Conclusie
1.Feiten en procesverloop
€ 3.126.532,- en dat zijn vordering op die nalatenschap wegens zijn legitieme portie dientengevolge met een bedrag van € 521.088,67 toeneemt. Hiertegen hebben [verweerders] verweer gevoerd en in reconventie gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat de legitieme portie van [betrokkene 1] in de nalatenschap van erflaatster nihil bedraagt.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1valt uiteen in vijf subonderdelen en is gericht tegen rov. 2.15-2.18 van het tussenarrest, waarin het hof, kort gezegd, heeft overwogen dat geen sprake zou zijn van een schenking door erflaatster aan de Stiftung, omdat [betrokkene 1] niet met kracht van argumenten inzichtelijk heeft gemaakt waarom er geen onmiddellijk verband zou bestaan tussen het door erflaatster in de Stiftung ingebrachte bedrag en de omstandigheid dat zij aanvankelijk de exclusieve begunstigde van de Stiftung was en na haar overlijden [betrokkene 1] en [verweerder 1] de exclusieve begunstigden.
Subonderdeel 1.2bouwt hierop voort met de klacht dat als het hof heeft bedoeld dat geen sprake was van een schenking, dat oordeel onjuist dan wel onvoldoende is gemotiveerd. Het door erflaatster aan de Stiftung overgemaakte bedrag is gaan behoren tot het afgescheiden vermogen van de Stiftung, waardoor de Stiftung is verrijkt en erflaatster verarmd.
Subonderdeel 1.3bouwt op dit laatste voort.
Subonderdeel 1.4betoogt dat het hof niet is ingegaan op diverse stellingen van [erflater] ten aanzien van het ontbreken van een afdwingbaar recht van erflaatster op uitkering jegens de Stiftung en het ontbreken van een uitkeringsplicht van het Stiftungsbestuur jegens erflaatster.
Subonderdeel 1.5herhaalt dat sprake is van een gift van erflaatster aan de Stiftung. Het oordeel van het hof is ontoereikend gemotiveerd, omdat het hof ten onrechte voorbij is gegaan aan een tweetal stellingen van [betrokkene 1] .
Subonderdeel 2.2klaagt dat het oordeel van het hof rechtens onjuist is, dan wel onvoldoende gemotiveerd, omdat [betrokkene 1] in de memorie van antwoord in incidenteel appel niet met een verkapte nieuwe grief komt.
Subonderdeel 2.3bouwt hierop voort met het betoog dat het oordeel van het hof in strijd is met het beginsel van hoor en wederhoor, dan wel onvoldoende gemotiveerd, indien het betekent dat het hof geen acht heeft geslagen op de memorie van antwoord van [betrokkene 1] in incidenteel appel voor zover hij daarin ingaat op hetgeen [verweerders] in hun memorie hebben aangevoerd.
subonderdelen 3.3 en 3.4bouwen op subonderdeel 2 voort en delen het lot daarvan.