Conclusie
[eiser])
[verweerster])
1.De feiten
hof) gewezen arrest [1] (hierna: het
arrest).
[B]) hebben op 27 oktober 2011 een huurovereenkomst gesloten voor het bedrijfspand aan de [a-straat 1] te [plaats] . De huur is ingegaan op 1 november 2011. [eiser] is enig bestuurder van [B].
2.Het procesverloop
In eerste aanleg
vonnisrespectievelijk de
rechtbank), bij conclusie van antwoord betwist dat sprake is van ongerechtvaardigde verrijking dan wel onrechtmatige daad. Hij heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van [verweerster] dan wel verrekening van een waarborgsom van € 7.104,30 die [B] aan [verweerster] had betaald als de vordering toch voor toewijzing vatbaar zou zijn.
3.De bespreking van het cassatiemiddel
Nadere uitwerkingen toelichting” (p. 2-4 van de procesinleiding). Bij de behandeling daarvan houd ik de alineanummering van het cassatiemiddel aan (randnummers 1 t/m 8 op p. 2-4 van de procesinleiding).
randnummer 1schetst [eiser] een rechtskader, [12] waarop hij kennelijk mede terugvalt in randnummer 2 (onder verwijzing naar “voornoemde maatstaf”).
randnummer 2stelt [eiser] vervolgens: “Hetgeen het hof in r.o. 3.7 heeft overwogen is onvoldoende om de conclusie te kunnen dragen, dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten en aldus heeft het hof ofwel voornoemde maatstaf miskend, ofwel zijn beslissing onvoldoende toereikend gemotiveerd”.
randnummer 3voert [eiser] aan dat “[o]nbegrijpelijk (daarbij) is” dat het hof ervan uitgaat dat [B] ook in januari 2012 nog een substantiële vordering op [eiser] had. Zoals het hof zelf overweegt, zijn over de jaren 2011 en 2012 geen jaarstukken van [B] in het geding gebracht, zodat voornoemde conclusie te speculatief is. Ten onrechte betrekt het hof daarbij niet de (essentiële) stelling van [eiser] , dat er alleen administratief gezien sprake was van een lening en dat hij het geld nooit daadwerkelijk heeft ontvangen, aldus nog steeds [eiser] .
randnummer 4voert [eiser] aan dat wat er van zij, dat van [eiser] mocht worden verwacht dat hij als bestuurder ten behoeve [B] (“de vennootschap”) [eiser] in privé zou aanspreken tot terugbetaling en zich zou inspannen tot het incasseren van de vordering die [B] op [eiser] in privé had, het uitblijven van deze inspanningen levert niet een onrechtmatige daad op van [eiser] als bestuurder ten opzichte van [verweerster] , noch kan zulks de conclusie dragen, dat zulks als zodanig onzorgvuldig moet worden aangemerkt, dat hem daarvan persoonlijk een zodanig ernstig verwijt kan worden gemaakt dat hij jegens [verweerster] aansprakelijk is.
randnummer 5voert [eiser] aan dat “[o]nbegrijpelijk (daarbij) is” de overweging dat [eiser] als bestuurder redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde handelwijze van [B] (“de vennootschap”) tot gevolg zou hebben dat [B] haar verplichtingen ten opzichte van [verweerster] niet meer zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden. Door [verweerster] is immers niet gesteld dat [eiser] als bestuurder van [B] bij het aangaan van de huurovereenkomst met [verweerster] op 27 oktober 2011 wist, althans behoorde te begrijpen, dat [B] niet binnen een behoorlijke termijn aan haar verplichtingen uit de huurovereenkomst zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan door [verweerster] te lijden schade. [20]
toen, gelet op het feit dat [B] niet meer aan haar betalingsverplichtingen kon voldoen, verwacht worden dat hij als bestuurder ten behoeve van [B] [eiser] in privé zou aanspreken tot terugbetaling en zich zou inspannen tot het incasseren van de vordering die [B] had op [eiser] in privé uit hoofde van de lening. Met het uitblijven van deze inspanningen handelde [eiser] , in de gegeven omstandigheden als uiteengezet in rov. 3.7, volgens het hof als bestuurder van [B] ten opzichte van [verweerster] zodanig onzorgvuldig dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. [25]
randnummer 6voert [eiser] aan dat “[o]nbegrijpelijk (daarbij) is” de overweging van het hof, dat het hof ervan uitgaat dat [B], als zij [eiser] (in privé) had aangesproken op de door het hof geschetste wijze, met de aldus verkregen middelen haar schuld aan [verweerster] had kunnen voldoen. Zulks is door [verweerster] immers niet gesteld, is te speculatief om het oordeel van het hof te kunnen dragen en is door [eiser] uitdrukkelijk betwist.
randnummer 7voert [eiser] aan dat “[o]nbegrijpelijk (daarbij) is” dat het hof bij zijn beslissing niet heeft laten meewegen, zoals de rechtbank in rov. 3.13 heeft overwogen en waartegen door [verweerster] geen grief is gericht, dat de curator geen aanleiding heeft gezien de (beweerdelijke) aan [eiser] verstrekte lening terug te vorderen en dat er in het faillissementsverslag bij “onbehoorlijk bestuur” is opgemerkt dat er geen onrechtmatigheden zijn geconstateerd en bij “paulianeus handelen” dat er geen aanleiding is om aan te nemen dat er sprake is van paulianeus handelen, alsmede dat [verweerster] onvoldoende heeft gesteld om aan te kunnen nemen dat ondanks deze vaststelling door de curator (het niet terugbetalen van) de lening oorzaak is van het faillissement.
randnummer 8voert [eiser] aan dat het hof overweegt (en kennelijk vormt dat de kern van de beslissing) dat het “ernstige feit” erin zit dat van [eiser] als bestuurder mocht worden verwacht dat hij, op het moment dat [B] in zwaar weer kwam te verkeren en haar eigen betalingsverplichtingen niet meer kon nakomen, de positie van [B] zou trachten te verbeteren (en het tekort aan liquiditeiten zou trachten op te heffen) middels het aanspreken van de schuldenaar ( [eiser] in privé) op wie [B] nog een aanzienlijke vordering had. Zulks is echter op zichzelf al onvoldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat [eiser] een zodanig persoonlijk verwijt treft, dat dit tot aansprakelijkheid jegens [verweerster] zou leiden (waarmee het hof ofwel voornoemde maatstaf heeft miskend, ofwel zijn beslissing onvoldoende toereikend gemotiveerd), maar tevens miskent het hof daarmee, dat voor die persoonlijke aansprakelijkheid slechts bepalend is of [eiser] bij het namens [B] aangaan van de huurovereenkomst wist of behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou voldoen en geen verhaal zou bieden.