Uitspraak
wonende te [woonplaats] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
2.Beoordeling van het verzoek tot verstekverlening
3.Beslissing
19 juli 2019.
Hoge Raad
In deze cassatieprocedure heeft eiser beroep ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof, maar in de procesinleiding werd een verkeerde verweerster aangeduid. De betekening van het oproepingsbericht en de procesinleiding vond plaats na de in de procesinleiding genoemde uiterste verschijndatum, met een nieuwe uiterste verschijndatum in het exploot.
De Hoge Raad overweegt dat de tweewekentermijn van art. 112 lid 1 Rv Pro niet strikt leidt tot nietigheid bij overschrijding, mits de verweerder alsnog ten minste twee weken krijgt om te beslissen of hij wil verschijnen. Dit is hier het geval doordat eiser een nieuwe uiterste verschijndatum heeft aangezegd die binnen de maximale termijn van zes maanden valt.
Ook is de kennelijke vergissing in de aanduiding van de verweerster hersteld in het exploot, dat aan het juiste advocatenkantoor is betekend. Gelet hierop is er geen beletsel om verstek te verlenen tegen de juiste verweerster.
De Hoge Raad verleent daarom verstek en bepaalt een datum voor schriftelijke toelichting. Dit arrest verduidelijkt de toepassing van de regels rond betekening en uiterste verschijndatum in het digitale cassatieproces.
Uitkomst: De Hoge Raad verleent verstek tegen de verweerster na correcte aanzegging van een nieuwe uiterste verschijndatum binnen de wettelijke termijnen.