Conclusie
1.Inleiding
Organschaftvormen. Op 22 december 2011 heeft een derde 31,08% van de aandelen in de Noorse vennootschap verkregen en op 20 januari 2012 de overige 68,92%.
Körperschaftsteuergesetz. Bij kleindochter gaat het om verliezen geleden vóór toetreding tot de
Organschaft(voorvoegingsverliezen). De bedrijfsactiviteiten van de Duitse dochter en kleindochter zijn steeds gewoon voortgezet.
Finangericht Hamburgheeft § 8c
Körperschaftsteuergesetzop 4 april 2011 in strijd verklaard met de Duitse grondwet. Dat oordeel is op 29 maart 2017 door het
Bundesverfassungsgerichtbevestigd. De Duitse wetgever werd verplicht om met terugwerkende kracht naar 1 januari 2008 een nieuwe regeling te treffen.
Marks & Spencer IIen wel in aftrek zouden zijn gekomen als de Duitse (klein)dochter zouden zijn opgenomen in een fiscale eenheid ex art. 15(1) Wet op de Vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb).
Rechtbank Noord-Hollandachtte het Nederlandse fiscale-eenheidsregime op het punt van horizontale verliesverrekening niet in strijd met de vrijheid van vestiging op grond van de in HvJ C-337/08,
X Holding, bedoelde noodzaak van evenwichtige verdeling van heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten. Bovendien zou het, ook als de Duitse (klein)dochter ingezeten was geweest, denkbaar zijn dat hun verliezen na een belangenwijziging niet meer voorwaarts verrekenbaar zouden zijn. Dat zou anders zijn bij definitieve verliezen, maar de rechtbank achtte de Duitse verliezen niet definitief omdat uit HvJ
Timac Agrovolgt dat de definitieve aard van verliezen niet kan voortvloeien uit het feit dat de lidstaat van de dochter voorwaartse verliesverrekening uitsluit.
Hof Amsterdamheeft geoordeeld dat horizontale verliesverrekening een wezenlijk aspect van fiscale consolidatie ex art. 15 Wet Pro Vpb is en daarom niet toepasbaar is los van die consolidatie, zodat er niet zonder meer afzonderlijk een beroep op kan worden gedaan, ook niet op basis van HvJ
Marks & Spencer II, nu dat arrest een verliesverrekeningssysteem betrof los van fiscale consolidatie. Ten overvloede meent het Hof dat de verliezen niet definitief zijn. Uit HvJ C-172/13
Commissie v. VK, volgt dat een verlies dat niet (meer) verrekenbaar is als gevolg van de wetgeving van de dochterstaat, geen definitief verlies is in de zin van HvJ
Marks & Spencer II. Bovendien heeft de belanghebbende in Duitsland niet al haar rechtsmiddelen gebruikt om het aldaar onverrekenbaar worden van de verliezen te voorkomen, hetgeen voor haar risico moet blijven omdat zij anders verliezen in een lidstaat naar keuze kan laten neerslaan.
in cassatiedat weigering van verrekening van de Duitse verliezen artt. 49 en 54 VwEU schendt omdat (i) uit HvJ
Groupe Stériaen C-398/16 en C-399/16,
X BV en X NV, volgt dat per element van de fiscale-eenheidsregeling moet worden bezien of zich een ongelijke behandeling voordoet en dat de regel van
Marks & Spencer II(definitieve dochterverliezen moeten geïmporteerd worden door de moederstaat als de moederstaat intern verlies
poolingtoepast) ook geldt voor een consolidatieregime zoals het Nederlandse, (ii) uit HvJ
Memira Holdingen
Holmende onjuistheid volgt van ‘s Hofs oordeel dat een verlies niet definitief is als de wetgeving van de dochterstaat verrekening uitsluit, en (iii) de belanghebbende niet kan worden tegengeworpen geen bezwaar en beroep te hebben ingesteld in Duitsland omdat haar (klein)dochter mocht vertrouwen op de
Verfassungsmäβigkeitvan de geldende Duitse belastingwet.
Staatssecretarisacht voorbehoud van resultaatconsolidatie aan ingezeten vennootschappen gerechtvaardigd en proportioneel. Hij onderschrijft ’s Hofs oordeel dat het HvJ geen onderscheid maakt tussen verliezen die nooit verrekenbaar zijn geweest en verliezen die aanvankelijk wel maar later niet meer verrekenbaar zijn. De arresten
Memira Holdingen
Holmenworden zijns inziens door de belanghebbende te ruim uitgelegd. Ook juist acht hij ’s Hofs oordeel dat pas aan mogelijke verrekening van buitenlandse verliezen toegekomen kan worden als alle beschikbare rechtsmiddelen in de verlieslidstaat zijn benut.
Marks & Spencer II. Met belanghebbendes beroep op vertrouwen op de Duitse wetgeving - over de
Verfassungsmäβigkeitwaarvan Nederland
überhauptgeen vertrouwen kán wekken - moet zij uiteraard niet in Nederland zijn, maar in Duitsland, waar haar (klein)dochter de formele rechtskracht van de Duitse beschikkingen over zich heeft afgeroepen. Ook het HvJ is heel duidelijk over de eigen verantwoordelijkheid van de justitiabele die verzuimt tijdig rechtstreeks beroep op de EU-rechter in te stellen: wie te laat ageert tegen een handeling van de EU-instellingen of in hoger beroep tegen een uitspraak van het Algemene EU-Gerecht, wordt in verband met de rechtszekerheid niet-ontvankelijk verklaard en verliest zijn eventuele EU-rechten.
Marks & Spencer II. Uit de HvJ-arresten
Krankenheim Ruhesitz,C-322/11,
K., Timac Agro, X Holdingen
Auresblijkt dat lidstaten niet verplicht zijn om hun belastingstelsels aan te passen aan eigenaardigheden van belastingstelsels van andere lidstaten, dus niet verplicht zijn om ten koste van eigen legitieme heffingsbevoegdheid belasting te restitueren om nadelen van buitenlandse wettelijke verliesverrekeningsbeperkingen te compenseren. Als de moederstaat geen heffingsjurisdictie heeft over de tegenover de buitenlandse-dochterverliezen staande buitenlandse-dochterwinsten, zou dat de fiscale coherentie tussen positieve en negatieve bestanddelen van de totale winst en de evenwichtige verdeling van heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten beschadigen en misbruik en
double dipsuitlokken.
Marks & Spencer IIeen uitzondering gemaakt voor ‘definitieve’ buitenlandse-dochterverliezen, maar hij heeft in latere rechtspraak, zoals de zaken C-172/13,
Commissie v. VKen C-123/11,
A Oy, die uitzondering beperkt tot gevallen waarin de moeder overtuigend aantoont dat de buitenlandse-dochterverliezen
nooitmeer verzilverbaar zullen zijn in de bronjurisdictie, direct of indirect, juridisch of feitelijk, in welke mate dan ook, al dan niet door een derde.
Bevolavolgt mijns inziens dat het HvJ zijn onjuiste
Marks & Spencer II-uitzondering toepast ongeacht het intragroeps-verliesverrekeningsmechanisme van de moederstaat, dus ook bij een fiscaal consolidatiestelsel zoals het Nederlandse. Uitgaande van de HvJ-rechtspraak komt het er dus op aan of de litigieuze verliezen ‘definitief’ zijn. Dat zijn zij mijns inziens niet. Het gaat niet om liquidatieverliezen, maar om een aandeelhouderswisseling die in Duitsland wettelijk bepaalde fiscale gevolgen heeft die zij in Nederland niet zou hebben, gegeven dat de bedrijfsactiviteiten zijn voortgezet (een dispariteit dus, vergelijkbaar met die in HvJ C-322/11
, K.). Het cassatieberoep is mijns inziens ook materieelrechtelijk ongegrond om drie, elk zelfdragende redenen: (i) anders dan in
Marks & Spencer II,
A Oy,
Memiraen
Holmenheeft belanghebbendes Duitse (klein)dochter haar bedrijfsactiviteiten niet gestaakt, maar ongestoord al haar economische activiteiten voortgezet, zodat niet voldaan is aan het in C-172/13,
Commissie v. VKen
Bevolagestelde criterium dat “het door een niet-ingezeten dochteronderneming geleden verlies slechts als definitief kan worden beschouwd indien deze onderneming geen inkomsten meer heeft in de lidstaat waar zij is gevestigd”, (ii) zelfs als dat anders zou zijn, heeft de belanghebbende niet aangetoond dat ondanks de aandeelhouderswisseling de litigieuze verliezen nooit meer benutbaar zouden zijn geweest, direct of indirect, juridisch of feitelijk, in welke mate dan ook,
door een derde; en (iii) de Duitse regeling is, net als de Franse in de zaak C-322/11
, K., beperkender dan die van de thuislidstaat (in casu art. 20a Wet Vpb, dat immers verliesverrekening na belangwijziging pas uitsluit als de bedrijfsactiviteiten gestaakt, verkleind of vervangen worden), voor welke dispariteit de thuislidstaat uiteraard niet hoeft op te draaien ten koste van zijn recht om belasting te heffen over winsten op zijn grondgebied behaald.
2.De feiten en het geschil
De feiten
Körperschaftsteuergesetz(KStG). Bij beschikking van 2 november 2015 heeft de Duitse fiscus bij dochter een verlies van € 17.741.851 niet meer voorwaarts verrekenbaar verklaard, waaronder ook verliezen geleden door kleindochter omdat kleindochter met ingang van 2000 tot een
Körperschaftsteuerliche Organschaftbehoort met dochter als
Organträger, uit hoofde waarvan de verliezen van kleindochter aan dochter worden toegerekend. De Duitse belastingdienst heeft verder bij beschikking van 31 maart 2015 de per ultimo 2011 ex § 8c KStG niet-verrekenbare verliezen van kleindochter vastgesteld op € 12.392.719. Deze verliezen zijn geleden vóórdat kleindochter onderdeel werd van de
Organschaft(voorvoegingsverliezen). Dochter en kleindochter hebben geen van beiden de Duitse belastingrechter geadieerd om deze verrekeningsuitsluitingsbeschikkingen te bestrijden, hoewel hen daartoe rechtsmiddelen open stonden.
Finanzgericht Hamburg§ 8c(1) KStG ongrondwettig verklaard. Hij overwoog, op 4 april 2011: [1]
Bundesverfassungsgerichtbevestigd dat § 8c Satz 1 KStG de Duitse grondwet schendt. Hij oordeelde:
Bundesregierungheeft in september 2018 naar aanleiding van dit arrest een wetswijziging voorgesteld om de ongrondwettigheid op te heffen.
X Holding,volgt dat het fiscale-eenheidsregime, in elk geval voor zover het verrekening van in een andere lidstaat tot uitdrukking gekomen verliezen uitsluit, de vrijheid van vestiging niet schendt. Het HvJ-arrest
Groupe Stérianoch HR
BNB2016/233 doen daaraan af. Anders dan in casu, betroffen die arresten niet de verdeling van heffingsbevoegdheid tussen lidstaten. Bovendien zou het ook bij een ingezeten (klein)dochter kunnen voorkomen dat de verliezen onder omstandigheden na een (indirecte) belangenwijziging niet meer voorwaarts verrekenbaar zijn (art. 20a Wet Vpb). Volgens de rechtbank kan niet worden aanvaard dat art. 49 jo Pro. 54 VwEU Nederland zou verplichten om Duitse verliezen in aftrek toe te staan, nu dat ertoe zou leiden dat de Duitse uitoefening van belastingbevoegdheid de Nederlandse fiscale autonomie zou beperken (zij verwijst naar HvJ
Masco Denmark ApS en Damixa Aps). Niettemin kan het in strijd met art. 49 VwEU Pro zijn om aftrek van verliezen van een niet-ingezeten dochter te weigeren als die verliezen definitief zijn in de zin van punt 55 van HvJ
Marks & Spencer II. Uit HvJ
Timac Agrovolgt echter dat de definitieve aard van verliezen niet kan voortvloeien uit het feit dat de dochterlidstaat voorwaartse verliesverrekening uitsluit. Nu § 8c KStG precies dat doet, staat volgens de rechtbank buiten twijfel dat de Duitse verliezen niet definitief zijn in de zin van
Marks & Spencer IIen daarmee niet verrekenbaar zijn in Nederland.
X BV en X NV,dat de per-elementbenadering van de fiscale eenheid niet het recht inhoudt om verliezen van een niet-onderworpen dochter te verrekenen met de belastbare winst van een Nederlands ingezeten moeder enkel omdat een dergelijk verlies in een geheel interne situatie zou worden verrekend binnen de fiscale eenheid. Horizontale verliesverrekening in een fiscale eenheid is namelijk een wezenlijk onderdeel van fiscale consolidatie en geen afzonderlijk element waarop zonder meer, los van een fiscale eenheid, beroep kan worden gedaan, ook intern niet.
Marks & Spencer IImaakt dat niet anders omdat dat arrest het Britse verliesverrekeningssysteem betrof dat, anders dan de Nederlandse fiscale eenheid, los staat van fiscale consolidatie van moeder en dochter.
Commissie v. VK, volgt volgens het Hof dat een dochterverlies dat niet (meer) verrekenbaar is als gevolg van wetgeving van de dochterstaat niet definitief is. Het HvJ maakte in zaak C-322/11,
K.,geen onderscheid tussen verliezen die in de wetgeving van de situsstaat nooit verrekenbaar waren en verliezen die aanvankelijk wel verrekenbaar waren maar later door wetsduiding onverrekenbaar werden. Zou de laatste soort verliezen wel geïmporteerd moeten worden door de woonstaat, dan zou die staat, in casu de moederstaat, geheel afhankelijk worden van de wetgeving van de situsstaat, in casu de dochterstaat. Dat dit voorkomen moet worden volgt naar ’s Hofs oordeel uit de r.o. 78 t/m 80 van HvJ C-322/11,
K.
Marks & Spencer IIaf dat alle rechtsmiddelen in de dochterstaat gebruikt moeten zijn voordat een verlies als definitief niet-verrekenbaar kan worden beschouwd. Dochter heeft echter geen beroep ingesteld tegen de afwijzing van haar bezwaar en kleindochter heeft
überhauptgeen rechtsmiddel gebruikt, hoewel op 4 april 2011, dus ruim vóór de aandeelhouderswisseling op 22 december 2011 al door het
Finanzgericht Hamburgwas geoordeeld dat § 8 KStG de Duitse grondwet schond en vóór die wissel ook al bekend was dat dit oordeel zou worden voorgelegd aan het
Bundesverfassungsgericht, terwijl de verrekeningsuitsluitingsbeschikkingen jegens dochter en kleindochter pas in 2015 zijn genomen. Het niet gebruiken van rechtsmiddelen moet voor rekening en risico van de belanghebbende blijven omdat zij anders verliezen kan laten neerslaan in lidstaten naar keuze, aldus het Hof.
3.Het geding in cassatie
Groupe Stériaen C-398/16 en 399/16,
X BV en X NV, blijkt dat per element van de fiscale-eenheidsregeling moet worden bezien of zich een ongelijke behandeling voordoet en uit HvJ
Bevolavolgt dat de
Marks & Spencer II-uitzondering voor definitieve buitenlandse-dochterverliezen ook geldt bij consolidatieregimes zoals de Nederlandse fiscale eenheid, (b) uit HvJ
Memira Holdingen
Holmende onjuistheid volgt van ’s Hofs oordeel dat een verlies niet definitief zou zijn als de wetgeving van de dochterstaat aan verrekening in de weg staat en (c) de belanghebbende niet kan worden tegengeworpen dat geen Duitse rechtsmiddelen zijn ingesteld: de legaliteits- en rechtzekerheidsbeginselen brengen mee dat belastingplichtigen moeten kunnen vertrouwen op de geldende wetgeving.
verweeronderschrijft de Staatssecretaris, ad middel (i)(a), ’s Hofs oordeel dat uit C-398/16 en 399/16,
X BV en X NV, duidelijk blijkt dat de per-elementbenadering in de Nederlandse context alleen ziet op andere belastingvoordelen dan verliesoverdracht binnen een fiscaal geïntegreerde groep. Hij acht HvJ
Bevolaniet relevant, afgezien van de expliciete herhaling van het oordeel in C-337/08
X Holding,waaruit zijns inziens volgt dat ook na
Bevolahet voorbehouden van winst- en verliesconsolidatie aan ingezeten vennootschappen gerechtvaardigd en proportioneel is.
Memira Holdingen
Holmenzijns inziens te ruim uit; in beide zaken viel de beperking van verliesverrekening in de dochterstaat samen met beëindiging van activiteiten in die lidstaat.
repliekstelt de belanghebbende dat zij geen verschil tussen het Nederlandse fiscale-eenheidsregime en het Britse
group reliefziet dat uitsluiting van verrekening van definitieve dochterverliezen zou rechtvaardigen in het Nederlandse systeem. Het ging in de zaken
X Holdingen
X BV en X NVniet om definitieve verliezen, zodat het HvJ geen oordeel hoefde te geven over de proportionaliteit van importweigering in geval van verliesverrekenings-uitputting in de dochterstaat. Uit deze arresten kan dus niet worden afgeleid dat bij toepassing van een fiscaal consolidatieregime niet meer ter zake zou doen dat de dochterverliezen al dan niet definitief zijn. De belanghebbende leidt uit
Bevolaaf dat het HvJ het niet eens was met de paragrafen 72 t/m 74 van de conclusie van A-G Kokott, en zij acht dat arrest hoogst relevant omdat het HvJ in dat arrest de zaken
X Holdingen
Marks & Spencer IIjuist aan elkaar koppelt. Uit r.o. 27 van HvJ
Memira Holdingvolgt volgens de belanghebbende dat het HvJ het bij de vraag of verliezen definitief zijn niet van belang acht of de activiteiten van de dochter daadwerkelijk zijn gestaakt.
4.De grote lijn
Marks & Spencer II. Zij had niet-verrekenbaarheid kunnen voorkomen, maar heeft ervoor gekozen dat niet te doen. Met haar beroep op vertrouwen op Duitse wetgeving - over de
Verfassungmäβigkeitwaarvan Nederland
überhauptgeen vertrouwen kán wekken - moet de belanghebbende uiteraard niet in Nederland zijn, maar in Duitsland, waar zij zelf de formele rechtskracht van de Duitse verliesbeschikkingen over zich heeft afgeroepen. Het HvJ is verder heel duidelijk over de eigen verantwoordelijkheid van de justitiabele die te laat rechtstreeks beroep op de EU-rechter instelt: wie verzuimt tijdig te ageren tegen een handeling van de EU-instellingen, zoals een mededingings- of staatssteunbeschikking van de Commissie, of in hoger beroep tegen een uitspraak van het Algemene EU-Gerecht, wordt niet-ontvankelijk verklaard en verliest zijn eventuele EU-rechten definitief.
Krankenheim Ruhesitz,C-322/11
K., Timac Agro, X Holdingen
Auresblijkt dat lidstaten niet verplicht zijn om hun belastingstelsels aan te passen aan eigenaardigheden van die van andere lidstaten, dus niet verplicht zijn om ten koste van eigen heffingsbevoegdheid over binnenlandse grondslag belasting te restitueren om nadelige gevolgen van buitenlandse wettelijke verliesverrekeningsbeperkingen te compenseren (zie met name de zaken C-322/11,
K.en
Krankenheim Ruhesitz). Als de moederstaat geen jurisdictie heeft over de tegenover die buitenlandse-dochterverliezen staande buitenlandse-dochterwinsten, zou dat immers evident de fiscale coherentie tussen positieve en negatieve bestanddelen van de totale winst en de evenwichtige verdeling van heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten beschadigen en misbruik en
double dipsuitlokken.
Marks & Spencer IIeen uitzondering gemaakt voor ‘definitieve’ buitenlandse-dochterverliezen en daarmee ten onrechte de moederstaat budgettair belast met aftrek van liquidatieverliezen van niet-onderworpen vennootschappen waarmee de moederjurisdictie niets te maken heeft, maar hij heeft in latere rechtspraak, zoals de zaken C-172/13,
Commissie v. VKen C-123/11,
A Oy, die uitzondering beperkt tot gevallen waarin de moeder aantoont dat de buitenlandse-dochterverliezen
nooitmeer verzilverbaar zullen zijn in de bronjurisdictie, direct of indirect, juridisch of feitelijk, in welke mate dan ook, al dan niet door een derde.
Bevolamet de belanghebbende dat het HvJ zijn
Marks & Spencer II-uitzondering toepast ongeacht het intragroeps-verliesverrekeningsmechanisme van de moederstaat, dus ook bij een fiscaal consolidatiestelsel zoals het Nederlandse, zodat het er om gaat of de litigieuze verliezen ‘definitief’ zijn, maar ik meen met de Staatssecretaris dat zij niet ‘definitief’ zijn. Het gaat immers niet om liquidatieverliezen - de Duitse dochter en kleindochter hebben ongestoord hun economische activiteiten voortgezet - , maar om een aandeelhouderswisseling die in Duitsland wettelijk bepaalde fiscale gevolgen heeft die zij in Nederland niet zou hebben omdat art. 20a Wet Vpb in de vergelijkbare interne situatie de verrekening niet zou uitsluiten (een dispariteit dus, vergelijkbaar met die in de zaak C-322/11,
K.). Ik acht daarom het cassatieberoep ook materieelrechtelijk ongegrond om drie, elk zelfdragende redenen: (i) anders dan in de zaken
Marks & Spencer II,
A Oy,
Memiraen
Holmenheeft belanghebbendes Duitse (klein)dochter haar bedrijfsactiviteiten niet gestaakt, maar ongestoord al haar economische activiteiten voortgezet, zodat niet voldaan is aan het in C-172/13,
Commissie v. VKen in
Bevolagestelde criterium dat “het door een niet-ingezeten dochteronderneming geleden verlies slechts als definitief kan worden beschouwd indien deze onderneming geen inkomsten meer heeft in de lidstaat waar zij is gevestigd”, (ii) zelfs als dat anders zou zijn, heeft de belanghebbende niet aangetoond dat ondanks de aandeelhouderswisseling de litigieuze verliezen nooit meer benutbaar zouden zijn geweest, direct of indirect, juridisch of feitelijk, in welke mate dan ook,
door een derde; en (iii) de Duitse regeling is, net als de Franse in de zaak C-322/11
, K., veel beperkender dan die van de thuislidstaat (in casu art. 20a Wet Vpb, dat immers verliesverrekening na belangwijziging pas uitsluit als de bedrijfsactiviteiten gestaakt, verkleind of vervangen worden), voor welke dispariteit de thuislidstaat uiteraard niet hoeft op te draaien ten koste van zijn recht om belasting te heffen over winsten op zijn grondgebied behaald; in de zaak
K.hoefde Finland, waar intern verliesverrekening wél mogelijk was, uiteraard niet op te draaien voor vervelende gevolgen van een Franse vermogensverliesverrekeningsbeperking, gegeven dat Finland evenmin enige fiscale jurisdictie had over Franse vermogenswinsten.
Middelonderdeel (i)(a): per-elementbenadering van de fiscale eenheid en definitieve buitenlandse-dochterverliezen
niet-onderworpen inkomen en fiscaal
niet-onderworpen personen. Het HvJ achtte in de zaak
Marks & Spencer II [4] desondanks
niet-onderworpen rechtspersonen fiscaal objectief vergelijkbaar met onderworpen rechtspersonen, hoewel hij in onder meer de zaken
Schumacker [5] en
De Groot [6] zelfs binnenlands en buitenlands belastingplichtigen
nietvergelijkbaar achtte (dus evenzeer ten onrechte voor zover zij wél onderworpen zijn). Hij deed dat kennelijk om aan een evenredigheidsbeoordeling toe te komen - dat lukt immers alleen als eerst een discriminatie wordt geconstrueerd - en om het vervolgens ‘onevenredig’ te kunnen achten dat
niet-onderworpen buitenlandse verliezen van een
niet-onderworpen buitenlandse rechtspersoon definitief verloren gaan in dat buitenland, waar de moederstaat geen jurisdictie heeft. Het Britse concern
Marks & Spencerwilde met een beroep op de EU-vestigingsvrijheid verliezen van niet-onderworpen dochters gevestigd in andere lidstaten verrekenen met winsten van ingezeten concernvennootschappen, alsof het om ingezeten dochters zou gaan, die wél in aanmerking kwamen voor de Britse
group relief. Het VK weigerde dat uiteraard. Het HvJ zag daarin een discriminatie, maar achtte die gerechtvaardigd door de noodzaken van (i) evenwichtige verdeling van heffingsbevoegdheid tussen lidstaten, (ii) voorkoming van
double dipsen (iii) misbruikbestrijding,
behalvevoor zover het ging om buitenlandse-dochterverliezen die in de dochterstaat
nooitmeer verrekend zouden kunnen worden. In zoverre ontzegde het HvJ de moederstaat de bevoegdheid om belasting te heffen over winsten op zijn grondgebied behaald door ingezeten vennootschappen:
ergensin een andere lidstaat geleden verlies
nergensin de interne markt verrekenbaar zou zijn. Dat is zowel een denkfout (immers: (i) ook in puur interne situaties kan een dochterliquidatieverlies heel wel voorgoed verdampen, bijvoorbeeld als ook de moeder verlies maakt en daar niet meer uit komt, en (ii) niet valt in te zien waarom een met verlies stakend warenhuis dat toevallig een buitenlandse moeder met winst heeft, gunstiger behandeld zou moeten worden dan een volstrekt identiek met verlies stakend warenhuis dat geen moeder heeft) als een bevoegdheidsoverschrijding, want ‘altijd-ergens’ is grondslagallocatie en dus wetgeving, waartoe het HvJ niet bevoegd is: hij is niet bevoegd om moederstaten die expliciet en symmetrisch
niethebben gekozen voor extraterritoriale jurisdictie-uitoefening te dwingen om hun fiscale jurisdictie extraterritoriaal én asymmetrisch – alleen voor verliezen – uit te oefenen ter zake van negatieve grondslag die hoegenaamd niets met de jurisdictie van die moederlidstaat te maken heeft. [7]
niet-onderworpen inkomen en personen vanuit fiscaal oogpunt - uiteraard - objectief
nietvergelijkbaar zijn, zoals met name in de zaken
Timac Agro, r.o. 65, en
Aures, r.o. 41 (zie 5.12 en 5.15 hieronder).
Marks & Spencer II, dat ondanks oproepen daartoe in de literatuur en van met name zijn A-G Kokott [8] door het HvJ niet wordt opgeruimd. Van dat arrest uitgaande, zijn wij ook in casu gedwongen om (i) een niet-bestaande discriminatie aan te nemen en (ii) daarvoor vervolgens uiteraard vele rechtvaardigingen te zien, zoals de noodzaak van fiscale coherentie tussen winstbelasting en verliesaftrek (die het HvJ juist in gevaar brengt, het duidelijkst in zijn onjuiste
Bosal-rechtspraak [9] ), de voorkoming van het risico van misbruik (welk risico het HvJ juist schept) en de handhaving van de evenwichtige verdeling van heffingsbevoegdheid tussen lidstaten (die niet in gevaar was totdat het HvJ haar in gevaar bracht), om het tenslotte (iii) ‘onevenredig’ te vinden dat
niet-onderworpen ‘definitieve’ verliezen van
niet-onderworpen dochters, wier winst in Nederland dus nooit belast is geweest, verloren gaan in een of andere buitenlandse jurisdictie.
Marks & Spencer II. Anders dan het Hof Amsterdam, meen ik dat er - uitgaande van
Marks & Spencer II- niet aan valt te ontkomen om de
Marks & Spencer II-uitzondering ook van toepassing te achten op gevallen waarin de moederstaat, zoals Nederland, een fiscaal consolidatiestelsel toepast in plaats van
group reliefzoals het VK in de zaak
Marks & Spencer II. In de ‘altijd-ergens’-benadering van het HvJ maakt het immers niet uit via welk mechanisme verliezen van concernvennootschappen in interne situaties horizontaal worden verrekend met winsten van andere concernvennootschappen. Welk mechanisme daartoe intern ook wordt toegepast, uit
Marks & Spencer IIvolgt dat het HvJ vindt dat het ook toegepast moet worden op niet-onderworpen ‘definitieve’ verliezen van een niet-onderworpen dochter in een andere lidstaat, omdat het ‘onevenredig’ zou zijn om dat definitieve buitenlandse verlies in zijn bronjurisdictie te laten.
Marks & Spencer IIbetekent (daarover gaat middelonderdeel (i)(b)), behandel ik ’s Hofs rechtspraak waaruit blijkt dat de EU-verkeersvrijheden de lidstaten niet verplichten om de gevolgen van beperkende regelingen in andere lidstaten (zoals verliesverrekenings-beperkingen of kortere beroepstermijnen) op te vangen en dat de lidstaten horizontale verliesverrekening en fiscale eliminatie van intragroepstransacties mogen voorbehouden aan onderworpen groepsvennootschappen,
behalve(mogelijk) als het gaat om ‘definitieve’ buitenlandse-dochterverliezen.
Krankenheim Ruhesitz [10] betrof een Duitse vennootschap die van 1982 tot 1994 een vaste inrichting in Oostenrijk had die tot eind 1990 verlies maakte en daarna winst. De v.i. werd in 1994 verkocht aan een derde. De verliezen 1982-1990 waren in Duitsland in mindering gekomen op de wereldwinst. De daarop volgende v.i.-winsten 1991-1994 werden daarom in Duitsland belast totdat de eerder afgetrokken verliezen waren ingelopen (inhaalregeling). In Oostenrijk konden de verliezen niet worden voortgewenteld, zodat aldaar onverkort belasting moest worden betaald over de v.i.-winsten en de verkoopwinst. Krankenheim Ruhesitz verzette zich tegen de Duitse inhaalregeling, die de eerdere aftrek van Oostenrijkse verliezen ongedaan maakte en de v.i.-verliezen dus terugstuurde naar hun oorsprongjurisdictie. Het HvJ zag in die inhaal weliswaar een discriminatie (evident ten onrechte: in een puur interne situatie zou immers exact hetzelfde gebeurd zijn [11] ), maar achtte haar gerechtvaardigd door de noodzaak om de samenhang van de Duitse fiscale regeling te garanderen. Hij overwoog expliciet dat een lidstaat niet verplicht is zijn belastingregeling af te stemmen op die van een andere lidstaat om te waarborgen dat grensoverschrijding fiscaal neutraal zou zijn en dat grensoverschrijding nu eenmaal tot gevolg kan hebben dat de wetgeving in de andere lidstaat ongunstiger is dan thuis:
K., [12] zegt hetzelfde: als buitenlandse winst niet wordt belast door het woonland, hoeft dat woonland evenmin buitenlands verlies te importeren: het woonland hoeft uiteraard niet de negatieve gevolgen te dragen van regelgeving van een bronstaat
.De zaak betrof een inwoner van Finland die zijn tweede huis in Frankrijk met verlies had verkocht en dat verlies in Finland wilde aftrekken van zijn in Finland behaalde vermogenswinst op aandelen. Inkomen uit onroerend goed werd door het toepasselijke belastingverdrag uiteraard exclusief toegewezen aan het land van ligging (Frankrijk). In Frankrijk was het niet mogelijk om vermogensverliezen te verrekenen met vermogenswinsten. Het HvJ achtte de Finse regeling – mijns inziens ten onrechte – discriminatoir, maar ook gerechtvaardigd (want symmetrisch en evenwichtig) en proportioneel, daarbij wezenlijk overwegende dat het om een dispariteit ging (en dus
nietom een discriminatie, maar ja), nu binnenlandse vermogensverliezen niet-aftrekbaar waren in Frankrijk en wel aftrekbaar waren in Finland:
Masco Denmark Aps en Damixa Aps [13] betrof de Deense belastingvrijstelling voor ontvangen rente die op grond van de Deense onderkapitalisatieregels niet aftrekbaar is bij de betaler. Een Deense vennootschap wenste ook vrijstelling van rente die zij had ontvangen op een lening aan haar Duitse dochter die in Duitsland niet-aftrekbaar was op grond van de Duitse onderkapitalisatieregels. ’s Hofs A-G Kokott zag geen belemmering van de vestigings-vrijheid omdat het volgens haar om een dispariteit ging, nu de dubbele heffing over de rente niet alleen aan de Deense regeling lag, maar aan de interactie met de Duitse onder-kapitalisatieregels. Aan een rechtvaardiging bestond haars inziens dus geen behoefte: [14]
conditio sine qua nondat in het buitenlandse Duitse belastingrecht, dat op haar dochteronderneming van toepassing is, een verbod op renteaftrek bestaat. Zonder deze regeling, waarvoor een andere lidstaat verantwoordelijk is, zou er echter geen sprake zijn van een benadeling van grensoverschrijdende situaties ten opzichte van binnenlandse situaties. Zonder het door een andere lidstaat geregelde verbod op renteaftrek zou de buitenlandse dochteronderneming de rentebetalingen aan haar moedermaatschappij Damixa namelijk zoals gewoonlijk als bedrijfskosten kunnen opvoeren (…). Moedermaatschappijen, wier dochters rentebetalingen kunnen aftrekken als bedrijfskosten, hebben volgens de Deense belastingregeling die in casu aan de orde is echter geen recht op belastingvrijstelling van de overeenstemmende renteopbrengsten, ongeacht of hun dochteronderneming in het binnen-dan wel in het buitenland is gevestigd.
Marks & Spencer IIaan een evenredigheids-beoordeling wilde kunnen toekomen. Hij achtte de discriminatie namelijk gerechtvaardigd in verband met de noodzaak van evenwichtige verdeling van heffingsbevoegdheid, maar bestempelde de regeling als onevenredig omdat zijns inziens Denemarken had moeten nagaan in hoeverre de rente onaftrekbaar en vrijgesteld zou zijn geweest als de Duitse dochter in Denemarken was gevestigd, er dus aan voorbij gaande dat die Duitse dochter
nietin Denemarken was gevestigd en daar dus ook
nietbelast was voor de - als gevolg van aftrekweigering - hogere winst. Hij zag het geval als een geval van economische dubbele belasting en sloot daarom aan bij zijn rechtspraak over economische dubbele belasting van uitgedeelde vennootschapswinsten: [24] als een lidstaat economische dubbele belasting op ontvangen binnenlandse onaftrekbare intragroepsrente voorkomt, moet hij dat ook doen bij vergelijkbare inkomende onaftrekbare intragroepsrente:
Timac Agro [25] betrof onder meer de Duitse objectvrijstelling voor buitenlandse v.i.-resultaten. Het HvJ achtte niet-onderworpen v.i.’s objectief niet-vergelijkbaar met onderworpen binnenlandse vestigingen. De zaak betrof een Duitse vennootschap met een vaste inrichting in Oostenrijk, die op 31 augustus 2005 was overgedragen aan een Oostenrijkse concernvennootschap. De v.i. had in alle jaren behalve 2000 tot 2005 verliezen geleden. Voor een deel van de verliesjaren gold een inhaalregeling die door de gelieerde overdracht werd geactiveerd, en voor een ander deel gold een objectvrijstelling, dus
überhauptgeen verliesaftrek in Duitsland. In overeenstemming met
Krankenheim Ruhesitzachtte het HvJ de inhaalregeling – ten onrechte dus – discriminerend, maar gerechtvaardigd en proportioneel. De objectvrijstelling daarentegen achtte hij terecht
überhauptniet discriminerend omdat onderworpen v.i.’s en niet-onderworpen v.i.’s objectief niet vergelijkbaar zijn, zodat geen rechtvaardiging nodig was voor de Duitse weigering van import van Oostenrijkse verliezen. Het HvJ week daarbij af van zijn eerdere arrest
Lidl Belgium, [26] waarin hij nog – ten onrechte - had geoordeeld dat objectvrijstelling wél discriminerend zou zijn, zij het gerechtvaardigd en proportioneel. Het HvJ overwoog over de voor ons geval relevante objectvrijstelling als volgt:
X Holding, [27] betrof een Nederlandse vennootschap en haar 100% Belgische dochter die hadden verzocht om een fiscale eenheid ex art. 15 Wet Pro Vpb, hetgeen de inspecteur had geweigerd. Het HvJ achtte merkwaardigerwijs de situatie van een ingezeten moeder die met een ingezeten dochter een fiscale eenheid wil vormen, op basis van het doel van de regeling (horizontale intragroepsverliesverrekening en fiscale uitschakeling van intragroepstransacties) objectief vergelijkbaar met de situatie van een ingezeten moeder die een niet-ingezeten dochter wil voegen “voor zover beide in aanmerking willen komen voor de voordelen van deze regeling.” Ik acht deze overweging onbegrijpelijk. Het doel van een specifieke belastingregeling kan alleen relevant zijn als
enigevorm van onderworpenheid aan het belastingstelsel bestaat waarbinnen die specifieke regeling haar doel zou moeten bereiken. In geval van
volledige niet-onderworpenheid aan een belastingstelsel,
kanenig specifiek onderdeel van dat stelsel uiteraard geen doel hebben. Dat een niet-onderworpen persoon A in aanmerking wil komen voor fiscale consolidatie waar hij uiteraard niet voor in aanmerking komt omdat hij
überhauptniet onderworpen is, op geen enkele manier en in geen enkele mate, aan het stelsel
waarbinnenonderworpenen geconsolideerd kunnen worden, maakt hem fiscaal uiteraard objectief
nietvergelijkbaar met de wél volledig aan dat stelsel onderworpen persoon B, zoals het HvJ terecht oordeelde in
Timac Agro(zie 5.12 hierboven) en
Aures(zie 5.15 hieronder), daarmee zowel
Marks & Spencer IIals
X Holdingtegensprekende. Omdat het HvJ ten onrechte een discriminatie zag, dwong hij zichzelf een rechtvaardiging te zien, die hij vond in … de niet-onderworpenheid van de niet-ingezeten dochter (dus in de
niet-vergelijkbaarheid):
onderworpenvennootschappen; zonder onderworpenheid immers geen ‘winst en verlies’]
Jurispr.blz. I-6373, punt 38).
Jurispr.blz. 273, punt 18, en arrest Marks & Spencer, reeds aangehaald, punt 37). [Commentaar PJW: irrelevante vennootschapsrechtelijke overweging die het fiscaalrechtelijke punt mist: het gaat niet om
vestigingsplaats, maar om
onderworpenheid: ook binnenlandse v.i.’s van
niet-ingezeten concernvennootschappen kunnen dan ook gevoegd worden.]
niethoeven aan te passen)]
Jurispr.blz. I-3601, punt 31).
Marks & Spencer IIen
X Holdingdie objectieve onvergelijkbaarheid pas bij rechtvaardigingsvraag relevant geacht in plaats van meteen bij de discriminatievraag (ik laat voetnoten weg): [28]
X Holding, only
onejustification was left of the three which were taken together in
M&S II, but that single justification was sufficient: a balanced allocation of taxing power could justify the restriction of fiscal consolidation to one jurisdiction. In the authors’ view: not three, or two, or even one single justification was needed, as subject-to-tax is not comparable to not subject-to-tax. That is what the Court seems to say, in point 38 and in the operative part of
X Holding. See sections 17.3 and 17.4.2.’’
Aures [29] had het HvJ het wél bij het rechte eind: een niet-onderworpen lichaam is vanuit het doel van belastingheffing bezien objectief
nietvergelijkbaar met een onderworpen lichaam.
Auresbetrof een naar Nederlands recht opgerichte vennootschap die in 2007 verlies had geleden. In 2008 opende zij een vaste inrichting in Tsjechië en in 2009 verplaatste zij haar feitelijke leiding en al haar activiteiten - en daarmee haar fiscale woonplaats - naar Tsjechië. Zij wilde het in 2007 geleden Nederlandse verlies in mindering brengen op haar Tsjechische winst 2012. Het HvJ achtte de Nederlandse v.i.-verliezen objectief onvergelijkbaar met Tsjechische v.i.-verliezen omdat de Nederlandse v.i. niet was onderworpen aan Tsjechische heffingsjurisdictie:
Timac Agro, expliciet dat onderworpen inkomen (‘onder de fiscale bevoegdheid’) en
niet-onderworpen inkomen (‘gebrek aan fiscale bevoegdheid’) fiscaal
nietobjectief vergelijkbaar zijn. Waarom het HvJ dat in andere arresten, zoals
Marks & Spencer IIen
X Holding, even expliciet maar onterecht ontkent, blijft onopgehelderd. Ook onopgehelderd blijft hoe nationale fiscaal deskundige rechters uit de voeten moeten kunnen met zulke inconsistentie rechtspraak.
X BV en X NV, [30] betroffen een renteaftrekbeperking ex art. 10a Wet Vpb respectievelijk een onaftrekbaar (want vrijgesteld) valutaverlies op een deelneming die volgens de belanghebbenden in de vergelijkbare interne situatie vermeden hadden kunnen worden door een fiscale eenheid aan te gaan.
X BVbetrof een storting in een Italiaanse dochter gefinancierd met een lening van een Zweedse moeder waarop X BV de rente wilde aftrekken; een besmette handeling dus in de zin van art. 10a Wet Vpb. X BV stelde dat de renteaftrek niet zou zijn beperkt als zij haar Italiaanse dochter had kunnen voegen.
X NVbetrof een ex art. 13 Wet Pro Vpb objectief vrijgesteld valutaverlies op een middellijk gehouden buitenlandse deelneming dat volgens X NV wél aftrekbaar was geweest als zij die deelneming had kunnen voegen omdat alsdan de deelneming niet zichtbaar zou zijn geweest. Volgens het HvJ stond in de zaak
X NVde vestigingsvrijheid niet in de weg aan aftrekweigering van een valutaverlies op een niet-voegbare, niet-onderworpen, niet-ingezeten deelneming omdat die vrijheid een lidstaat niet verplicht om zijn heffingsjurisdictie asymmetrisch uit te oefenen om negatieve resultaten in aftrek toe te laten op verrichtingen waarop eventuele
positieveresultaten vrijgesteld zijn. Geheel correct, lijkt mij, maar mij ontgaat opnieuw waarom het HvJ dan ten onrechte iets heel anders zegt - zoals in
Marks & Spencer II- als niet alleen het buitenlandse
resultaatis vrijgesteld (objectief niet is onderworpen) maar zelfs de hele buitenlandse
persoonniet is onderworpen (dus zelfs
subjectiefniet eens is onderworpen). In de andere gevoegde zaak,
X BV, achtte het HvJ de renteaftrekbeperking wél discriminerend omdat zij binnenslands vermeden kon worden door een fiscale eenheid aan te gaan, welk verschil hij niet gerechtvaardigd achtte omdat hij ten onrechte dacht dat vergelijkbare grondslagerosie zich ook binnenslands zou voordoen en dat Nederland dat (niet-bestaande binnenlandse) misbruik wél zou laten lopen. Hij overwoog:
SGI, [31] waarin aftrek van uitgaande betalingen evenzeer alleen in grensoverschrijdende gevallen werd beperkt, hetgeen hij in die zaak terecht wél gerechtvaardigd achtte uit antimisbruikoverwegingen omdat de te bestrijden grondslagerosie zich nu eenmaal alleen bij uitgaande betalingen kan voordoen. Ook ’s Hofs arrest in de zaak
X NVis dus onjuist bij gebrek aan feitelijke grondslag, zoals eerder uitgebreider uiteengezet in de conclusie voor uw eindarrest HR BNB 2019/17 [32] in die zaak.
i.e.horizontale verliesverrekening en fiscale eliminatie van intragroepstransacties. Het voorbehouden van die wezenlijke elementen aan alleen onderworpen groepsvennootschappen is in
X Holdingen C-398/16 en 399/16,
X BV en X NV, immers als zowel gerechtvaardigd als proportioneel afgezegend door het HvJ.
Marks & Spencer IIuitgeschakeld zou zijn voor ‘definitieve’ buitenlandse-dochterverliezen als de moederlidstaat een consolidatieregime toepast in plaats van
group reliefzoals in
Marks & Spencer II. De zaken
X Holdingen C-398/16 en 399/16,
X BV en X NV, gaan immers niet over definitieve buitenlandse-dochterverliezen en die arresten bieden dus geen steun aan de opvatting dat het HvJ zijn
Marks & Spencer II-uitzondering voor definitieve buitenlandse-dochterverliezen ingetrokken zou hebben. Uit de zaak
Bevola(zie 5.20 hieronder) en het gegeven dat hij de oproep tot intrekking van die uitzondering door zijn A-G Kokott in onder meer de zaak C-172/13,
Commissie v VK, heeft genegeerd, valt helaas veeleer af te leiden dat hij die uitzondering niet intrekt, maar integendeel probeert haar te voorzien van een juridische basis. Dat is mijns inziens overigens evident gedoemd te mislukken omdat het VEU en het VwEU het HvJ duidelijk
nietbevoegd maken om lidstaten te dwingen tot asymmetrische extraterritoriale uitoefening van heffingsjurisdictie. Het HvJ werkt zich mijns inziens alleen maar verder in de inconsistente nesten. Het stellen van dergelijke ‘altijd-ergens’-regels is immers evident geen rechtspraak, maar wetgeving, waarvan de
asymmetrische en
onevenwichtige strekking met zekerheid nooit door de Raad van de EU zou worden aanvaard.
Bevola [33] betrof een Deense vennootschap met een verlieslatende vaste inrichting in Finland die in 2009 werd gesloten. Het resterende v.i.-verlies kon na de sluiting niet meer in Finland worden verrekend. Het Deense hoofdhuis wilde het resterende Finse v.i-verlies verrekenen met zijn Deense winst. De Deense fiscus wees dat af omdat de belastingplichtige niet had gekozen voor een internationale gezamenlijke aanslag en de
default modedan objectvrijstelling was. In tegenspraak met
Timac Agro(zie 5.12 hierboven) achtte het HvJ de niet-onderworpen v.i. (objectvrijstelling immers) opeens weer wél objectief vergelijkbaar met een onderworpen binnenlands filiaal, kennelijk opnieuw om – net als in
Marks & Spencer IIen
Masco Denmark– aan een evenredigheidsbeoordeling te kunnen toekomen. Uiteraard achtte hij – net als in
Marks & Spencer II- de aftrekweigering op zichzelf gerechtvaardigd uit een oogpunt van evenwichtige verdeling van heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten, de noodzaak van symmetrie tussen belastingheffing over winsten en aftrek van verliezen binnen één jurisdictie, en de noodzaak om
double dipste voorkomen, maar – net als in
Marks & Spencer II– achtte hij het ‘onevenredig’ om ook ‘definitieve’ verliezen van aftrek in de hoofdhuisstaat uit te sluiten:
volledige niet-onderworpenheid aan een belastingstelsel,
kanenig bepaald onderdeel van dat stelsel geen doel hebben].
nietgelijk aan
wel?]
carry forwardvan verliezen zou kennen, hetgeen niet het geval is]
altijd ergens: ook definitieve buitenlandse v.i.-verliezen
moetenvolgens het HvJ altijd
ergensaftrekbaar zijn, is het niet in de goede, dan maar in de verkeerde jurisdictie, net zoals in
Marks & Spencer IIbij definitieve buitenlandse-dochterverliezen. De vraag rijst waarheen het HvJ de verliezen gaat heralloceren als ook het hoofdhuis c.q. de moeder onder water staat en daar niet meer bovenop komt; naar de Verenigde Staten, als dáár toevallig nog een hoofd-hoofdhuis of een grootmoeder met winst zit?
group relief, een
Ergebnisabführungsvertragof
intégration fiscale- niet ter zake doet voor ’s Hofs eis dat definitieve verliezen
ergensverrekend worden. Ook
Bevolabetrof immers een consolidatieregime zoals het Nederlandse, en niet een
group relief-achtig stelsel zoals in de zaak
Marks en Spencer II.
Commissie v. VK, geciteerd in 6.3 hieronder) dat “het door een niet-ingezeten dochteronderneming geleden verlies slechts als definitief kan worden beschouwd indien deze onderneming geen inkomsten meer heeft in de lidstaat waar zij is gevestigd” (zie r.o. 63).
NTFR2018/1780) meent dat het HvJ in
Bevolaheeft geprobeerd om de ‘dogmatisch problematische’
Marks & Spencer II-uitzondering een fundament te geven:
Bevolamerkt het HvJ op dat
Timac Agroniet in die zin mag worden begrepen ‘dat wanneer de nationale belastingwetgeving twee situaties op verschillende wijze behandelt, deze situaties niet als vergelijkbaar kunnen worden aangemerkt’ en ‘dat de toepassing van een verschillende belastingregeling op een ingezeten vennootschap naargelang deze een ingezeten vaste inrichting dan wel een niet-ingezeten vaste inrichting bezit, geen geldig criterium ter beoordeling van de objectieve vergelijkbaarheid van de situaties kan vormen. (…) Indien een lidstaat in alle gevallen een verschillende behandeling zou mogen toepassen om de enkele reden dat de vaste inrichting van een ingezeten vennootschap in een andere lidstaat is gelegen, zou daarmee aan artikel 49 VWEU Pro elke inhoud worden ontnomen’. Het lijkt mij een waarheid als een koe dat een lidstaat niet naar hartenlust met verschillende behandelingen mag strooien maar het mist naar mijn mening de kern van
Timac Agro(een zuivere objectvrijstelling leidt tot objectieve onvergelijkbaarheid).
Marks & Spencer II-uitzondering daarop ook geldt bij consolidatieregimes zoals de Nederlandse fiscale eenheid. Welk intraconcern verliesverrekeningsmechanisme een lidstaat toepast, doet voor die uitzondering niet ter zake. Als definitieve verliezen van een opgedoekt(e) binnenlands(e) dochter/filiaal elders in het concern/de onderneming aftrekbaar zijn, dan moeten ook niet-onderworpen definitieve verliezen van niet-onderworpen/niet-ingezeten buitenlandse v.i.’s/dochters in aftrek toegelaten worden in de hoofdhuis/moederjurisdictie, ook al hebben zij daar niets te zoeken.
Marks & Spencer IIbetekent en of de verliezen van belanghebbendes (klein)dochter die kwalificatie krijgen.
Middelonderdeel (i)(b): zijn de litigieuze Duitse (klein)dochterverliezen ‘definitief’?
Commissie v. VK, volgt dat een buitenlandse-dochterverlies dat niet (langer) verrekenbaar is door wetgeving van de dochterstaat, in casu Duitsland, geen ‘definitief’ verlies is in de zin van
Marks & Spencer II.
EC vs VK, C-172/13, heeft het HvJ (…) overwogen:
Commissie v. VK, [34] betrof de wijzigingen die het VK in zijn
group reliefstelsel had ingevoerd om te voldoen aan de
Marks & Spencer II-uitzondering voor definitieve buitenlandse-dochterverliezen. Naar aanleiding van klachten van Britse groepen betoogde de Commissie in een infractieprocedure tegen het VK dat de Britse voorwaarden voor
group reliefter zake van definitieve buitenlandse-dochterverliezen zó bezwarend waren, dat het voor Britse concerns met EU-vastelandse dochters uiterst moeilijk of nagenoeg onmogelijk was om hun EU-recht op verrekening daarvan te realiseren. Dat vond het HvJ echter niet. Hij bevestigde dat dochterverliezen die verdampen door lokale wetsduiding niet definitief zijn én dat dochterverliezen alleen definitief kunnen zijn als de dochter géén inkomsten meer zal hebben in de lidstaat waar zij is/was gevestigd:
Krankenheim Ruhesitzen C-322/11,
K.: als de bronlidstaat soeverein besluit om de aan zijn heffingsjurisdictie onderworpen personen geen verliesoverbrenging te gunnen naar andere jaren of andere personen, dan kunnen die personen uiteraard niet van een andere lidstaat eisen dat die andere lidstaat, die met de bronstaatwetgeving niets te maken heeft en er geen enkele invloed op heeft, hen ten koste van zijn eigen belastinggrondslag en van zijn eigen soevereiniteit wél de verliesoverbrenging geeft die de bronstaat hen soeverein weigert. Zoals het HvJ expliciet overwoog in onder meer
Krankenheim Ruhesitzen C-322/11,
K.: de lidstaten hoeven niet anderstaatse fiscale eigenaardigheden te compenseren om grensoverschrijding met voorbijgaan aan hun fiscale soevereiniteit fiscaal neutraal te maken. De verkeersvrijheden zijn niet gewassen tegen dispariteiten. Het VwEU geeft ook geen enkele aanwijzing welke lidstaat dan zou moeten compenseren voor welke fiscale eigenaardigheden van welke andere lidstaat. Dat is wetgeving, waartoe een rechter niet bevoegd is.
Memira Holdingen
Holmen.
Memira Holding [35] betrof de Zweedse verliesregeling bij fusies. Het Zweedse
Memirahad aandelen in een Duitse dochter die verliezen had geleden en wier activiteiten waren stopgezet. Memira wilde de Duitse dochter door een grensoverschrijdende fusie opslokken om haar verliezen te kunnen gebruiken. In Duitsland zou geen enkele activiteit resteren. Naar Duits belastingrecht was bij fusies verliesoverdracht naar een andere Duitse belastingplichtige uitgesloten. Het Zweedse recht liet verliesoverdracht bij fusies wel toe, maar alleen bij bepaalde fusies, waarbij de verdwijnende vennootschap in Zweden belastbare inkomsten moest hebben, hetgeen niet het geval was. ’s Hofs A-G Kokott maakte in haar conclusie onderscheid tussen verliezen die rechtens nog verrekenbaar zijn en verliezen die rechtens niet meer verrekenbaar zijn. De laatste soort verliezen is volgens haar op grond van de fiscale autonomie van de lidstaten nooit ‘definitief’ in de zin van
Marks & Spencer II:
definitieve verliezenzou het onevenredig zijn wanneer de lidstaat van de moedermaatschappij verliesverrekening zou weigeren, ondanks het feit dat de buitenlandse dochteronderneming alle mogelijkheden van verliesverrekening heeft uitgeput en er geen mogelijkheid bestaat dat dit verlies nog op enigerlei wijze kan worden verrekend. Het staat aan de belastingplichtige om dit aan te tonen. [37] Met enkel de vereffening na een fusie zou evenwel niet kunnen worden aangetoond dat er geen enkele mogelijkheid bestaat tot verrekening van het verlies dat de dochteronderneming in haar staat van vestiging heeft geleden. [38]
Originalspracheluiden de paragrafen 54 e.v. als volgt (ik laat voetnoten nu weg):
Marks & Spencerhave been met, the losses would not be characterised as final if there is a possibility of deducting those losses economically by transferring them to a third party.
A, C 123/11, EU:C:2013:84, paragraph 52 et seq., and judgment delivered today,
Holmen,C-608/17, paragraph 38).
Marks & Spencer, the fact that the subsidiary’s Member State of establishment does not allow the losses of one company to be transferred, in the event of a merger, to another company liable for corporation tax, whereas such a transfer is provided for by the Member State in which the parent company is established in the event of a merger between resident companies, is not decisive, unless the parent company demonstrates that it is impossible for it to deduct those losses by ensuring, in particular by means of a sale, that they are fiscally taken into account by a third party for future tax periods.
feitelijkvoorgoed onmogelijk moet zijn, dus niet alleen bij de dochter zelf, maar ook via een derde. Expliciet herhaalt het HvJ dat ook aan alle andere voorwaarden van punt 55 van
Marks & Spencer IIvoldaan moet zijn, dus ook aan het expliciet in r.o. 36 van C-172/13,
Commissie v. VK(zie 6.3 hierboven) en in r.o. 63 van
Bevola(zie 5.20 hierboven) gestelde criterium dat “het door een niet-ingezeten dochteronderneming geleden verlies slechts als definitief kan worden beschouwd indien deze onderneming geen inkomsten meer heeft in de lidstaat waar zij is gevestigd”. Het HvJ hoefde daaraan in
Memiraverder geen aandacht te besteden omdat al vast stond dat geen winst meer genoten zou worden in de dochterstaat, waar immers geen enkele activiteit resteerde. Hoewel dus al vast stond dat dochter zelf
feitelijknooit meer zou kunnen verrekenen, was volgens het HvJ nog niet voldaan aan de
Marks & Spencer II-criteria, omdat niet óók overtuigend aangetoond was dat feitelijk ook
bij een derdeelke vorm van benutting uitgesloten was.
Memirais dus juist een beperking van de
Marks & Spencer II-uitzondering in plaats van een uitbreiding ervan. Uit niets blijkt dat het HvJ zou terug willen komen op zijn vaste rechtspraak dat de moederstaat niet verantwoordelijk gemaakt kan worden voor dispariteiten door beperkende fiscale wetgeving in de dochterstaat. Het Hof zegt slechts dat de belastingplichtige die het definitieve karakter van het Duitse verlies wil aantonen, niet alleen moet aantonen dat de dochter zelf
feitelijknooit meer zal verrekenen (dus nooit meer winst zal maken), maar bovendien dat ondanks de fusie (die verliesverrekening ook
juridischuitsluit)
feitelijkevenmin enige mogelijkheid tot verliesbenutting
door een derdebestaat, bijvoorbeeld bij verkoop aan een derde onder de
Sanierungsklausel.
Marks & Spencer II-uitzondering, nu haar dochter en kleindochter hun bedrijfsactiviteiten ongestoord hebben voortgezet en geen sprake kan zijn van de volledige afwezigheid van zelfs maar de kleinste kans dat (klein)dochter nog winst zal maken in Duitsland (zie de genoemde r.o. 36 van C-172/13,
Commissie v. VK,en dier herhaling en bevestiging in r.o. 63 van
Bevola).
Aures(zie 5.15 hierboven), betoogde de A-G Kokott - voor het geval het HvJ een discriminatie zou zien, die hij in die zaak echter terecht niet zag - dat het fiscale autonomiebeginsel meebrengt dat de definitieve aard van door een niet-ingezeten dochter geleden verliezen in de zin van
Marks & Spencer IIniet kan voortvloeien uit het feit dat de dochterlidstaat
carry forwarduitsluit, omdat anders een lidstaat zijn belastingrecht zou moeten aanpassen aan dat van een andere staat, waartoe hij volgens vaste rechtspraak niet verplicht kan worden. Het symmetriebeginsel vormt volgens haar een toepassing van het coherentiebeginsel op de verhouding tussen winst en verlies: een staat is alleen verplicht verliezen in mindering te brengen wanneer hij ook de hand kan leggen op de overeenkomstige winsten.
Holmen [49] betrof een Zweedse moedervennootschap met een Spaanse dochter en Spaanse kleindochters die in Spanje een fiscale eenheid vormden. De kleindochters hadden verliezen geleden en de Zweedse moeder wilde de Spaanse verlieslatende activiteiten staken. Zij overwoog ofwel (i) liquidatie en vereffening van de Spaanse vennootschappen, ofwel (ii) eerst een fusie tussen de Spaanse tussenhoudster en dier verlieslatende dochter(s), waardoor zij de verliesdochter(s) rechtstreeks zou houden. De verliezen van de kleindochters waren in Zweden namelijk niet aftrekbaar via de Zweedse intragroepsaftrek omdat de dochters niet rechtstreeks werden gehouden. Die voorwaarde werd niet gesteld aan onderworpen ingezeten groepsvennootschappen. In Spanje kon bij ontbinding van een fiscale eenheid door liquidatie van gevoegde vennootschappen het resterende verlies van elk van die vennootschappen alleen verrekend worden met het eigen vereffeningsresultaat per vennootschap in het vereffeningsjaar. Daardoor zouden de verliezen van de Spaanse kleindochters in Spanje niet meer verrekenbaar zijn. Het HvJ achtte de Zweedse voorwaarde van rechtstreeks houderschap gerechtvaardigd en evenredig in gevallen waarin de dochter en de verlieslijdende kleindochter in
verschillendeandere lidstaten zijn gevestigd, maar als de dochter en de verlieslijdende kleindochter in dezelfde lidstaat zijn gevestigd, zoals in casu, achtte hij de voorwaarde van rechtstreeks houderschap onevenredig voor zover het om definitieve kleindochterverliezen zou gaan:
Memira Holding: de belastingplichtige moet niet alleen aantonen dat de dochter zelf nooit meer winst zal maken en verliesverrekening door dochter zelf dus
feitelijkis uitgesloten (dat stond ook in
Holmenvast, want de Spaanse dochters zouden ontbonden en vereffend worden, al dan niet na fusie, en de activiteiten waren gestaakt, zodat het hvJ daarop niet inging), maar ook dat het onmogelijk is om de verliezen nog ooit op welke wijze dan ook direct of indirect economisch te doen benutten
door een derde: dat het
rechtensonmogelijk is om nog te verrekenen bij de dochter zelf, bewijst volgens het HvJ nog niet dat het ook
feitelijkonmogelijk is dat een derde er nog op een of andere manier in enigerlei mate baat bij kan hebben. Anders dan de dochters van Memira en Holmen, voldoet de belanghebbende hoe dan ook niet aan het expliciet in r.o. 36 van C-172/13,
Commissie v. VK(zie 6.3 hierboven) en in r.o. 63 van
Bevola(zie 5.20 hierboven) gestelde criterium dat “het door een niet-ingezeten dochteronderneming geleden verlies slechts als definitief kan worden beschouwd indien deze onderneming geen inkomsten meer heeft in de lidstaat waar zij is gevestigd”.
Memiraen
Holmenillustreren mijns inziens dus - net als C-172/13,
Commissie v. VK- dat het HvJ – terecht – spijt heeft van (r.o. 55 van)
Marks & Spencer IIen zijn evident
onevenwichtige creatie van niet-bestaande heffingsbevoegdheid over
niet-onderworpen verliezen bij nader inziens zoveel mogelijk wil beperken: tot definitieve liquidaties die op geen enkele wijze nog enig belastingvoordeel in de bronstaat kunnen opleveren. Om dochterverliezen te kunnen exporteren naar de verkeerde jurisdictie moeten zij niet alleen in de vergelijkbare interne situatie overdraagbaar zijn naar de moeder, maar moeten zij ook
nooitmeer verzilverbaar zijn in hun bronjurisdictie, direct of indirect, juridisch of feitelijk (‘economisch’), in welke mate dan ook, al dan niet door een derde. Helaas heeft het HvJ het inderdaad in beide arresten wel weer in onbegrijpelijk vage, vreemde en verwarrende niet-fiscale termen opgeschreven.
Marks & Spencer II-uitzondering beperkt tot gevallen waarin de dochter nooit meer inkomsten zal genieten (definitieve liquidaties dus), volgde overigens al uit ’s Hofs arrest in de zaak C-123/11,
A Oy, [50] over een Fins meubelbedrijf met een Zweedse dochter die drie verliesmakende winkels in Zweden exploiteerde. De winkels werden gesloten, maar de Zweedse dochter zat nog wel aan langlopende huurcontracten vast. De Finse moeder wilde de Zweedse dochter via juridische fusie opslokken en haar verliezen afzetten tegen Finse winsten, alsof de dochter in Finland onderworpen was en daar de verliezen zou hebben gemaakt. In een zuiver intern geval zou dat inderdaad mogelijk zijn geweest. Daar voelden de Finnen uiteraard niets voor. Na, zoals gebruikelijk een belemmering door de moederstaat te hebben geconstrueerd maar die gerechtvaardigd te hebben geacht door de noodzaken van evenwichtige heffingsverdeling, fiscale coherentie, misbruikbestrijding en voorkoming van
double dips, overwoog het HvJ:
Memira Holdingen
Holmenwél de - zijns inziens onwenselijke - mogelijkheid om de rekening van een verliesverrekeningsverbod in de dochterstaat met een beroep op
Marks & Spencer IIte presenteren in de daarmee hoegenaamd niets te maken hebbende moederstaat. Uiteraard acht ook hij dat resultaat ongerijmd (ik laat voetnoten weg): [51]
3.3.4. Conclusie
Holmen; PJW] blijkt dat de juridische beperkingen van een bestaand recht op verliesverrekening er niet toe leiden dat geen sprake is van definitieve verliezen. Als die beperkingen verliesverrekening verhinderen dan is dit juist een aanwijzing dat de verliezen mogelijk definitief zijn.
door een derdein enigerlei mate gebruikt zouden kunnen worden in de dochterjurisdictie, direct of indirect, juridisch of feitelijk (‘economisch’).
Marks & Spencer II,
A Oy,
Memiraen
Holmenheeft haar Duitse (klein)dochter haar bedrijfsactiviteiten niet gestaakt, maar ongestoord al haar economische activiteiten voortgezet, zodat niet voldaan is aan het in C-172/13,
Commissie v. VKen
Bevolagestelde criterium dat “het door een niet-ingezeten dochteronderneming geleden verlies slechts als definitief kan worden beschouwd indien deze onderneming geen inkomsten meer heeft in de lidstaat waar zij is gevestigd”, (ii) zelfs als dat anders zou zijn, heeft de belanghebbende niet aangetoond dat ondanks de aandeelhouderswisseling de litigieuze verliezen nooit meer benutbaar zouden zijn geweest, direct of indirect, juridisch of feitelijk, in welke mate dan ook,
door een derde; en (iii) de Duitse regeling is, net als de Franse in de zaak C-322/11
, K., veel beperkender dan die van de thuislidstaat (in casu art. 20a Wet Vpb, dat immers verliesverrekening na belangwijziging pas uitsluit als de bedrijfsactiviteiten gestaakt, verkleind of vervangen worden), voor welke dispariteit de thuislidstaat uiteraard niet hoeft op te draaien ten koste van zijn recht om belasting te heffen over winsten op zijn grondgebied behaald; in de zaak
K.hoefde Finland, waar intern verliesverrekening wél mogelijk was, uiteraard niet op te draaien voor vervelende gevolgen van een Franse vermogensverliesverrekeningsbeperking, gegeven dat Finland evenmin enige fiscale jurisdictie had over Franse vermogenswinsten.
7.Middelonderdeel (i)(c): rechtsmiddelverzuim in de bevoegde bronjurisdictie
Marks & Spencer IIook niet is voldaan omdat belanghebbendes dochter en kleindochter hebben verzuimd de hen in Duitsland ter beschikking staande rechtsmiddelen tegen de toepassing van § 8c KstG te gebruiken.
Voor wat betreft [D] N.V. loopt het Duitse boekenonderzoek door de Belastingdienst nog steeds en kunnen wij dus nog niet aangeven welk verlies eventueel definitief verloren zal gaan”;dit terwijl nog diezelfde maand het BVerG arrest zou wijzen (zie 2.6). Belanghebbende heeft evenwel om haar moverende redenen geen rechtsmiddelen aangewend en lijkt daarmee de mogelijkheid van verliesverrekening in Duitsland te hebben verspeeld.
Verfassungsmäβigkeitvan de Duitse verliesverrekeningsregels, ter zake waarvan Nederland uiteraard
überhauptgeen rechtens relevant vertrouwen kán wekken. Gegeven de vaststaande feiten kan de belanghebbende niet stellen dat het instellen van bezwaar of beroep zinloos zou zijn geweest omdat bij voorbaat zou hebben vastgestaan dat het afgewezen zou worden (vgl. EHRM
Salah Sheekh [52] ) - integendeel: zij wist ruim op tijd dat door anderen succes was geboekt bij het
Finanzgericht Hamburgen dat de zaak bij het
BVerfGlag - of anderszins redelijkerwijs niet van haar (klein)dochter kon worden gevergd dat zij haar schade zou beperken door rechtsmiddelen in te stellen (zie HvJ EU
Danske Slagterier [53] ) en zelfs als dat wel zou kunnen, zou dat niet in Nederland, maar uitsluitend in Duitsland kunnen. Op geen enkele manier kan Nederland aangerekend worden dat de belanghebbende in Duitsland op het verkeerde procedurele been gezet zou zijn of anderszins in een
Emmott [54] -achtige of
Metallgesellschaft [55] -achtige positie zou zijn beland. Niemand kan zich op zijn eigen nalatigheid beroepen om er een derde verantwoordelijk voor te maken die er hoegenaamd niets mee te maken heeft.
Bundesverfassungsgerichtde Duitse belastingwetgever in 2017 heeft verplicht om met terugwerkende kracht tot 1 januari 2008 een nieuwe regeling te treffen die de ongrondwettigheid van de litigieuze Duitse
carry forwardbeperking moet wegnemen. De belastingjaren waarover de belanghebbende procedeert, zijn van na dat jaar. Het Hof Amsterdam heeft daarover opgemerkt (r.o. 4.4.13):
8.Ten overvloede: naar Nederlandse maatstaven voorvoegingsverliezen
A Oy, antwoordde het HvJ als volgt op de vraag of eventueel volgens de
Marks & Spencer II-uitzondering te importeren en te verrekenen definitieve dochterverliezen naar dochterstaatse of moederstaatse fiscale maatstaven moeten worden berekend:
Marks & Spencer II-uitzondering kunnen beroepen, dan zouden de te importeren ‘definitieve’ (klein)dochterverliezen dus naar Nederlandse fiscale maatstaven vastgesteld moeten worden. De rechtbank duidt daar in r.o. 15 op door erop te wijzen dat als de Duitse (klein)dochter in Nederland was gevestigd, haar verliezen na een indirecte belangenwijziging onder omstandigheden evenzeer – door art. 20a(1) Wet Vpb – onverrekenbaar zouden kunnen zijn. Het lijkt mij overigens dat in casu aan de voorwaarden van art. 20a(4) Wet Vpb wel zou zijn voldaan. Ik merk echter van ambtswege op dat de verliezen van de kleindochter zijn geleden in jaren vóórdat zij deel uitmaakte van de
Organschaft. In een vergelijkbare interne situatie zouden voorvoegingsverliezen ex art. 15ae Wet Vpb slechts verrekenbaar zijn met eigen winst van de kleindochter.