Conclusie
1.Feiten en procesverloop
Excited Delirium Syndrome’), een door cocaïne veroorzaakte ernstige aandoening met een onvoorspelbaar verloop en met een hoge overlijdenskans door hartstilstand. [8]
bericht(niet: -verhoor) van de patholoog, de apotheker en de forensisch medisch specialist, bestaande uit een schriftelijke beantwoording van de vragen die in het beroepschrift zijn geformuleerd.
strafrechtelijk onderzoek hebben gerapporteerd, brengt niet mee dat in deze (civiele) procedure geen of minder betekenis toekomt aan hun conclusies. De diverse onderzoeken hebben betrekking op een feitelijke vraag, namelijk de vraag naar de oorzaak van het overlijden. Het verzoek heeft betrekking op diezelfde feitelijke vraag (rov. 4.6).
2.Inleidende beschouwingen
goede procesorde, (ii) van de bevoegdheid tot het doen van het verzoek
misbruikwordt gemaakt (in de zin van art. 3:13 BW Pro), bijvoorbeeld omdat verzoeker wegens
onevenredigheid van de over en weer betrokken belangenin redelijkheid niet tot het uitoefenen van die bevoegdheid kan worden toegelaten, dan wel (iii) het verzoek moet afstuiten op een ander door de rechter
zwaarwichtig geoordeeld bezwaar. [13] In het verlengde hiervan heeft de Hoge Raad in de context van het voorlopig getuigenverhoor, waarvoor dezelfde maatstaven gelden, [14] geoordeeld dat het verzoek ook kan worden afgewezen indien (iv) de verzoeker bij toewijzing daarvan
onvoldoende belangheeft (in de zin van art. 3:303 BW Pro). [15] In de vakliteratuur wordt aangenomen dat deze afwijzingsgrond gelijkelijk van toepassing is in de context van het voorlopig deskundigenbericht. [16]
verhoor(welke in de praktijk minder vaak voorkomen dan verzoeken om een – schriftelijk uit te brengen − voorlopig deskundigen
bericht), is in de rechtspraak van de Hoge Raad nog niet uitgemaakt. [19] Gelet op de in alinea 2.2 genoemde functie van voorlopige bewijsverrichtingen, die ook aan het voorlopig deskundigenverhoor niet kan worden ontzegd, ligt gelijkschakeling van de hierop toepasselijke maatstaven mijns inziens voor de hand. [20] Ook het hof is hiervan uitgegaan in rov. 4.3 van de bestreden beschikking. Daarover wordt in cassatie niet geklaagd.
rechterbenoemde deskundige, dan voorziet art. 194 lid 5 Rv Pro in de mogelijkheid dat de rechter, op verzoek van een partij of ambtshalve, de deskundige beveelt tot “het geven van nadere mondelinge of schriftelijke toelichting of aanvulling”. Aan de rechter komt ter zake een discretionaire bevoegdheid toe. [21] Gaat het om een
partijdeskundige(in de wettelijke terminologie: een niet door de rechter benoemde deskundige), dan voorziet art. 200 lid 1 Rv Pro in de mogelijkheid dat de rechter een partij desverzocht toestaat om deze deskundige te doen horen. In de vakliteratuur wordt aangenomen dat de rechter ook op dit punt een discretionaire bevoegdheid heeft. [22]
in de hoofdprocedure, bij de beoordeling of vervolgonderzoek nodig is, in aanmerking zal moeten nemen “dat en waarom de mogelijkheid van een voorlopig deskundigenonderzoek aan de verzoekende partij is onthouden”. [33]
death in custody’) vloeit uit art. 2 EVRM Pro een op de betrokken verdragsstaat rustende onderzoeksplicht voort. [34] De staat moet een geloofwaardige verklaring (‘
plausible explanation’) kunnen geven voor het overlijden. Met het oog daarop moet effectief en onafhankelijk onderzoek plaatsvinden. Deze verplichting gaat niet zover dat de precieze doodsoorzaak met volkomen zekerheid moet worden vastgesteld. Voldoende is dat de door de staat te stellen en te bewijzen geloofwaardige verklaring ‘
beyond reasonable doubt’ komt vast te staan. [35] Een en ander is (kennelijk) ook tot uitgangspunt genomen door het gerechtshof Amsterdam in de beklagprocedure betreffende het overlijden van verzoekers zoon. [36]
3.Bespreking van het cassatiemiddel
voorlopigdeskundigenverhoor of -bericht heeft miskend. Meer concreet zou het hof hebben miskend dat een daartoe strekkend verzoek in beginsel behoort te worden toegewezen, mits het voldoende concreet en ter zake dienend is en feiten betreft die met het deskundigenonderzoek kunnen worden bewezen. Volgens de klacht staat het aan de verzoeker om te beoordelen of er nog vragen resteren die antwoord behoeven, althans is de redengeving innerlijk tegenstrijdig of onbegrijpelijk, omdat het hof zelf het in rov. 4.4 “begrijpelijk” heeft genoemd dat verzoeker “als vader van een overleden zoon nog vragen heeft en de onderste steen boven wil krijgen”. [37]
als zodanigzijn in cassatie niet bestreden.
strafrechtelijk onderzoek. Het hof overweegt dat deze omstandigheid niet meebrengt dat in de onderhavige (civiele) procedure geen of minder betekenis toekomt aan hun conclusies. Het hof voegt hieraan toe dat de verrichte onderzoeken betrekking hadden op de vraag naar wat feitelijk de oorzaak van het overlijden was. Het hof is van oordeel dat het verlangde (medisch/natuurwetenschappelijk) onderzoek betrekking heeft op diezelfde vraag. Verzoeker klaagt dat dit oordeel onjuist is, althans onbegrijpelijk, nu verzoeker heeft aangevoerd dat de beklagprocedure een ander toetsingskader kent, gericht op de vraag of sprake is van een strafbaar feit. Volgens het middelonderdeel ligt hierin besloten dat deskundigen in een strafzaak tot andere conclusies omtrent de doodsoorzaak kunnen komen dan in een civiele procedure.