Conclusie
habe nichts’-verweer van de werkgever werd gehonoreerd.
1.Feiten
2.Het procesverloop
grief 1wordt opgekomen tegen het oordeel dat [betrokkene 2] geen tegenverzoek had behoeven in te dienen.
Grief 2keert zich tegen de overweging dat [eiseres] geen schade heeft ondervonden van het feit dat zij niet geïnformeerd is over de mogelijkheid van het indienen van een zelfstandig tegenverzoek. Met
grief 3beklaagt [eiseres] zich over het niet reageren door de rechtbank op haar stelling dat een tegenverzoek ook gedaan had moeten worden op bedrijfseconomische omstandigheden. Tot slot stelt
grief 4de proceskostenveroordeling van [eiseres] in eerste aanleg aan de orde.”
bedrijfseconomische omstandigheden
https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/Kantonrechterformule.pdf)als uitgangspunt gold dat “de correctiefactor C bij een neutrale of kleurloze ontbinding gelijk is aan 1 (één)”. Onverkorte toepassing van die hoofdregel op werknemersverzoeken is in bedoelde aanbevelingen niet alleen als maatschappelijk onaanvaardbaar maar als juridisch onjuist betiteld omdat daarvoor (binnen het toen geldend ontslagrecht) onvoldoende rechtvaardiging aanwezig wordt geacht. Dit geldt hier. Indien aan [eiseres] ook op haar verzoek een vergoeding gebaseerd op een (neutrale) C-factor van 1 zou zijn toegekend, werd daarmee de bevoegdheid van de werkgever om zijn verzoek op dezelfde grond in te trekken, waaraan de kantonrechter de toekenning van een vergoeding van die omvang had verbonden, op onaanvaardbare wijze doorkruist. Het is immers aan de werkgever om tegen de achtergrond van de bepaalde vergoeding te beoordelen of hij zijn reorganisatie in de beoogde omvang wil doorzetten dan wel onder aanpassing daarvan de werknemer alsnog voor zijn onderneming wil behouden. In dat laatste geval moet er alsnog vanuit worden gegaan dat werknemer zonder bezwaar van werkgever kan blijven en is daarmee de grond aan het verzoek tot ontbinding, zowel aan de kant van werkgever als aan de kant van werknemer, komen te ontvallen. In die situatie is het niet te rechtvaardigen dat de werknemer alsnog een ontbinding verkrijgt met een vergoeding die gebaseerd is op een in de risicosfeer van de werkgever liggende omstandigheid, terwijl werkgever die omstandigheid inmiddels heeft weggenomen.
verstoring van de arbeidsrelatie, tot een hogere ontbindingsvergoeding zou hebben geleid dan is toegekend in de tweede ontbindingsprocedure. Volgens het hof heeft [eiseres] dit onvoldoende onderbouwd:
verstoring van de arbeidsrelatie
werknemerniet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Hetgeen na de eerste ontbindingsprocedure tussen partijen is voorgevallen, zoals beschreven in de beschikking van 23 december 2013, kan - uiteraard - hier geen rol spelen.
grieven 1 en/of 3doel treffen, dit niet tot vernietiging van het bestreden vonnis kan leiden omdat grief 2 faalt.
Grief 4, dat enkel ziet op de proceskostenveroordeling in eerste aanleg, deelt het lot van de overige grieven.”
3.Bespreking van het cassatiemiddel
geheelin de risicosfeer van de werkgever respectievelijk de werknemer ligt (en verwijtbaarheid niet aan de orde is). De mogelijkheid dat een ontbindingsgrond voor rekening van beide partijen komt – en daarmee
gedeeltelijkin hun beider risicosferen ligt – is dus niet uitgesloten. Daarbij kan gedacht worden aan de ontbindingsgrond ‘verstoring van de arbeidsrelatie’, de grond die zich in de onderhavige zaak voordoet. Een verstoring van de arbeidsrelatie komt niet automatisch voor risico van de werkgever. Mijns inziens gaat het er in dat geval om welke partij, in welke mate, de verstoring van de arbeidsrelatie moet worden toegerekend. Daarop kan de hoogte van de C-factor worden afgestemd. [24] In de hoogte van de C-factor is daarmee dan ook verdisconteerd voor wiens risico de verstoring van de arbeidsrelatie volgens de kantonrechter dient te komen en in welke mate.
Nadere verfijning van aanbeveling 3.4 in verband met de toepassing van de aanbevelingen op werknemersverzoeken. [27]
door de werkgeverwordt ingediend. Volgens de toelichting dient deze hoofdregel niet onverkort op
werknemersverzoekente worden toegepast, omdat daarmee de figuur geïntroduceerd zou worden dat de werknemer bij een slechts door hem nagestreefd ontslag in beginsel aanspraak zou kunnen maken op een vergoeding gelijk aan C=1, hetgeen maatschappelijk onaanvaardbaar en juridisch onjuist is. De toegekende vergoeding zou daarmee onbillijk kunnen zijn.
Risicosfeer werknemer
(Langdurige) Arbeidsongeschiktheid na een arbeidsconflict
tegenverzoekvan de werknemer in een procedure die is ingezet door de werkgever.
Habe-nichts en habe-wenig
een dringende redenhet verzoek niet kan dragen, maar dat het verzoek van [A] wel toewijsbaar is wegens
een verandering in de omstandigheden, bestaande uit
een reorganisatie wegens bedrijfseconomische redenen. Het primaire ontbindingsverzoek werd door de kantonrechter afgewezen, omdat [A] de daartoe aangevoerde zware beschuldigingen onvoldoende had onderbouwd. De kantonrechter kwam tot C=1 (€ 225.934,11). Het hof daarentegen stond in de onderhavige zaak voor de vraag wat de kantonrechter in de eerste procedure geoordeeld zou hebben als [eiseres] een zelfstandig tegenverzoek had ingediend op de grondslag ‘verstoring van de arbeidsrelatie’ (rov. 4.7. e.v., randnummers 2.12 e.v. in deze conclusie). Dat is dus een andere grondslag dan de grondslag waarop de kantonrechter in de eerste procedure het ontbindingsverzoek van [A] heeft toegewezen. Het hof was daarom niet gehouden om, reeds vanwege het uitgangspunt waarop het onderdeel een beroep doet, uit te gaan van C=1. Nu het hof daartoe niet gehouden was, heeft het zijn oordeel op dit punt ook niet onvoldoende gemotiveerd.
dringende reden.
onderdeel 1afaalt.
onderdeel 1b.
dringende reden, terwijl het hof zijn overweging dat [eiseres], mede gelet op haar functie, door het onbeantwoord laten van de vragen een relevante bijdrage heeft geleverd aan de verstoring van de arbeidsrelatie, heeft geformuleerd in het kader van de vraag of er op de grondslag van een
verstoorde arbeidsrelatieeen ontbindingsvergoeding zou zijn toegekend en welke omvang deze dan zou hebben. Kantonrechter en hof hadden het dus over verschillende onderwerpen: de kantonrechter had het over de grondslag dringende reden, het hof had het over verstoring van de arbeidsrelatie in verband met de eventueel toe te kennen ontbindingsvergoeding. Dit maakt verschil, nu een bepaald optreden door de werknemer dat geen dringende reden voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst oplevert, mogelijk wel een bijdrage levert aan verstoring van de arbeidsrelatie.
onderdeel Icfaalt.
in de eerste ontbindingsprocedureop een eventueel tegenverzoek van [eiseres] zou hebben geoordeeld, dat de verstoring van de arbeidsrelatie deels aan [A], deels aan [eiseres] te wijten was. Het hof stond immers voor de vraag wat de kantonrechter in de
eersteontbindingsprocedure zou hebben geoordeeld, in de in dat kader voorliggende situatie. In dat kader is niet relevant wat de kantonrechter in de
tweedeontbindingsprocedure heeft overwogen, in de dáár voorliggende situatie, waarin aan de orde is de verhouding tussen partijen nadat [A] haar verzoek tot ontbinding heeft ingetrokken, zich onvoldoende heeft ingespannen om [eiseres]’ vertrouwen te herwinnen, geen excuses heeft gemaakt, om teruggave van laptop, mobiele telefoon en sleutels heeft verzocht maar wel een aanbod tot mediation heeft gedaan. Hetgeen het hof overweegt in rov. 4.12, laatste zin en in rov. 4.13, laatste zin, is dan ook juist.
habe nichts’-verweer van [A], aan welk verweer de kantonrechter in de eerste ontbindingsprocedure voorbij is gegaan. Het onderdeel merkt in dit verband op dat de kantonrechter in de tweede ontbindingsprocedure nadrukkelijk heeft overwogen dat de bedrijfseconomische gegevens tijdens de eerste ontbindingsprocedure nog niet beschikbaar waren. Tot slot benadrukt het onderdeel dat voor de kantonrechter in de tweede ontbindingsprocedure het verwijt aan het adres van [eiseres] dat zij na de beschikking van 18 september 2013 het mediationtraject geen kans heeft gegeven, geen aanleiding was om uit te komen op een C-factor lager dan 1.
habe nichts’-verweer van [A]. De betreffende kantonrechter ging dus, het genoemde verweer van [A] terzijde gesteld, inderdaad uit van C=1, hetgeen [eiseres] een bedrag van rond de € 226.000 zou hebben opgeleverd. Dit betekent echter niet dat het hof in de onderhavige zaak had moeten oordelen dat de kantonrechter in de eerste ontbindingsprocedure, als [eiseres] daarin een tegenverzoek tot ontbinding had ingediend, en aannemende dat [A] daarin geen (voldoende onderbouwd) ‘
habe nichts’-verweer zou hebben gevoerd, ook wel zou zijn uitgekomen op C=1. De kantonrechter in de tweede ontbindingsprocedure is immers tot C=1 gekomen (het ‘
habe nichts’-verweer weer even terzijde gesteld), mede op grond van handelen van [A] dat heeft plaatsgevonden na de eerste ontbindingsprocedure, dus op grond van handelen dat zich in de eerste ontbindingsprocedure nog niet had voorgedaan. Ik noemde het zojuist al bij de beoordeling van onderdeel 1d: [A] spande zich na de eerste ontbindingsprocedure onvoldoende in om [eiseres] vertrouwen te herwinnen, maakte geen excuses en vroeg om teruggave van laptop, mobiele telefoon en sleutels. In de eerste ontbindingsprocedure had dit alles zich niet voorgedaan. Dit maakt dat het hof op goede grond heeft overwogen dat in het gegeven dat de kantonrechter in de tweede ontbindingsprocedure is uitgegaan van een C-factor van 1, geen aanleiding kan worden gevonden om te oordelen dat de rechter in de eerste ontbindingsprocedure in het kader van een ontbindingsverzoek van [eiseres] ook wel zou zijn uitgegaan van een C-factor van 1. Van een gebrekkige motivering is geen sprake.
habe nichts-verweer niet zou hebben gevoerd, een vergoeding op basis van C=1 zou hebben toegekend, op grond van een zelfstandig verzoek van [eiseres]. Het hof zou zijn voorbijgegaan aan het in het oog springende verschil met de eerste ontbindingsprocedure, namelijk dat in de tweede ontbindingsprocedure gegevens voorhanden waren op grond waarvan de kantonrechter de C-factor corrigeerde.
eersteontbindingsprocedure, omdat de vraag die het hof moest beantwoorden, luidt wat er gebeurd zou zijn als Univé in
dieprocedure een zelfstandig tegenverzoek tot ontbinding had ingediend. Daarbij past niet dat het hof óók rekening had moeten houden met de beschikking in de tweede ontbindingsprocedure, als relevante omstandigheid op zichzelf. Van een onjuiste rechtsopvatting is geen sprake.
‘habe nichts’-verweer mag voeren omdat zij dit verweer reeds in de eerste ontbindingsprocedure had gevoerd, verworpen, omdat [A] in de tweede ontbindingsprocedure financiële gegevens heeft ingediend waarover [A] in de eerste ontbindingsprocedure nog niet beschikte. In de tweede ontbindingsprocedure mocht [A] dus een beroep doen op financiële gegevens ter onderbouwing van haar
‘habe nichts’-verweer. Ter vergelijking: in de eerste ontbindingsprocedure overwoog de kantonrechter dat [A] haar stelling dat dat haar financiële situatie zodanig nijpend was dat er geen enkele ruimte zou zijn om aan [eiseres] een neutrale vergoeding van € 225.934,11 toe te kennen, onvoldoende heeft onderbouwd. Die kantonrechter kwam tot C=1, daarmee een gevoelige tik uitdelend aan [A]. Daarom spreekt het onderdeel van “een in het oog springend verschil”: in de eerste ontbindingsprocedure geen
‘habe nichts’-verweer (en dus C=1), in de tweede ontbindingsprocedure wel (en dus C=0,5). Het hof zou ten onrechte voorbij zijn gegaan aan dit in het oog springende verschil. Het onderdeel miskent evenwel dat, als [eiseres] in de eerste ontbindingsprocedure een zelfstandig tegenverzoek tot ontbinding had ingediend, [A] mogelijk beter haar best had gedaan, althans meer geneigd zou zijn, om haar
‘habe nichts’-verweer te onderbouwen. [33] Dat [A] dan beter haar best zou hebben gedaan, is niet onaannemelijk, omdat zij het bij een tegenverzoek van [eiseres] niet in eigen hand zou hebben, in deze zin dat zij haar eigen ontbindingsverzoek nog kon intrekken op grond van art. 7:685 lid Pro 9 (oud) BW, ook bij een niet goed onderbouwd
‘habe nichts’-verweer (hetgeen [A] ook daadwerkelijk gedaan heeft), terwijl zij die mogelijkheid niet zou hebben gehad bij honorering door de kantonrechter van een tegenverzoek van [eiseres]. Zo ‘in het oog springend’ of relevant is het genoemde verschil dus niet. Wat de kantonrechter in de eerste procedure geoordeeld zou hebben, is nauw verbonden met wat er gebeurd zou zijn als Univé namens [eiseres] een tegenverzoek zou hebben ingediend en dat is nu eenmaal niet met zekerheid te zeggen. Dit alles maakt het oordeel van het hof niet onjuist noch onbegrijpelijk.
onderdeel Iffaalt.
onderdeel Igfaalt.