Conclusie
1.Overzicht
Gerecht in eerste aanlegen in hoger beroep het
Gemeenschappelijk Hofhebben in essentie geoordeeld dat de inspecteur terecht het 10%-forfait heeft toegepast. Inherent aan een forfait is dat het een zekere ruwheid heeft, maar het gevaar van willekeurige en onredelijke resultaten wordt weggenomen door de tegenbewijsregeling. De belanghebbende heeft echter geen tegenbewijs geleverd. Evenmin heeft zij aannemelijk gemaakt dat een ministeriële instructie zou (hebben) bestaan om geen loonbelasting meer te heffen over rechtstreeks genoten fooien. Het beroep op een pleitbaar standpunt en ontbreken van kwade trouw is door beide instanties afgewezen; wel hebben beide instanties de vergrijpboeten gematigd in verband met overschrijding van de redelijke termijn van berechting.
Middel 1bestrijdt het oordeel dat de Mfb verbindend is. Het Hof heeft een onjuiste maatstaf aangelegd dan wel onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd geoordeeld. Het forfait leidt tot willekeurige en onredelijke heffing en tot schending van algemene rechtsbeginselen omdat het (i) is gebaseerd op een irrelevante en ongeschikte grondslag (de
geheleomzet), die niet aansluit bij factoren die het belastbare feit bepalen, zoals brutoloon; (ii) niet het bedrag van de werkelijk genoten fooien benadert; (iii) niet door de Minister is onderbouwd. Ook acht de belanghebbende het eigendomsgrondrecht ex art. 1 Protocol Pro I EVRM geschonden omdat het forfait op stelselniveau niet deugt.
BNB2005/22 heeft toegepast: (i) strijd met hogere wetgeving, met name de delegerende LvLB-bepaling, en (ii) strijd met ongeschreven algemene rechtsbeginselen. Dan resteert de begrijpelijkheid van ’s Hofs toepassing daarvan op de feiten. Met het Hof acht ik de omzet als forfaitbasis niet onredelijk of onbegrijpelijk, nu klanten hun fooi plegen te baseren op de hen gepresenteerde rekening, waarin ook begrepen kunnen zijn kosten van personeel zonder rechtstreeks publiekscontact en andere kosten. De Minister kon in redelijkheid menen dat omzet niet ongeschikter is dan - niet op de klantenrekening figurerend - brutoloon. De rechter kan niet in die beleidskeuze treden als noch de wet, noch algemene rechtsbeginselen worden geschonden. De Mbf is in zoverre wel gemotiveerd dat zij het bestaande en gepubliceerde beleid codificeerde. Mogelijk gebrek aan ‘transparantie’ maakt een algemeen verbindend forfait niet onverbindend, mede gegeven (i) de tegenbewijsmogelijkheid en (ii) dat een 15%
service chargekennelijk gebruikelijk is bij vergelijkbare bedrijven op Sint Maarten en als tegenbewijs wordt aanvaard volgens dat gepubliceerde beleid. Dat
slot machinesgeen rekening aan klanten presenteren en geen fooien ontvangen, kan de Minister redelijkerwijs gemeend ingecalculeerd te hebben door slechts 10% van de omzet te nemen in plaats van de kennelijk gebruikelijke 15%
service chargeop rekeningen, en de Minister kan redelijkerwijs verondersteld hebben dat ook winnende
slot machinespelers wel eens uitpakken jegens het personeel.
lawful, want gebaseerd op en vervat in de geldige wet, en heeft een
legitimate aim in the general interest, nl. belastingheffing naar het werkelijke loon en dus de werkelijke draagkracht, en praktische uitvoerbaarheid. De
fair balancetussen dat doel en de gevolgen voor de inhoudingsplichtige lijkt mij geenszins geschonden, gegeven (i) de
wide margin of appreciationvoor de nationale wetgever bij zijn afwegingen op sociaal-economisch terrein; (ii) de verdedigbaarheid van de grondslag van het forfait en diens percentage, de bewijsnood voor de fiscus, de administratie-plicht van de inhoudinsgplichtige en vooral de tegenbewijsmogelijkheid (waarmee – anders dan in box 3 – elke afwijking van de werkelijkheid kan worden voorkomen), en (iii) het ontbreken van feitelijke grondslag voor een
individual and excessive burden.
nietverbindend zijn, dan zou dat overigens alleen art. 1(2)(b) Mbf treffen en niet art. 1(1) Mbf, dat de inhoudingsplichtige expliciet verplicht om loonbelasting in te houden op fooien
van derden. Zelfs als de hele Mbf onverbindend zou zijn, volgt nog steeds rechtstreeks uit art. 4(3) LvLB dat van derden ontvangen fooien belast zijn en dat de – administratieplichtige - belanghebbende die moet aangeven.
middel 2heeft het Hof de termen ‘werknemer’ en ‘omzet’ in art. 1(2)(b) Mfb verkeerd uitgelegd. Het forfait geldt slechts voor fooien die ‘rechtstreeks ten goede komen aan de werknemer’, zodat ‘werknemer’ volgens de belanghebbende geen werknemers omvat die geen klantencontact hebben, waaruit volgt dat het forfait niet op de
heleomzet kan zien, maar alleen op de bar- en speeltafelomzet. Ik meen dat dit middel berust op verkeerde lezing van art. 1(2)(b) Mfb, dat niets anders doet dan het totale bedrag van rechtstreeks aan personeel betaalde fooien forfaiteren op 10% van de omzet, dus niet van enig onderdeel van de omzet. Het begrip ‘de werknemer’ is daarbij weinig relevant. De strekking van de bepaling is immers, mede gezien onderdeel (a), de buiten de werkgever om lopende fooien te bepalen. ‘De werknemer’ is dus een abstract begrip (het personeel) en niet enige concrete werknemer. De belanghebbende leest in de term ‘de omzet’ alleen ‘omzet gegenereerd door werknemers met rechtstreeks klantcontact,’ maar dat staat er niet. De inspecteur heeft de naheffing overigens gebaseerd op het laagste loonbelastingtarief, zodat ook als bij de belanghebbende enige andere dan evenredige toerekening van fooien aan het personeel aan de orde zou zijn, dat niet tot een andere naheffing zou leiden. Middel 2 faalt mijns inziens.
Amigoevan december 2007 berichtte dat de toenmalige Minister van financiën van de Nederlandse Antillen de inspectie geïnstrueerd had rechtstreeks van derden genoten fooien niet langer te belasten. Met het Hof meen ik dat een redactioneel krantenbericht geen rechtens relevant vertrouwen kan wekken. Het is geen kennisgeving door het bevoegde gezag en kan evenmin worden toegerekend aan dat gezag. De belanghebbende heeft de beweerdelijke instructie niet geproduceerd en geen ander bewijs geleverd. Evenmin heeft zij bij de feitenrechter aannemelijk gemaakt dat in een meerderheid van de met haar vergelijkbare gevallen op Sint Maarten heffing op basis van het forfait achterwege zou zijn gebleven. De Minister van financiën van Curaçao was eind 2011 niet (meer) bevoegd op Sint Maarten, dus diens intrekking van de Mbf voor Curaçao – bovendien pas eind 2011, dus ná de litigieuze belastingjaren – is niet relevant.
middel 5heeft het Hof de belanghebbende ten onrechte te kwader trouw geacht ter zake van de onjuistheid van haar loonbelastingaangiften en daarom ten onrechte de naheffingstermijn ex art. 17(2) Algemene Landsverordening Landsbelastingen (ALvL) tot 10 jaar verlengd geacht. Voor zover het herhaalt dat onbelastbaarheid van de fooien pleitbaar was, moet dit middel het lot van middel 4 delen. Voor zover het stelt dat geen sprake is van opzettelijke verstrekking van onjuiste informatie, geeft ’s Hofs oordeel geen blijk van een onjuiste rechtskundige maatstaf (voorwaardelijk opzet op onjuiste gegevensverstrekking aan de fiscus) en bestrijdt het voor het overige een feitelijk oordeel dat niet onbegrijpelijk is, gegeven belanghebbende administratieplicht, haar fooienvastleggingsafspraak met de fiscus en haar opgave desondanks van ‘fictieve’ fooibedragen aan de fiscus waarvan zij volgens het Hof begrijpelijkerwijs moest beseffen dat die niet juist konden zijn.
2.Feiten, geschil en geding in feitelijke instanties
De feiten en het geschil
4.1 Fooien en dergelijke prestaties van derden
slot machinesuitgesloten zou moeten worden, vindt volgens het Gerecht geen steun in de regelgeving. Uit belanghebbendes administratie blijkt verder onvoldoende dat de werkelijk ontvangen fooien naar beneden afwijken van het forfait van art. 1(2)(b) Mbf:
3.Het geding in cassatie
BNB2005/22, en
allewerknemers fooien hebben ontvangen, nu dit oordeel op een onjuist begrip van ‘’werknemer’’ in art. 1(2)(b) is gebaseerd.
- iii) Het Hof heeft ten onrechte niet aannemelijk geacht dat een instructie zou bestaan om geen loonbelasting meer te heffen over fooien bedoeld in de Mbf. Het
- iv) Het Hof heeft ten onrechte geoordeeld dat het aan belanghebbendes eigen grove schuld zou zijn te wijten dat te weinig belasting en premie is geheven omdat het Hof daarbij is uitgegaan van een onjuist loonbegrip en een onjuist begrip van wat een pleitbaar standpunt is. Bovendien is zijn oordeel onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd.
- v) Het Hof heeft ten onrechte geoordeeld dat de belanghebbende wist dat de betaling op aangifte onjuist was maar zich daardoor niet heeft laten weerhouden tot die onjuiste betaling en zich daarmee willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat te weinig zou worden geheven. Ook dit oordeel gaat uit van een onjuiste maatstaf en is onbegrijpelijk.
service chargeop de totale rekening aan de klant in rekening te brengen. Ook de keuze voor omzet in plaats van loon is niet onbegrijpelijk, nu klanten zich bij hun fooien baseren op het totaal van de verleende diensten.
Amigoe-bericht geen uitlating is van de Minister van Financiën van de voormalige Nederlandse Antillen als uitvoerder van de wet waaraan de belanghebbende enig vertrouwen kon ontlenen. Niet aannemelijk is gemaakt dat een instructie zoals gesteld vóór de ontmanteling van de Nederlandse Antillen bestond.
4.De wet
5.Middel 1: (on)verbindendheid van de Ministeriële beschikking fooien
BNB2005/22 heeft getoetst.
BNB1960/138 [11] houdt in dat lagere regelgeving alleen onverbindend is als zij leidt tot willekeurige en onredelijke belastingheffing die de wetgever bij het toekennen van de heffingsbevoegdheid niet op het oog kan hebben gehad. U overwoog:
BNB1960/138 gewezen (civiele) Spuitvliegersarrest, [13] moet daarnaast ook aan ongeschreven algemene rechtsbeginselen worden getoetst, te meer daar het in casu om een ministeriële uitvoeringsregeling gaat die niet langs de lokale volksvertegenwoordiging is gegaan, anders dan een gemeentelijke of provinciale belastingverordening.
BNB2005/22 [14] - betreffende een provinciale legesverordening – heeft u inderdaad de vroegere beperkte willekeurtoets uit het geciteerde arrest HR
BNB1960/138 vervangen door twee toetsen: (i) aan algemene rechtsbeginselen (waaronder het willekeurverbod) en (ii) aan de grenzen van de (in casu door de formele wet) gegeven heffingsbevoegdheid:
Leffers/Staat(overheidsingrijpen bij varkenspest). [17] Zou de Mbf deze algemene rechtsbeginselen schenden, dan lijkt mij overigens dat de Minister daarmee ook buiten de door de LvLB-gever beoogde grenzen van de delegatie is getreden.
Détournement de pouvoirdoet zich dus niet voor.
geheleomzet gebruikt, die niet aansluit bij factoren die het belastbare feit bepalen, zoals het brutoloon; (ii) niet het bedrag van de werkelijk genoten fooien benadert; (iii) niet door de Minister is onderbouwd (niet ‘transparant’ is).
tipniet overlaten aan de discretie van de clientèle, in het algemeen een
service chargevan 15% van de rekening exclusief fooi in rekening brengen. Van algemene bekendheid lijkt mij dat clientèle doorgaans de haar gepresenteerde rekening als basis neemt voor eventuele fooien: de
tipbestaat doorgaans uit een percentage van de rekening. Van algemene bekendheid lijkt mij ook dat de Sint-Maartense toeristenindustrie Amerikanen bedient, [20] dat zij op Sint Maarten in US$ betalen [21] en dat voor Amerikanen vanzelf spreekt dat personeel van uitgaansgelegenheden voor een belangrijk deel van zijn beloning afhankelijk is van
tips, reden waarom Amerikanen
grosso modo15% als
tipaan het rekeningbedrag toevoegen. [22]
tippingniet op de uit de hen gepresenteerde rekening niet-blijkende brutoloonkosten van het bedrijf, laat staan op individueel brutoloon ten gunste van bepaalde werknemers of groepen van werknemers. Gegeven dat tegenbewijs geleverd kan worden volgens de gewone vrije bewijsleer, meen ik met het Hof dat de rechter over de keuze tussen die twee grondslagen niet veel meer kan zeggen dan dat een andere keuze denkbaar was geweest, maar dat dat niet relevant is zolang de regelgever met zijn keuze het genoemde hogere recht en de genoemde algemene rechtsbeginselen niet schendt. Ik meen dat dat recht en die beginselen op zichzelf niet geschonden zijn door de gemaakte keuze.
slot machinesgeen rekening aan de klant presenteren en geen fooien ontvangen, anders dan horecapersoneel,
dealersen
croupiers. De
geheleomzet, inclusief die op
slot machines, is daarom volgens haar volstrekt ongeschikt als forfaitgrondslag en daarmee willekeurig en onredelijk. Dat betoog zou doel kunnen treffen als het percentage dat op die inderdaad nogal ruime grondslag wordt losgelaten, de kennelijk gebruikelijke 15% of meer zou belopen. Het percentage is echter aanzienlijk lager dan 15%, wellicht juist om rekening te houden met de eventualiteit dat in die ruime grondslag omzet is begrepen waarop geen fooien ontvangen zijn, gegeven dat de Minister een gemiddelde
service chargead 15% waarnam bij bedrijven die de
tipwél meteen maar alvast op de rekening zetten. Bovendien kon de Minister mijns inziens zonder haar bevoegdheid te overschrijden veronderstellen dat ook
slot machineklanten die een goede dag hebben wel eens uitpakken jegens het personeel uit blijdschap over een geld spugende
one-armed burglar.
heleMbf onverbindend zou zijn, zou dat de belanghebbende niet veel verder brengen: anders dan onverbindendheid van een gemeentelijke belastingverordening heeft onverbindendheid van de Mbf niet tot gevolg dat geen belasting- en premieschuld ontstaat, nu, zoals het Hof ook opmerkt, de rechtsbasis voor de materiële belastingschuld én belanghebbendes inhoudingsplicht niet de Mbf is, maar de LvLB, die onaangetast blijft en die fooien belast verklaart als loon en de belanghebbende tot inhoudingsplichtige. Onverbindendheid van de Mbf zou dus alleen maar een wederzijds bewijsprobleem opleveren, dat echter in de eerste plaats veroorzaakt wordt doordat de belanghebbende, kennelijk in strijd met haar administratieplicht, verzuimt om haar personeel ontvangen fooien te doen melden en de bedragen ervan vast te leggen, zulks ondanks een afspraak daartoe met de inspecteur. Als op basis van algemene ervaringsregels en branchegegevens (volstrekt) onaannemelijk is dat geen fooien genoten zijn, mag de inspecteur dan uitgaan van een hoge mits niet onredelijke schatting op basis van lokaal gebruik en ervaringsregels, branchegegevens, CBS-informatie, en dergelijke, waarna de belanghebbende, die niet alleen de bewijsnood in strijd met haar administratieplicht en afspraak met de fiscus heeft veroorzaakt, maar ook iets ongebruikelijks stelt (weinig fooien) én in de beste positie verkeert om bewijs te leveren, [24] tegenbewijs kan leveren. Ook uitgaande van dat scenario, moet echter geconstateerd worden dat zij bij de feitenrechter kennelijk niets concreets heeft ingebracht, maar zich heeft beperkt tot algemeenheden die de onjuistheid van een schatting op basis van lokaal gebruik, algemene ervaringsregels en branchegegevens niet kunnen bewijzen.
BNB1960/138 en HR
BNB2005/22. In het eerstgenoemde arrest overwoog u:
BNB2005/22 overwoog u:
service fee chargevan 15% op de rekening aan de klant.
lawful, want gebaseerd op en vervat in een geldige en tijdig en behoorlijk bekendgemaakte wet. Dat een
legitimate aim in the general interestvoorhanden is, lijkt mij evenzeer onbetwist(baar): (i) loonbelastingheffing zoveel mogelijk naar het werkelijk genoten loon en daarmee de werkelijke draagkracht, mede met het oog op het gelijkheidsbeginsel, en (ii) praktische uitvoerbaarheid. Ook de
fair balancetussen dat gerechtvaardigde doel in het algemene belang en de gevolgen van het forfait voor de inhoudingsplichtige lijkt mij geenszins geschonden, gegeven (i) de
wide margin of appreciationdie het EHRM de nationale wetgever bij die afweging op sociaal-economisch terrein laat; die wetgever moet zich wel heel ernstig misdragen, wil het EHRM ingrijpen in diens nationaal-politieke keuzes (zoals in de met belanghebbendes geval volstrekt onvergelijkbare zaken
N.K.M., Gáll en R.Sz. v Hungary [26] (een naar 98% oplopende inkomstenbelasting om de ontslagvergoeding van onwelgevallige ambtenaren weg te belasten) en
Yukos [27] (een
de factoonteigening door met name onevenredige invordering)); (ii) de verdedigbaarheid van zowel de grondslag van het forfait (zie boven) als het percentage, de bewijsnood voor de fiscus, de administratieplicht van de belanghebbende en de tegenbewijsmogelijkheid volgens de gewone vrije bewijsleer, waarmee – anders dan in box 3 van de Wet IB 2001 - elke afwijking van de werkelijkheid kan worden voorkomen en dus elke onverenigbaarheid op stelselniveau wordt weggenomen, en (iii) het ontbreken van feitelijke grondslag voor de stelling dat zich een
individual and excessive burdenzou voordoen: de belanghebbende stelt zelf dat zij geen idee heeft van het bedrag van de fooien, welke stelling overigens ook impliceert dat zij niets zinnigs kan zeggen over het stelselniveau.
fair balancetussen doel en middelen, waarop het bijna altijd aankomt in de fiscale zaken over het eigendomsgrondrecht die aan het EHRM worden voorgelegd, overwoog u in HR
BNB2019/161 [29] (één van de recente box 3-zaken):
geblekenonredelijke en willekeurige heffing in box 3 door een
stapelingvan ficties (een leegwaardefictie; een waarderingsfictie en een fictief rendement). [31] Belanghebbendes geval lijkt daarop in niets. Dat structureel uitgesloten zou zijn dat het forfait in de buurt van de werkelijkheid komt, heeft zij volgens de feitenrechters niet aannemelijk gemaakt.
Middel 2: de termen ‘werknemer’ en ‘omzet’ in de Ministeriële beschikking fooien
7.Middel 3: heffing in strijd met begunstigend beleid/vertrouwen?
Amigoevan 20 december 2007 de Belastingdienst zou hebben geïnstrueerd geen loonbelasting meer te heffen over fooien bedoeld in de Mbf, en (ii) de intrekking van de Mbf door de minister van Financiën van Curaçao eind 2011. Beide beroepen kunnen opgevat worden als een beroep op zowel het vertrouwensbeginsel als het gelijkheidsbeginsel.
Amigoeoverlegd, maar daarvoor geldt hetzelfde en het is bovendien een ontoelaatbaar
novumin cassatie. Het Hof heeft het bestaan van de beweerdelijke instructie niet aannemelijk geacht. Dat is een feitelijk oordeel dat mij geenszins onbegrijpelijk voorkomt.
BNB2020/17, [34] waarin u als volgt overwoog over de rechtswaarde van een (wellicht) toegezegde, maar na een regeringswissel niet tot stand gekomen ministeriële aanschrijving tot beleidsmatige belastingvrijstelling op Sint Maarten:
8.Middel 4: de vergrijpboeten; pleitbaar standpunt?
niet-inhoudings-plichtigen, art. 6C(4) LvLB maakt de Minister bevoegd regels te stellen over ‘het bedrag aan
fooienen dergelijke prestaties
van derden’(
curs. PJW), en de MvT bij de LvLB verklaart: [35]
heleMbf onverbindend was, zij niet op die grond ook pleitbaar kon menen dat geen belasting- en premieschuld en inhoudingsplicht zou ontstaan, nu de rechtsbasis voor de belasting- en premieschuld én haar inhoudingsplicht niet de Mbf is, maar de LvLB zelf, die onaangetast blijft en fooien belast verklaart als loon en de belanghebbende inhoudingsplichtig verklaart.
Nederlandseloonbelasting al dan niet van een ‘objectief loonbegrip’ uitgaat, lijkt mij niet relevant. De literatuur en jurisprudentie waarnaar de belanghebbende op dat punt verwijst, waaruit zou volgen dat fooien pas belast zijn als een forfait in uitvoeringswetgeving daarin voorziet, zien alleen op de Nederlandse Wet LB 1964; niet op de LvLB. Voor het Sint-Maartense regime volgt de inhoudingsplicht ter zake van fooien rechtstreeks en ondubbelzinnig uit de LvLB zelf en overigens ook uit art. 1(1) Mbf. U zie de wetteksten hierboven in onderdeel 4.
9.Middel 5: (geen) kwade trouw, dus (geen) verlenging van de naheffingstermijn?
BNB2003/124: [38]
BNB2017/162. [39]
kondenzijn) lijkt mij niet onvoldoende voor het oordeel dat de belanghebbende voorwaardelijk opzettelijk onjuiste fooigegevens aan de inspecteur heeft verstrekt.
Crédit Suisseaangeduide arrest, [40] doet aan de rechtskundige correctheid van de door hem toegepaste maatstaf niet af, gegeven dat het in dat arrest niet om een afdrachtbelasting ging zoals bij de belanghebbende, maar om een aanslagbelasting.