Conclusie
1.De feiten
vonnisrespectievelijk de
kantonrechter). [1] Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, is blijkens rov. 2 van zijn eindarrest van 26 maart 2019 (hierna: het
hofrespectievelijk het
arrest) in hoger beroep ook van deze feiten uitgegaan. [2]
[B]) opgericht, is [A] een handelsnaam van [B] en is [verweerder] statutair bestuurder van [B] . [C] B.V. (hierna:
[C]) is enig aandeelhouder van [B] en van [D] B.V. (hierna:
[D]). [verweerder] is tevens statutair bestuurder en enig aandeelhouder van [C] , welke holding, evenals [D] , ook op 30 september 2014 is opgericht. Vanuit [B] wordt het restaurant [A] te [vestigingsplaats] geëxploiteerd.
[betrokkene 1]) in een e-mail van 9 februari 2016 aan de gemachtigde van [eiser] weten dat sprake is van “zwaar financieel weer in het bedrijf” en dat daarom nog geen betaling heeft plaatsgevonden, maar dat van onwil geen sprake is. Later vindt betaling plaats van het restant loon over de maand januari 2016.
2.Het procesverloop
In eerste aanleg
3. Het geschil en de beslissing in eerste aanleg
4.De motivering van de beslissing in hoger beroep
5.De slotsom
3.De bespreking van het cassatiemiddel
niet(ook) in onderlinge samenhang [heeft] bezien en gewogen met de gestelde en door het hof in rov. 4.4 e.v. als zodanig (reeds) onrechtmatig geachte ‘overmaking’ door [verweerder] van het restant van de verkoopopbrengst naar zijn privérekening”. [eiser] voert daartoe samengevat aan dat het hof ofwel heeft miskend dat het die vraag moest beoordelen aan de hand van alle omstandigheden van dit geval mede in hun onderlinge samenhang bezien, ofwel met de bestreden oordelen in rov. 4.3 ontoereikend gemotiveerd heeft gerespondeerd op hetgeen [eiser] heeft aangevoerd (de in rov. 4.3 behandelde betalingen aan de makelaar en de drankenleverancier als bijzondere omstandigheden, te beoordelen mede in samenhang met de in rov. 4.4 behandelde betaling aan [verweerder] in privé).
NJ1998/727 (kennelijk doelend op rov. 3.4.3) onder meer heeft aangevoerd: “Eiser stelt voorop dat selectieve betaling van schuldeisers door de bestuurder van een rechtspersoon als zodanig niet onrechtmatig is. Aan de bestuurder van een rechtspersoon komt in beginsel de vrijheid toe om bij het doen van betalingen aan schuldeisers naar eigen inzicht afwegingen te maken binnen de kaders van goed ondernemerschap.
De bestuurder van een rechtspersoon heeft echter niet onverkort de vrijheid om bepaalde schuldeisers, anders dan op grond van wettelijke regels, met voorrang te voldoen boven andere schuldeisers vanaf het moment dat[
de rechtspersoon, A-G]
financieel minder gaat en niet over voldoende middelen beschikt om alle schuldeisers te voldoen, dan wel indien zijn insolventie onvermijdelijk blijkt. Het bestuur van de rechtspersoon handelt in een dergelijke situatie slechts dan niet in strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheid jegens zijn schuldeisers, indien die voorkeursbehandeling van bepaalde schuldeisers kan worden gerechtvaardigd door bijzondere omstandigheden” [cursivering, A-G]. [6]
alledoor [eiser] gestelde omstandigheden” in hun onderlinge samenhang heeft betrokken voor beantwoording van de vraag of [eiser] ook dan zijn loonvordering had behoren betaald te krijgen. [31]
[betrokkene 1].
[verweerder]alleen aan bod op p. 15 (eerste alinea) van de dagvaarding, en wel met betrekking tot de derde betaling (aan [verweerder] in privé) als door het hof behandeld in rov. 4.4 (eerste vijf zinnen).
Daartoe voerde [eiser] aan dat [verweerder] als bestuurder onzorgvuldig heeft gehandeld en persoonlijk ernstig verwijten kunnen worden gemaakt nu er sprake was vanbetalingsonwilenfrustratie van betaling en verhaaldoor de 'selectieve' betalingen – in het zicht van het faillissement – aan de makelaar en de drankenleverancier en de onttrekking van het restant van de verkoopopbrengst dat op de privérekening van [verweerder] was gestort, waarmee hij heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de B.V. de vordering van [eiser] niet meer heeft voldaan” [cursivering, A-G]. [40]
subonderdeel 2.averdekt (in de tweede alinea) nog een rechts- en/of motiveringsklacht bevat over rov. 4.5, wijs ik erop dat ook deze faalt. In die tweede alinea staat het volgende:
hoe de situatie zou zijn geweest, als [verweerder] niet onrechtmatig had gehandeld’ en (zonder meer) concludeerde, samengevat, dat de B.V. dan ook failliet was gegaan, de curator eerst de fiscus had voldaan en [eiser] ook dan niet meer zou zijn betaald, en dat [eiser] om dezelfde reden ook niets had gekregen in het geval dat [verweerder] vóór faillissement het onttrokken geld zou hebben aangewend voor de betaling van de schulden van de B.V. (d.w.z. belastingdienst en andere preferente vorderingen).”