Conclusie
[verzoekster])
Optidob)
rechtbank) op 22 maart 2019, heeft Optidob de rechtbank verzocht [verzoekster] in staat van faillissement te verklaren. Optidob heeft aan dit verzoek, samengevat, ten grondslag gelegd dat zij een opeisbare vordering heeft op [verzoekster] van € 1.333.500,83 uit hoofde van een op 3 februari 2015 tussen partijen gesloten geldleningsovereenkomst, gevolgd door een op 16 oktober 2018 gesloten vaststellingsovereenkomst. Daarnaast heeft Optidob aangevoerd dat [verzoekster] ook vorderingen van andere schuldeisers onbetaald laat en dat zij in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen. [2]
curator). [4] Daartoe heeft de rechtbank, samengevat, overwogen dat niet in geschil is dat sprake is van een vordering van Optidob die opeisbaar is en al geruime tijd onbetaald wordt gelaten, alsmede dat niet is gebleken van een tegenvordering van [verzoekster]. Voorts is summierlijk komen vast te staan dat [verzoekster] naast de vordering van Optidob ook andere schuldeisers onbetaald laat. De rechtbank komt tot de slotsom dat “voldoende is gebleken van feiten en omstandigheden, die aantonen dat [[verzoekster], A-G] in de toestand verkeert, dat zij heeft opgehouden te betalen”. [5]
hof) en heeft zij het hof verzocht dit vonnis te vernietigen en het verzoek tot faillietverklaring alsnog af te wijzen.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Holding) op [verzoekster]. [10] Ik ontwaar vier te onderscheiden cassatieklachten.
summierlijk geblekenvordering van [A] Holding op [verzoekster]”. Dit zou temeer klemmen nu het hof niet heeft getoetst of de gronden van het verweer van [verzoekster] tegen deze vordering (summierlijk) zijn gebleken. Door te oordelen dat [verzoekster] haar verweer ‘aannemelijk’ dient te maken, heeft het hof een onjuiste toets aangelegd in de zin van art. 6 Faillissementswet Pro (hierna ook:
Fw) en vaste rechtspraak, aldus [verzoekster]. [11] Dit is
subonderdeel 1.1.
summierlijk blijkenis”. [verzoekster] voert daartoe aan dat zij bestrijdt dat zij partij is bij de overeenkomst met [A] Holding terzake de levering van aandelen, zodat de sommatie van [A] Holding niet naar de juiste persoon is gezonden. [13] Dit is
subonderdeel 1.2.
subonderdeel 1.3.
subonderdeel 1.4.
ABN Amro/Berzona-arrest dat een steunvordering niet opeisbaar hoeft te zijn, dat de omvang van die vordering niet hoeft vast te staan en dat die vordering geen betrekking hoeft te hebben op de betaling van een geldsom. Voldoende is dat het gaat om een vordering die ter verificatie in het faillissement kan worden ingediend, zodat de schuldeiser kan meedelen in de opbrengst van de vereffening die in dat kader plaatsvindt. Ook de vordering tot het verrichten van onderhoud en die tot het verschaffen van het genot van een zaak welke voortvloeit uit een duurovereenkomst, kunnen op zichzelf een steunvordering opleveren. [32] Als steunvorderingen kunnen tevens worden aangemerkt, vorderingen waarvan de schuldeisers niet op betaling aandringen [33] of ten aanzien waarvan een betalingsregeling is getroffen. [34] De enkele omstandigheid dat een vordering wordt betwist, behoeft evenmin eraan in de weg te staan dat zij als steunvordering in aanmerking wordt genomen. [35] Een toekomstige vordering kan evenwel niet tot steunvordering dienen, omdat onvoldoende zeker is dat zo’n vordering daadwerkelijk zal ontstaan. [36]
Unitco-arrest heeft overwogen dat indien de stellingen van partijen daartoe aanleiding geven, de rechter in hoger beroep opnieuw moet onderzoeken of aan de vereisten voor faillietverklaring is voldaan. Bij zijn beslissing daarover dient hij uit te gaan van de toestand ten tijde van zijn uitspraak en moet hij dus de op dat moment bestaande omstandigheden in aanmerking nemen. Volgens de Hoge Raad betekent dit dat de rechter in hoger beroep kan komen te staan voor de door hem opnieuw – maar dan naar dat tijdstip – te beantwoorden vraag of wordt voldaan aan het vereiste van pluraliteit van schuldeisers. Hij zal dan in zijn onderzoek moeten betrekken of (alle) door de rechtbank in aanmerking genomen steunvorderingen nog bestaan. [40] De beoordeling of aan de vereisten voor faillietverklaring – waaronder het pluraliteitsvereiste – is voldaan, geschiedt dus naar de toestand ten tijde van zijn beslissing (‘ex nunc’). [41] Dit toetsingsmoment (dus ‘ex nunc’) is overigens in lijn met het uitgangspunt in het civiele appelprocesrecht. [42] De Hoge Raad heeft in het
Unitco-arrest verder geoordeeld dat het oordeel van het hof dat in een eenmaal uitgesproken faillissement uitgegaan dient te worden van het bestaan van – mogelijk nog onbekende – schulden, tenzij het tegendeel aannemelijk kan worden gemaakt, onjuist is. De Hoge Raad heeft daartoe overwogen dat “[v]oor het in hoger beroep handhaven van een faillissement – evenals voor het uitspreken van faillissement – vereist [is] dat het bestaan van steunvorderingen summierlijk is gebleken. Het hof had derhalve naar aanleiding van de stellingen van H. moeten onderzoeken of (nog) daadwerkelijk aan dit vereiste was voldaan”. [43] Tot slot heeft de Hoge Raad in het
Unitco-arrest geoordeeld dat het derden in beginsel vrij staat om hangende een procedure tot faillietverklaring steunvorderingen te voldoen en dat dit geen doorbreking oplevert van de ‘paritas creditorum’ (art. 3:277 BW Pro), ook niet indien de vordering van de aanvrager van het faillissement onbetaald blijft of daarvoor geen zekerheid wordt gesteld. [44]
nietuit het vonnis van de rechtbank. [verzoekster] kan geen 5% van het geplaatst kapitaal leveren, omdat het volledige
geplaatstekapitaal geplaatst is bij de enig aandeelhouder (
productie 4), [betrokkene 1] (
productie 5).
in[verzoekster]
op[betrokkene 1]. [betrokkene 1] is de overeenkomst met [A] Holding BV aangegaan. De betreffende activiteiten zijn pas later in [verzoekster] ingebracht; [verzoekster] was helemaal geen partij bij die overeenkomst. Waar het vonnis spreekt over het recht van [A] Holding BV op levering van de aandelen, kan daarbij uiteraard uitsluitend bedoeld zijn het recht tot levering jegens de enige van de drie gedaagden die de betreffende aandelen
kanleveren, [betrokkene 1]; gedaagde sub 3 in die procedure”.
op wie[A] Holding de door Optidob gestelde steunvordering van € 382.000,- heeft ([betrokkene 1] in privé of [verzoekster]), en niet op het bestaan van die vordering voor het overige. In de tweede plaats blijkt daaruit dat het betoog van [verzoekster] neerkomt op de stelling dat [A] Holding ten onrechte een vordering van € 382.000,- uit hoofde van ongedaanmaking (na ontbinding) bij de curator ter verificatie heeft ingediend, omdat dit een vordering van [A] Holding op [betrokkene 1] in privé betreft, en niet op [verzoekster]. Het is dan ook dát betoog dat het hof in rov. 2.8 vooropstelt (de 1ste zin) [55] en verwerpt (de 2de zin), op basis van de daarop volgende uiteenzetting waaruit volgt dat en waarom naar het oordeel van het hof niettegenstaande dat betoog summierlijk [56] is gebleken van een steunvordering van [A] Holding op [verzoekster] (de 3de zin e.v.), zoals de slotsom ook luidt (de slotzin, waarin het hof met “aldus” terugverwijst naar die uiteenzetting in de 3de zin e.v.). Hetgeen het hof daartoe overweegt, laat zich slechts aldus verstaan dat gelet op de in rov. 2.8 genoemde feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien, [57] en gelet op het ontbreken van een nadere toelichting op die stelling zijdens [verzoekster], de gegrondheid van die stelling van [verzoekster] (dus “dat de vordering van [A] Holding een vordering is op [betrokkene 1]”) niet aannemelijk is geworden, oftewel niet summierlijk is gebleken. Daarbij breng ik in herinnering dat de voorzitter van het hof reeds ter zitting heeft opgemerkt dat [verzoekster] haar stelling dat de gestelde steunvordering van [A] Holding een vordering betreft op [betrokkene 1] in privé en niet op haar (vooralsnog) onvoldoende had onderbouwd, en dat het hof partijen hierover nog vragen heeft gesteld. [58] Met zijn oordeel in rov. 2.8, en in het bijzonder de overweging dat een “nadere toelichting” op die stelling ontbreekt, heeft het hof dus mede gerespondeerd op hetgeen partijen – niet in de laatste plaats [verzoekster] – nog op die vragen hebben geantwoord. [59]
subonderdeel 1.1betoogt, heeft het hof met zijn oordeel in rov. 2.8 geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het ‘summierlijk blijken’ van een steunvordering (in de zin van art. 6 Fw Pro). Evenmin heeft het hof met deze oordelen miskend dat ook de gegrondheid van het verweer tegen een gestelde steunvordering summierlijk moet blijken. Zie nrs. 2.4 t/m 2.12. Voor zover [verzoekster] zich erop beroept dat het hof niet had moeten toetsen of zij haar stelling ‘aannemelijk’ heeft gemaakt, maar of die stelling ‘niet reeds aanstonds ongegrond wordt geacht’, [60] geldt dat dit niet de hier aan te leggen toets is. Ter adstructie van dit betoog beroept [verzoekster] zich op een uitspraak van de Hoge Raad uit 1951. [61] Die uitspraak heeft evenwel betrekking op een andere situatie en een andere deelvraag. In die zaak had zowel rechtbank als hof het verzoek van de schuldeiser om de schuldenaar in staat van faillissement te verklaren, afgewezen. In cassatie klaagde de schuldeiser dat het hof had miskend dat “de vraag of iemand verkeert in de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen niet afhankelijk is van de vraag of hij meerdere schulden niet kan betalen, doch uitsluitend van de vraag of hij, ongeacht de vraag of hij tot die betaling in staat is, die schulden onbetaald laat”. [62] De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep. Hij overwoog daartoe dat de beslissing van het hof, mede gelet op het verhandelde ter zitting, kennelijk aldus moet worden begrepen, dat nu de schuldenaar de schulden niet uit betalingsonmacht onbetaald laat, maar dat onbetaald laten voorkomt uit door het hof “niet reeds aanstonds ongegrond geachte, bezwaren tegen betaling”, dat onbetaald laten niet meebrengt dat de schuldenaar in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen. Aldus heeft de Hoge Raad evident geen (nieuwe) beoordelingsmaatstaf geformuleerd voor het verweer dat niet aan (één van) de vereisten voor faillietverklaring is voldaan, maar – in het kader van het vereiste dat de schuldenaar in de toestand moet verkeren dat hij heeft opgehouden te betalen – een uitleg gegeven aan het bestreden oordeel van het hof. [63] Kort en goed: het subonderdeel faalt.
subonderdeel 1.3stel ik voor een goed begrip voorop dat bij een B.V., zoals [verzoekster], (i) de
uitgifte(of plaatsing) van aandelen in de vennootschap dient te worden onderscheiden van (ii) de
leveringvan reeds uitgegeven aandelen in de vennootschap. [66]
aan [verzoekster]gerichte sommatie door [A] Holding bij aangetekende brief van 15 april 2019 onder meer het verzoek
aan [verzoekster]behelst “[i]n lijn met het vonnis van 17 december 2018 (…) om uitgifte/levering aan [A] Holding B.V. van 5% van het
(ten tijde van de uitgifte)geplaatste aandelenkapitaal van [verzoekster] B.V.’s (“five (5%) percent of the then outstanding shares of the company”)”, alsmede “
dezeuitgifte/levering
zo snel mogelijk te (doen) realiseren, maar in ieder geval voor het einde van deze kalendermaand, april 2019” [onderstrepingen, A-G]. [70] Gelet daarop, op de in rov. 2.8 genoemde feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien (zie nr. 2.21), [71] en op het gevoerde partijdebat (zie nrs. 2.13 t/m 2.18), [72] is het oordeel van het hof dat [A] Holding in die brief “[verzoekster] [heeft] gesommeerd de uitgifte van aandelen te realiseren” (dus: een uitgifte van aandelen door [verzoekster] aan [A] Holding als bedoeld onder (i) hiervoor) niet onbegrijpelijk te noemen. En dan druk ik mij, wederom, nog zacht uit. [73]
subonderdeel 1.4faalt reeds bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft zijn oordeel dat summierlijk is gebleken van een steunvordering van [A] Holding op [verzoekster] immers gebaseerd op álle in rov. 2.8 genoemde feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien. Zie verder nr. 2.23, dat hier ook toepassing vindt. Overigens blijkt uit rechtspraak van de Hoge Raad dat het bestaan van een steunvordering betrekkelijk snel wordt aangenomen en dat voldoende is dat het gaat om een vordering die ter verificatie in het faillissement kan worden ingediend. [74] In zoverre bevreemdt het niet dat het hof het feit dat de vordering door de curator op de lijst van voorlopig erkende schuldeisers is geplaatst, heeft betrokken in zijn beoordeling van de vraag of ‘summierlijk’ is gebleken van het bestaan van een steunvordering.