Uitspraak
gevestigd te Utrecht,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Uitgangspunten in cassatie
Zij heeft hierbij een boekhoudkundig verlies geleden van € 24 miljard.
subprime-portefeuille in het op 24 en 25 september 2007 gepubliceerde emissieprospectus en de daarin opgenomen
trading update(hierna: het prospectus respectievelijk de
trading update) en haar communicatiebeleid in de genoemde periode.
De ondernemingskamer heeft het hiervoor in 3.1 onder (iv) genoemde dechargebesluit vernietigd voor zover de decharge het gevoerde beleid betreft ten aanzien van de informatieverstrekking omtrent (de risico’s verband houdende met) de
subprime-portefeuille van Fortis in het prospectus en de
trading update.
trading updateover de
subprime-portefeuille is Fortis ernstig tekortgeschoten, hetgeen op elk van beide punten wanbeleid oplevert (rov. 6.129 onder i en ii).
Een vijftal andere gedragingen leveren in onderlinge samenhang eveneens wanbeleid op. Hierbij gaat het kort gezegd erom dat Fortis bepaalde (koersgevoelige) informatie over haar financiële positie en in dat verband te nemen maatregelen niet (tijdig) heeft verstrekt en bepaalde voor haar gunstige berichten wel naar buiten heeft gebracht, waarmee zij een onjuiste indruk heeft gewekt over haar financiële positie en het beleggend publiek heeft misleid (rov. 6.129 onder iii-vii). De ondernemingskamer heeft het hiervoor in 3.1 onder (iv) genoemde dechargebesluit vernietigd omdat het niet op goede gronden is genomen (rov. 6.133).
4.Beoordeling van het middel
hindsight bias(onderdeel A) en met betrekking tot Richtlijn 2003/6/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 betreffende handel met voorwetenschap en marktmanipulatie (hierna: Richtlijn Marktmisbruik) en de daarop gebaseerde normen in de Wet op het financieel toezicht (hierna: Wft) (onderdeel B).
subprime,
Hindsight bias”
hindsight bias(…). Zij verwijt onderzoekers regelmatig uitspraken te doen
with the benefit of hindsight. Onderzoekers zijn zich van dit risico bewust geweest en hebben zich daarvan voortdurend rekenschap gegeven, aldus onderzoekers in het onderzoeksverslag onder 67. De Ondernemingskamer zal het handelen en nalaten van Fortis, van haar organen en van degenen die daarvan deel uitmaakten beoordelen naar de maatstaven die golden ten tijde van dat handelen of nalaten en aan de hand van de kennis en ervaring die Fortis, haar organen en degenen die daarvan deel uitmaakten toen hadden of behoorden te hebben.
hindsightinzicht is, onder omstandigheden voor de ander tot op zekere hoogte
foresightinzicht behoort te zijn. Het hiervoor genoemde maatschappelijk belang dat Fortis bij haar besluitvorming in aanmerking dient te nemen scherpt de norm voor hetgeen op dit punt van haar en haar organen in het kader van zorgvuldig bestuur en beheersing van risico's kon worden verwacht, belangrijk aan. Ook dit een en ander heeft de Ondernemingskamer in het navolgende in het oog gehouden."
hindsight bias) worden beoordeeld, maar daaraan niet de gevolgtrekking is verbonden dat het handelen en nalaten van Fortis daadwerkelijk moet worden beoordeeld naar de situatie van destijds. Volgens het onderdeel doet een relatief zware verantwoordelijkheid van de betrokkene (zoals met betrekking tot Fortis is aangenomen) niet eraan af dat die betrokkene ten tijde van het beoordeelde handelen of nalaten toekomstige ontwikkelingen niet kent en de rechter die achteraf oordeelt, die wel kent. Onderdeel II.1.1 klaagt dat de ondernemingskamer met
hindsight biasheeft geoordeeld dat Fortis ernstig is tekortgeschoten in (de uitvoering van) haar solvabiliteitsbeleid (rov. 6.23-6.43 en 6.129 van de eindbeschikking).
hindsightinzicht is, onder omstandigheden voor de ander tot op zekere hoogte
foresightinzicht behoort te zijn”, heeft de ondernemingskamer tot uitdrukking gebracht dat van Fortis als systeembank, gelet op haar bijzondere zorgplicht als omschreven in rov. 4.3 – 4.4, meer kennis en inzicht (en meer inspanningen ter verkrijging daarvan) mag worden verwacht dan van een partij in een andere positie. Het gaat dus om kennis en inzicht die zij – niet achteraf beoordeeld, maar beoordeeld naar de omstandigheden ten tijde van haar handelen en besluitvorming – “behoorde te hebben” (aldus het slot van de eerste alinea van rov. 4.5) teneinde daarop haar handelen en besluitvorming te kunnen baseren. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Evenmin is het onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Onderdeel A faalt derhalve. Dit geldt ook voor onderdeel II.1.1, omdat dit dezelfde klacht aanvoert tegen
rov. 6.23-6.43 en 6.129 met betrekking tot (de uitvoering van) het solvabiliteitsbeleid.
trading updatemet het oog op de claimemissie eind september/begin oktober 2007.
trading update, gedateerd 20 respectievelijk 21 september 2007. De inschrijfperiode van de claimemissie sloot op 9 oktober 2007;
trading update, die integraal deel uitmaakte van het prospectus, vermeldt onder meer dat dankzij een
“well managed risk exposure” de “
impact on Fortis’s full-year results is expected to be non-material” en dat
“[e]ven if the current subprime severity would deteriorate with a further 20%, the additional non-linear net profit impact is estimated at EUR 20 million”. Laatstgenoemd bedrag is gebaseerd op een (relatief klein) gedeelte van de totale blootstelling;
subprime-portefeuille;
subprime-portefeuille van circa € 8,7 miljard;
subprime-markt sinds eind juli 2007 opgedroogd was, als gevolg waarvan Fortis de portefeuille ten dele niet meer op basis van marktgegevens kon waarderen, maar het betrokken deel moest waarderen op basis van “
Mark-to-model”.
trading updatewelbewust over de
subprime-portefeuille selectieve, niet evenwichtige informatie heeft verschaft, alsmede dat Fortis daarmee een onjuist of onzuiver beeld rondom de claimemissie deed ontstaan en het voor haar zo essentiële vertrouwen op het spel zette. Naar het oordeel van de ondernemingskamer nam Fortis daarmee het risico dat het vertrouwen in de bank werd ondermijnd, waardoor het handelen/nalaten van Fortis niet kan worden aangemerkt als (slechts) een incidentele beleidsfout. Gelet op de betrokken belangen, waaronder de belangen van degenen die in Fortis belegden of dat overwogen te doen of te beëindigen, heeft de ondernemingskamer geoordeeld dat Fortis heeft gehandeld in strijd met elementaire beginselen van verantwoord ondernemerschap en dat haar tekortschieten op dit punt daarom wanbeleid oplevert. Daarbij heeft de ondernemingskamer acht geslagen op (a) het belang dat gemoeid is met correcte informatieverschaffing in een prospectus in het algemeen, alsmede (b) de omstandigheid dat de verstrekte informatie op hoog niveau en terdege was voorbereid, maar niettemin tekortschoot.
look throughmethode. Volgens deze methode werden de verwachte solvabiliteitsontwikkelingen op een systematische wijze geïnventariseerd en gekwantificeerd. Deze methode gaf een “doorkijk” naar de situatie die zou ontstaan na afsplitsing en integratie van alle aan Fortis toevallende ABN AMRO-onderdelen en na uitvoering van het solvabiliteitsplan. Een en ander zou naar verwachting eind 2009 zijn afgerond. In het
stress case-scenario werd – in beperkte mate – rekening gehouden met negatieve ontwikkelingen. Redelijkerwijs moet ervan worden uitgegaan dat het beleid erop gericht was dat de solvabiliteit ook bij een
stresscase-scenario in beginsel geen tekort zou vertonen. Een
worstcase-scenario werd niet – in ieder geval niet eerder dan pas in een zeer laat stadium – opgesteld. (rov. 6.25)
Executive Risk Capital Committee, aandacht heeft besteed aan de steeds zorgelijker wordende ontwikkelingen, waaronder die ten aanzien van de solvabiliteit. Fortis heeft echter onvoldoende tijdig, onvoldoende adequaat en – toen de wel (voor)genomen maatregelen niet toereikend bleken – onvoldoende drastisch gereageerd op die ontwikkelingen, op de constateringen in de
solvency update, op de constatering van – almaar oplopende – tekorten in de
look throughberekeningen en op haar steeds verder verslechterende financiële positie (rov. 6.28).
look throughberekeningen verdisconteerd. Het kwam voor dat van belang zijnde informatie te lang in te beperkte kring werd gehouden, waardoor in het bijzonder (sommige leden van) de Raad van Bestuur onvoldoende tijdig op de hoogte was (waren) van ontwikkelingen en omstandigheden die voor de beoordeling van de positie van Fortis van belang waren. (rov. 6.29-6.32)
Dit betekent dat de klachten falen voor zover zij veronderstellen dat de ondernemingskamer bij de beoordeling van de geschilpunten over het solvabiliteitsbeleid een ander uitgangspunt had moeten kiezen. Voor zover de klachten voor het overige feitelijke grondslag vinden in de bestreden beschikking en in de gedingstukken, richten zij zich tegen oordelen die geen blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting en die zozeer zijn verweven met feitelijke waarderingen dat zij in cassatie verder niet op juistheid kunnen worden onderzocht. De oordelen zijn ook toereikend gemotiveerd. De onderdelen falen.
trading updatemisleidend was en dat niet is gebleken dat de Raad van Bestuur ter gelegenheid van de vergadering opheldering heeft verschaft. Volgens onderdeel VII.2.1 heeft de ondernemingskamer miskend dat maatgevend is waarvan de aandeelhouders zich gezien de verstrekte informatie redelijkerwijs bewust hadden kunnen zijn of waarop zij bedacht hadden moeten zijn.
subprime-portefeuille die zich hadden voorgedaan na publicatie van het prospectus en de
trading update. Bekendheid achteraf met die informatie betekent immers niet dat de aandeelhouders zich – net als het bestuur respectievelijk de bestuurders – toen tevens hebben moeten realiseren dat de op 24 en 25 september 2007 verschafte informatie bij het uitbrengen daarvan misleidend was. De ondernemingskamer gaat ervan uit dat de aandeelhouders zich ten tijde van de besluitvorming op 29 april 2008 niet ervan bewust waren dat die informatie misleidend was, dat Fortis met het uitbrengen daarvan het risico heeft genomen dat het vertrouwen in haar werd ondermijnd en dat Fortis daarvan een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Niet is gebleken dat het bestuur ter gelegenheid van de vergadering ten aanzien van dit misleidende karakter opheldering heeft verschaft.
(rov. 6.134 van de eindbeschikking)
subprime-portefeuille, en aan de aandeelhouders bij het nemen van het dechargebesluit op 29 april 2008 niet bekend was dat de informatie, die Fortis destijds had verstrekt, misleidend was. Daarop stuiten de onderdelen af.
participation agreementgesloten. (rov. 2.1)
participation agreementheeft gesloten, zo nauw is betrokken bij het onderwerp van de procedure, dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te verschijnen en haar standpunt uiteen te zetten. Voorts houdt dit oordeel in dat voor het antwoord op de vraag of SICAF in de reeds aanhangige enquêteprocedure als belanghebbende in de zin van art. 282 Rv Pro kan worden aangemerkt, niet van belang is dat zij is opgericht na de periode waarop de enquête betrekking heeft. Een en ander geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd. Dat wordt niet anders indien SICAF haar standpunt als belanghebbende in de enquêteprocedure wenst uiteen te zetten met het oog op haar positie in een eventueel door haar aanhangig te maken procedure op de voet van art. 3:305a BW.
5.Beslissing
6 december 2013.