Conclusie
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Kern van de zaak en van het cassatiemiddel
[.../...] [13] ,
[…] /Staat [14] en
[…] /TSN [15] . In de zaak
[…] /TSNging het om een overeenkomst tot het verrichten van reparaties en onderhoudswerk door TSN voor de duur van vijf jaar. […] ontbond deze overeenkomst onterecht, waarop TSN schadevergoeding vorderde bestaande uit de gederfde winst. […] voerde aan dat daarop de winst in mindering dient te worden gebracht die TSN heeft gegenereerd uit nadien met andere partijen gesloten overeenkomsten. De Hoge Raad oordeelde dat de schade en het voordeel niet uit dezelfde gebeurtenis voortvloeien. Deze uitspraak heeft in de literatuur bijval [16] , maar ook kritiek [17] gekregen. De kritiek is dat de begrenzing van art. 6:100 BW Pro te veel is gezocht in het begrip “eenzelfde gebeurtenis” en te weinig in de redelijkheidstoets. Het arrest zou ruimte laten voor “dubbel incasseren”. Lindenbergh en Hijma zijn van mening dat de schade en het voordeel in die zaak één bron hebben: het tekortschieten. [18]
[…] /Dexia [19] , is de Hoge Raad in het arrest
Tennet/ABB [20] teruggekomen van deze strikte uitleg van het begrip “eenzelfde gebeurtenis”. De Hoge Raad oordeelde dat het bij de beoordeling van een beroep op voordeelstoerekening (art. 6:100 BW Pro) erom gaat dat genoten voordelen, voor zover dat redelijk is, mede in aanmerking behoren te worden genomen bij de vaststelling van de te vergoeden schade. Daarvoor is, aldus de Hoge Raad, allereerst vereist dat tussen de normschending en de gestelde voordelen een condicio sine qua non-verband (hierna: csqn-verband) bestaat, in die zin dat in de omstandigheden van het geval sprake is van een voordeel dat zonder de normschending niet zou zijn opgekomen. Voorts dient het met inachtneming van de in art. 6:98 BW Pro besloten maatstaf redelijk te zijn dat die voordelen in rekening worden gebracht bij de vaststelling van de te vergoeden schade.
Dexia/ […] [21] herhaald.
[.../...] [23] onder meer geoordeeld dat de redelijkheidsbeoordeling een waardering van de omstandigheden van het geval vergt die in cassatie slechts beperkt kan worden onderzocht.
Subonderdeel 1.1komt op tegen de oordelen (i) dat de schadetoebrengende gebeurtenis is gelegen in “het niet waarschuwen door R&R van [eiser] dat het koeldeksysteem voor zijn bedrijfssituatie ongeschikt was”, (ii) dat dit niet waarschuwen de aan R&R verweten tekortkoming is en (iii) dat tussen de tekortkoming en de voordelen (besparing van kosten) csqn-verband bestaat. Het subonderdeel is uitgewerkt in de
subklachten 1.1.1-1.1.4.
subonderdelen 1.1 onder (i) en (iii) en 1.2kan niet worden aangenomen dat het ontbreken van een waarschuwing van R&R aan [eiser] als de schadeveroorzakende gebeurtenis is aan te merken en evenmin dat csqn-verband bestaat met de vermelde voordelen (besparing van uitgaven).
Subklacht 1.1.1 (eerste en tweede tekstblok)wijst er in dat kader op dat [eiser] ook geen extra uitgaven zou hebben gehad als R&R haar verplichting tot het plaatsen van de koeldeksystemen correct was nagekomen [30] en dat dit (als Groen Label Systeem erkende) koeldeksysteem aan de regelgeving voldoet. [31]
subklacht 1.1.4, die is gericht tegen het door mij hieronder weergegeven gecursiveerde gedeelte van rov. 3.5.1. Het hof heeft in die rechtsoverweging, voor zover thans van belang, als volgt geoordeeld:
Met betrekking tot grief A in incidenteel hoger beroep: de vervangende schadevergoeding
In de toelichting op de grief heeft R&R daartoe betoogd dat [eiser] door de “gestelde schadetoebrengende gebeurtenis” (naar het hof begrijpt: het door R&R niet waarschuwen van [eiser] voor het feit dat het koeldeksysteem voor zijn bedrijfssituatie eenvoudigweg ongeschikt was) aanzienlijke voordelen heeft genoten.(…)’
nietberust op het ontbreken van een waarschuwing. In die alinea is geoordeeld, aldus het subonderdeel, dat voor zover de problemen met de beide systemen zijn veroorzaakt door de schuine stand van de koelelementen en het niet op de goede plaats blijven van de afstandhouders, deze problemen in elk geval toegerekend moeten als (interne) tekortkomingen van de systemen, omdat R&R verantwoordelijk is voor de wijze waarop zij die heeft opgebouwd.
onderdeel 1vergeefs is voorgesteld.
Naar het oordeel van het hof is het verband tussen deze kostenbesparingen en de aan R&R verweten tekortkoming niet zo ver verwijderd dat het niet redelijk is dat deze voordelen (kostenbesparingen) op de voet van artikel 6:100 BW Pro in rekening worden gebracht bij de vaststelling van de door R&R aan [eiser] te vergoeden schade.”
subonderdelen 2.1en
2.2bouwen voort op onderdeel 1 en delen mitsdien in het lot daarvan.
.Door niettemin het beroep op art. 6:100 BW Pro te honoreren, komt het door het hof bereikte resultaat neer op een ‘niet waarschuwen loont’-uitkomst, aldus het subonderdeel.
onderdeel 2ongegrond is.