Conclusie
1.Overzicht
BNB2019/44; zie 5.14 bijlage).
verplichtenpremie te heffen van in Nederland verzekerden. Met de Staatssecretaris acht ik ’s Hofs uitspraak op dit punt niet-begrijpelijk in het licht van uw genoemde rechtspraak en de bedoelde dwingende wetgeving.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
BNB2019/44; zie onderdeel 5.14 van de bijlage).
3.Het geding in cassatie
BNB2019/44 (zie 5.14 bijlage). Na intrekking van de A1-verklaringen door de Svb bestond er ten tijde van ‘s Hofs uitspraak geen A1-verklaring voor januari 2013. Het Hof heeft ten onrechte geoordeeld dat de inspecteur bij ontbreken van zo’n verklaring geen premie mag heffen.
BNB2019/44 (zie 5.14 bijlage) zal worden herzien als de Svb later alsnog een andersluidende A1-verklaring afgeeft. De Staatssecretaris wijst op de zijn standpunt steunende uitspraak van het Hof Den Haag van 29 mei 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:1884, en ook uit uw rechtspraak volgt volgens hem dat u in zaken over premieheffing regelmatig zelfstandig op basis van het Unierecht beoordeelt of iemand al dan niet sociaal verzekerd is in Nederland.
4.Beoordeling van het cassatiemiddel
alsde Svb of een andere aanwijsautoriteit een stelselaanwijsverklaring heeft afgegeven, de inspecteur het niet beter mag weten. Er volgt geenszins uit dat, omgekeerd, als de Svb géén verklaring heeft afgegeven, de fiscus zijn premieheffingsplicht ten laste van op grond van de wet onmiskenbaar in Nederland verzekerde personen niet zou mogen uitoefenen.