Uitspraak
[X] B.V.te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof ’s-Hertogenboschvan 4 december 2014, nr. 13/00805, na beantwoording van de door de Hoge Raad aan het Hof van Justitie van de Europese Unie gestelde vraag.
Hoge Raad
De zaak betreft een beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch over de toepassing van de renteaftrekbeperking in artikel 10a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb). De Hoge Raad stelde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) over de verenigbaarheid van deze nationale regeling met de vrijheid van vestiging zoals neergelegd in artikel 49 VWEU Pro.
Het HvJ EU oordeelde dat het nationale regime, dat de renteaftrek ontzegt aan een moedervennootschap voor leningen die zijn aangegaan ter financiering van kapitaalstorting in een dochtervennootschap in een andere lidstaat, in strijd is met de vrijheid van vestiging. De Hoge Raad paste deze uitspraak toe en concludeerde dat de renteaftrekbeperking buiten toepassing moet blijven voor belanghebbende.
De Hoge Raad vernietigde daarom de navorderingsaanslag en de beschikking inzake heffingsrente en verwees de zaak niet terug maar sprak zelf af. Tevens werden de proceskosten aan de zijde van belanghebbende toegewezen aan de Staatssecretaris en de Inspecteur. Dit arrest bevestigt de toepassing van de per-elementbenadering bij grensoverschrijdende fiscale eenheden en benadrukt het belang van de vrijheid van vestiging in het belastingrecht.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de navorderingsaanslag en heffingsrente wegens strijd met de vrijheid van vestiging en wijst proceskosten toe aan belanghebbende.