of voortdurend zijn - aan de bezitseis niet gemakkelijk zal zijn voldaan indien zij
nietzichtbaar en voortdurend zijn. [40] Opgemerkt is dat het schrappen van de eisen van voortdurendheid en zichtbaarheid dus nauwelijks een materiële wijziging ten opzichte van het oud BW lijkt te hebben meegebracht. [41]
ofiemand een goed ‘houdt’ en of hij dit ‘voor zichzelf’ doet, wordt beoordeeld naar verkeersopvatting, met inachtneming van de wettelijke regels die in de art. 3:109 e.v. BW worden gegeven en overigens op grond van uiterlijke feiten. Het gaat derhalve om een objectieve maatstaf: het komt aan op uiterlijke omstandigheden waaruit naar verkeersopvattingen een wilsuiting kan worden afgeleid om als rechthebbende op te treden. De interne wil om als rechthebbende op te treden (een animus domini) is derhalve voor het zijn van bezitter van geen betekenis. [42] Alle omstandigheden van het geval, de aard en de bestemming van het goed waarom het gaat, de wijze waarop de bijzondere betrekking tot het goed is ontstaan, enz. moeten tegen elkaar worden afgewogen. Omstandigheden van juridische aard mogen hierbij in principe niet worden uitgesloten, zoals uitoefening van de feitelijke heerschappij door tussenkomst van een houder, bijvoorbeeld een huurder of pachter (middellijk bezit, art. 3:107 lid 3 BW Pro). [43]
Bayens-Frunt/Wijersgeoordeeld dat sprake is van ‘niet dubbelzinnig bezit, als eigenaar’ wanneer de bezitter zich zodanig gedraagt dat de eigenaar tegen wie de verjaring loopt, daaruit niet anders kan afleiden dan dat de bezitter pretendeert eigenaar te zijn. [44] Eerder was geoordeeld dat het gestelde bezit niet als ondubbelzinnig kan worden aangemerkt indien niet is gebleken van uiterlijke feiten welke de eigenaar van het goed onder de gegeven omstandigheden moesten doen begrijpen dat de houder zich als eigenaar beschouwde. [45] De ratio van het ondubbelzinnigheidsvereiste ligt in bescherming van de rechthebbende: aldus is verzekerd dat van verjaring pas sprake kan zijn indien de werkelijk rechthebbende tegen wie de verjaring is gericht, uit de gedragingen van degene die zich op verjaring wil beroepen, duidelijk kan opmaken dat deze pretendeert rechthebbende te zijn, zodat hij tijdig maatregelen kan nemen om de inbreuk op zijn recht te beëindigen. [46] Daarbij gaat het niet om de indruk die in een concreet geval bij de rechthebbende is ontstaan: het gaat erom of bepaalde handelingen van de bezitter op ieder ander die zich rechthebbende acht – de ‘geobjectiveerde rechthebbende’ – de indruk moeten maken dat zijn recht bedreigd wordt. [47]
NJ1993/178 (rov. 3.2), hetgeen naar objectieve maatstaven beoordeeld moet worden.” [51]
Huizing/NSAW. [53]
Huizing/NSAW- en het eerder genoemde arrest
Bayens Frunt/Wijers- dat het bezitsvereiste geen onneembare horde bij het beroep op verkrijging van een erfdienstbaarheid is, maar wel een hoge horde. Volgens hem kan mede op basis van deze arresten worden gezegd dat het enkele feit dat iemand al heel lang een over een pad loopt, al heel lang een overhangende dakgoot heeft, al heel lang een trap laat uitkomen op een buurperceel of al heel lang bomen binnen de verboden zone heeft staan e.d., niet tot de conclusie leidt dat sprake is van bezit van een recht van erfdienstbaarheid.
niet voortdurendwerd aangemerkt.
zichtbaar en voortdurendwas. [59]
deur in de scheidingsmuurnaar het oordeel van het hof in de gegeven omstandigheden maakt dat de erfdienstbaarheid van voetpad als voortdurend kan worden beschouwd. Daarbij heeft de A-G in aanmerking genomen dat het hof kennelijk heeft geoordeeld dat uit de plaatselijke gesteldheid - tijdens een 'informele' descente in ogenschouw genomen - ondubbelzinnig blijkt dat de litigieuze erven zich tot elkaar verhouden als heersend en dienend erf.
rov. 4.1geeft het hof als zijn oordeel dat [verweerder] door verjaring eigenaar is geworden van de erfdienstbaarheid die hem het recht geeft om vanuit zijn tuin via de tuinpoort te komen en te gaan van en naar de openbare weg over de steeg van [a-straat 2] .
rov. 4.2 e.v.gemotiveerd.
rov. 4.2heeft het hof daartoe eerst het juridisch kader geschetst.
ondubbelzinnigzijn
in die zindat
uitgeslotenis dat sprake is (geweest) van
gedogenvan of
toestemmingvoor gebruik van de zaak door [eiser] en zijn rechtsvoorgangers.
zich redelijkerwijs als rechthebbende daarvan mocht beschouwen(art. 3:118 lid 1 BW Pro), waarvoor in het algemeen slechts plaats is indien een rechtshandeling tot vestiging van de gestelde erfdienstbaarheid heeft plaatsgevonden, maar de titel of akte een gebrek vertoont.
redelijkerwijs als rechthebbende mochten beschouwenen te goeder trouw waren, aldus het hof.
rov. 4.5 tot en met 4.13heeft het hof vervolgens kennelijk - gegeven de gestelde grondslagen (iii) en (iv) [67] - beoordeeld of [verweerder] een erfdienstbaarheid van weg over de steeg heeft verkregen op grond van
extinctieve verjaring(art. 3:105 jo Pro. 3:306 BW). Deze vraag heeft het hof in rov. 4.13 bevestigend beantwoord.
bezitvan de erfdienstbaarheid van weg over de steeg gedurende de voor het ontstaan van een erfdienstbaarheid door extinctieve verjaring vereiste
termijn.
rov. 4.5overwogen dat (i) [verweerder] met de getuigenverklaringen en de schriftelijke verklaringen van de rechtsvoorgangers van [verweerder] overtuigend heeft bewezen dat zijn rechtsvoorgangers zich steeds
als rechthebbenden hebben beschouwden (ii) uit deze verklaringen en de stellingen van [eiser]
verdervolgt dat er feitelijk geen sprake is geweest van
gedogen of toestemming.
rov. 4.5, en rov. 4.6, het volgende:
Los van wat [eiser] ervan vond gingen wij er vanuit dat de erfdienstbaarheid bestond, want dat was uitgezocht.”
rov. 4.7overwogen dat
de aanwezigheid van een tuinpoortin de afscheiding van [a-straat 1]
die toegang geeft tot de steeg(naar het huidige recht) kwalificeert als een
bezitsdaad. Dit is volgens het hof tussen partijen ook niet in geschil.
vanaf wanneerer een doorgang heeft bestaan, maar naar het oordeel van het hof, zo volgt uit
rov. 4.7-4.8, heeft [verweerder] bewezen dat er
sedert begin jaren ‘80een poort aanwezig is geweest die toegang gaf tot de steeg en vice versa.
rov. 4.9 t/m 4.11heeft het hof vervolgens de getuigenverklaringen van de zijde van [eiser] ( [betrokkene 6] , [betrokkene 8] , [betrokkene 9] , [betrokkene 7] en [eiser] zelf) gewaardeerd tegen de achtergrond van de getuigenverklaringen en schriftelijke verklaringen van de zijde van [verweerder] .
rov. 4.12tot de conclusie gekomen dat het door [eiser] geleverde tegenbewijs op zichzelf en in samenhang beschouwd onvoldoende is om het door [verweerder] geleverde bewijs te ontzenuwen. Verder heeft het hof het verweer van [eiser] met betrekking tot de betrouwbaarheid van enkele getuigen van de zijde van [verweerder] verworpen en toegelicht dat en waarom het aan (nadere) bewijslevering niet toekomt.
rov. 4.13komt het hof tot de conclusie dat [verweerder] op grond van art. 3:105 jo Pro. 3:306 BW eigenaar is geworden van de erfdienstbaarheid van weg door verjaring van de rechtsvordering tot beëindiging van het bezit, ook indien aangenomen zou moeten worden dat het bezit pas per 1 januari 1992, onder het huidige recht, is aangevangen.
bezitsdadenhebben gepleegd (rov. 4.13, 1e volzin, i.v.m. rov. 4.7-4.8); en
dusook sprake is (geweest) van ondubbelzinnig bezit. Er is immers pas sprake van (ondubbelzinnig) bezit van een erfdienstbaarheid, wanneer de - naar verkeersopvattingen vast te stellen - pretenties van de bezitter specifiek dat recht zelf en niet een ander recht betreffen (zie hiervoor, onder 2.19-2.21 en 2.25).
rechthebbenden hebben beschouwd(rov. 4.5), en voorts dat de aanwezigheid van de tuinpoort die toegang geeft tot de steeg als
bezitsdaadkwalificeert (rov. 4.7).
zich steeds als rechthebbenden hebben beschouwd, is op zijn minst ongelukkig te noemen. Die woordkeus lijkt erop te duiden dat het hof is uitgegaan van de onjuiste veronderstelling dat de interne wil om als rechthebbende op te treden voor het zijn van bezitter van betekenis is, terwijl het bij bezit (van een erfdienstbaarheid) gaat om
de naar verkeersopvattingen op grond van uiterlijke feiten vast te stellen pretentiesvan de bezitter (zie hiervoor, onder 2.20).
mochtenbeschouwen, maar die onjuiste veronderstelling heeft er - zo begrijp ik rov. 4.5, 1e volzin - wel toe geleid dat de rechtsvoorgangers van [verweerder] zich als rechthebbenden op een erfdienstbaarheid van weg
hebbenbeschouwd. [69]
bezitsdaadkwalificeert: de aanwezigheid van een tuinpoort ‘
die toegang geeft tot de steeg’.
die toegang geeft tot de steeg’ verstaat een tuinpoort:
functieheeft dan vanuit de tuin van [a-straat 1] de steeg van [a-straat 2] te betreden; [70]
daadwerkelijk gebruikvan werd (wordt) gemaakt om vanuit de tuin van [a-straat 1] via de steeg van [a-straat 2] van en naar de [a-straat] te gaan. [71]
bezitsdaden- kwalificeren mijns inziens als omstandigheden waaruit naar verkeersopvatting een wilsuiting van de rechtsvoorgangers van [verweerder] kan worden afgeleid om een bevoegdheid als gerechtigde tot een erfdienstbaarheid van weg over de steeg uit te oefenen.
bezitsdaden- ten onrechte mede zou hebben gebaseerd op de omstandigheid dat deze zich steeds als rechthebbenden hebben beschouwd, brengt dit niet mee dat het arrest in zijn geheel bezien niet in stand kan blijven.
stellingen van [verweerder]. Ik verwijs naar de hiervoor onder 2.3 vermelde stellingen met vindplaatsen. Daaraan kunnen bij wijze van samenvatting nog de volgende passages uit de memorie van grieven worden toegevoegd:
destijds feitelijk hebben gehandeld als ware de erfdienstbaarheid wel gevestigd, doordat er een gat (althans een poort) in de zijmuur is aangebracht en van het pad gebruik werd gemaakt. Er is dus sprake van het bezit van een erfdienstbaarheid aan de zijde van de eigenaar van de [a-straat 1] .
feitelijk gehandeld als ware de erfdienstbaarheid wel gevestigd, doordat er een gat en vervolgens een houten poort en weer later een deur in de zijmuur is aangebracht en van het pad gebruik werd gemaakt. Het bezit heeft vervolgens onafgebroken voortgeduurd.” (cursivering, A-G)
Onderdeel 1: aanwezigheid tuinpoort bezitsdaad? (rov. 4.7)
pretendeertrechthebbende
van een erfdienstbaarheidte zijn, hetgeen naar objectieve maatstaven beoordeeld moet worden. Volgens het subonderdeel valt uit de aanwezigheid van een tuinpoort als zodanig niet de vereiste pretentie af te leiden.
subonderdeel 1.2is het oordeel onder (i) bovendien onjuist en/of ontoereikend gemotiveerd, omdat in een casus als de onderhavige aan de vraag of voornoemde pretentie er is pas wordt toegekomen, indien en nadat is vastgesteld dat degene om wiens pretentie het zou moeten gaan de
feitelijke machtover een erfdienstbaarheid van overpad uitoefende. Volgens het subonderdeel heeft het hof miskend dat de uitoefening van de feitelijke macht niet kan worden vastgesteld op basis van de enkele aanwezigheid van een tuinpoort in de afscheiding tussen twee aangrenzende, niet aan dezelfde eigenaar toebehorende percelen die toegang geeft tot een steeg naar de openbare weg.
NJ1997/496. Het klaagt dat het hof miskent dat het in die zaak weliswaar eveneens ging om de vraag of een erfdienstbaarheid van overpad verkregen was, maar het er bij de beantwoording van deze vraag slechts op aankwam of - naar het voor 1992 geldende recht - door
bestemmingeen zodanige erfdienstbaarheid verkregen was; het ging er derhalve niet om of zij door verjaring verkregen was, zodat niet aan de orde was of sprake was van een bezitsdaad.
voortdurendeerfdienstbaarheden vatbaar waren voor bezit (zie hiervoor, onder 2.14 e.v.) en (ii) de vraag die in dat arrest voorlag was of de aanwezigheid van twee deuren in de scheidingsmuur tussen twee erven een uitzondering rechtvaardigde op het onder het oude recht geldende uitgangspunt dat een erfdienstbaarheid van weg niet kon worden verkregen door bestemming vanwege de omstandigheid dat die als
niet voortdurendwerd aangemerkt. Voor zover het oordeel van het hof berust op of is geïnspireerd door het arrest van uw Raad van 27 september 1996, geeft dit oordeel aldus geen blijk van miskenning van de strekking van dit arrest.
Onderdeel 2: bezitsdaden gepleegd door opvolgende eigenaren van [a-straat 1] ? (rov. 4.13)
subonderdeel 2.1vitieert hetgeen waar onderdeel 1 over klaagt (tevens) dit oordeel van het hof.
uiterlijke feitenvastgesteld waaruit aan de hand van de in art. 3:108 BW Pro neergelegde maatstaf afgeleid zou kunnen worden dat de opvolgende eigenaren van [a-straat 1] - kort gezegd - het bezit hebben gehad van een erfdienstbaarheid van overpad op de litigieuze steeg. Volgens
subonderdeel 2.3is het oordeel temeer onjuist en/of ontoereikend gemotiveerd, omdat, kort gezegd, het enkele bewijs dat een eigenaar van [a-straat 1] begin jaren tachtig een poort heeft doen plaatsen - zo dit al enige bezitspretentie meebracht -, niet meebrengt dat ook degene die hem opvolgde als eigenaar van [a-straat 1] enig recht op die steeg gepretendeerd zou hebben.
nietbestaande erfdienstbaarheid,
kangeen sprake zijn van het tenietdoen van enig bezit van [eiser] en mag rechtens niet worden aangenomen dat een van de opvolgend eigenaren van [a-straat 1] bezitter is geworden van een erfdienstbaarheid, aldus het subonderdeel.
subonderdeel 2.5vitieert hetgeen waarover de vier vorige subonderdelen klagen, het (impliciete) oordeel van het hof dat de opvolgende eigenaren van [a-straat 1] zich in ieder geval twintig jaar vóór het uitbrengen van de inleidende dagvaarding op het standpunt gesteld zouden hebben dat zij rechthebbende zouden zijn op een erfdienstbaarheid van overpad.
Onderdeel 3: interne wil om als rechthebbende op erfdienstbaarheid op te treden niet relevant (rov. 4.4 en 4.5)
bezitsdaden hebben gepleegd” mede is
gebaseerd ophet oordeel dat de rechtsvoorgangers van [verweerder] steeds “
gemeend” hebben dat een erfdienstbaarheid van weg gevestigd was (rov. 4.4) en dat zij “
zich steeds als rechthebbenden hebben beschouwd” (rov. 4.5). Het klaagt dat in dat geval het hof heeft miskend dat de
interne wilom als rechthebbende van een erfdienstbaarheid op te treden (de animus domini) niet relevant is voor de beantwoording van de vraag of degene om wiens interne wil het gaat het bezit van die erfdienstbaarheid verkregen heeft. [78]
bezitsdaden gepleegd hebben”. Geklaagd wordt dat dit oordeel onjuist en/of onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd is. Reden hiervoor is volgens het subonderdeel - kort gezegd - dat uit het gegeven als zodanig dat de rechtsvoorgangers van [verweerder] zich steeds als rechthebbenden hebben beschouwd (interne wil), niet (mede) kan volgen dat bij deze beoordeling deze rechtsvoorgangers ‘dus’ bezitsdaden gepleegd zouden hebben.
bezitsdaden hebben gepleegd” (rov. 4.13, 1e volzin) berust naar mijn mening op de in rov. 4.7 van het arrest vermelde feiten. Zie hiervoor onder 2.48 en 2.54 e.v.
goede trouwbij de rechtsvoorgangers van [verweerder] . Verder heeft het hof in rov. 4.13, 1e volzin, zijn vaststelling dat de opvolgende eigenaren van [a-straat 1] vanaf begin jaren ‘80
bezitsdadenhebben gepleegd, geplaatst
naast(“en”) de overweging dat zij zich (met reden)
als rechthebbenden hebben beschouwd. Ik meen dat pas het in rov. 4.13 besloten liggende (eind)oordeel van het hof dat sprake is geweest van het voor verkrijging door extinctieve verjaring ex art. 3:105 jo Pro. 3:306 BW vereiste twintigjarige
bezitis gebaseerd op (i) de uit rov. 4.7 blijkende feitelijke omstandigheden (bezitsdaden), en daarnaast - weliswaar ten onrechte (zie hiervoor, onder 2.52), (ii) op de in rov. 4.5 genoemde omstandigheid dat de rechtsvoorgangers van [verweerder] zich steeds als rechthebbenden hebben beschouwd (de interne wil), ondanks tegenspraak door [eiser] (zie hiervoor, onder 2.48).
Onderdeel 4: bij registergoederen wijkt het vermoeden van art. 3:109 BW Pro voor het uit de inschrijving in de openbare registers voortvloeiende bezitsvermoeden (rov. 4.4, 4.7 en 4.13)
vermoedworden deze erfdienstbaarheid voor zichzelf te houden (en derhalve bezitter zijn van deze erfdienstbaarheid). Het klaagt dat in dat geval het hof heeft miskend dat het bezitsvermoeden van art. 3:109 BW Pro niet geldt bij registergoederen, zoals een erfdienstbaarheid van overpad, omdat met betrekking tot registergoederen een uitzondering geldt op art. 3:109 BW Pro analoog aan de in art. 3:119 lid 2 BW Pro vervatte uitzondering, mede gezien art. 6:174 lid 5 BW Pro. [79]
Onderdeel 5: geen ondubbelzinnig bezit, gezien eigen stellingen van [verweerder] (rov. 4.4, 4.7 en 4.13)
NJ2009/1. Indien het hof dat niet miskend zou hebben, zijn deze oordelen niet toereikend gemotiveerd, nu het hof niet heeft gemotiveerd waarom ondanks
NJ2009/1 geen sprake zou zijn van dubbelzinnig bezit.
NJ2016/78, rov. 3.4.4), gezien de subsidiaire stellingname van [verweerder] .
[.../...] [81] ,waarnaar het subonderdeel verwijst, volgt naar mijn mening dat indien een partij de feiten en omstandigheden die zij aanvoert als grondslag voor het standpunt dat zij krachtens verjaring eigendom heeft verkregen van een goed (perceel grond) tevens aanvoert als grondslag voor haar standpunt dat zij door verjaring rechthebbende is geworden van een beperkt recht op datzelfde goed (recht van opstal), haar eigen stellingen al impliceren dat van ondubbelzinnig bezit van dat beperkte recht geen sprake is. [82] Dit arrest staat echter, gelet op de objectieve duiding van het bezit (art. 3:108 BW Pro), niet in de weg aan een
primaireen
subsidiairestellingname. [83] Datzelfde geldt voor het bepleiten, ná elkaar, van de standpunten dat sprake is van bezit van een erfdienstbaarheid van weg respectievelijk van (bezit van [84] ) een buurweg.
NJ2016/78, rov. 3.4.4), miskent dat het - gezien dat arrest (zie hiervoor, onder 2.24) - op de weg van [eiser] lag zich erop te beroepen dat er objectieve aanwijzingen waren om de machtsuitoefening door de rechtsvoorgangers van [verweerder] aan te merken als een andere dan die van gerechtigde op een erfdienstbaarheid van weg. Ook deze klacht faalt derhalve.
Onderdeel 6: geen toereikende respons op stelling van [eiser] dat hij [betrokkene 4] een gebruiksrecht heeft verleend (rov. 4.11)
een gebruiksrecht verleende”. [86]
gebruiksrechtverleende, althans
gedoogdedat [betrokkene 4] en zijn vrouw de deur en de steeg gingen gebruiken of bleven gebruiken. Die stelling brengt volgens het subonderdeel derhalve mee dat [betrokkene 4] , in ieder geval vanaf medio jaren ’90, slechts houder (in de zin van detentor) was voor [eiser] , zodat [betrokkene 4] , indien hij voordien al bezitter geweest zou zijn van een erfdienstbaarheid van voetpad over de steeg, hij, [betrokkene 4] in beginsel [89] houder voor [eiser] werd en nadien gebleven is (art. 3:111 BW Pro). Een dergelijke interversie van (beweerdelijk) bezitter naar houder (in de zin van detentor) is mogelijk. [90] Althans, laatstgenoemde stelling impliceert volgens het subonderdeel dat geen sprake is van ondubbelzinnig bezit.
subonderdeel 6.2is een toereikende respons op die stelling niet het oordeel van het hof dat de “
verklaring over de noodzaak van [e]en doorgang vanwege rolstoelafhankelijkheid van de echtgenote van [betrokkene 4]” geen steun zou vinden in andere verklaringen, welk oordeel onbegrijpelijk is.
subonderdeel 6.3vitieert hetgeen waarover de subonderdelen 6.1 en 6.2 klagen tevens het oordeel van het hof in rov. 4.5 dat uit de verklaringen en stellingen van [eiser] volgt dat geen sprake is van gedogen of toestemming.
uit de stellingen van [eiser] volgt (…) dat feitelijk geen sprake is geweest van gedogen of toestemming”, berust op de in rov. 4.6 - in cassatie als zodanig niet bestreden - vaststelling dat [eiser] zelf heeft verklaard dat hij de opvolgende eigenaren van [a-straat 1] steeds erop heeft gewezen dat er geen recht van overpad was (mogelijk met uitzondering van [betrokkene 5] ). Zie hiervoor onder 2.57.
Onderdeel 7: onjuist en/of ontoereikend gemotiveerd oordeel dat [verweerder] en hun rechtsvoorgangers zich “met reden” als rechthebbenden hebben beschouwd
met reden” als rechthebbenden hebben beschouwd, onjuist en/of ontoereikend gemotiveerd is, indien en voor zover het hof met dit oordeel tot uiting gebracht zou hebben dat deze opvolgende eigenaren
te goeder trouwzich als gerechtigden beschouwd zouden hebben.
Onderdeel 8: algemene voortbouwklacht
onderdeel 8faalt in het kielzog van de onderdelen 1 tot en met 7.