ECLI:NL:PHR:2020:45

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
17 januari 2020
Publicatiedatum
20 januari 2020
Zaaknummer
19/05734
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 lid 1 Wet BopzArt. 15:1 lid 1 Wet verplichte geestelijke gezondheidszorgArt. 261 RvArt. 271-277 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging beschikking voorlopige machtiging opname psychiatrisch ziekenhuis wegens onvoldoende hoorplicht

De zaak betreft een verzoek tot voorlopige machtiging voor opname van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis op grond van de Wet Bopz. De rechtbank Amsterdam verleende op 18 september 2019 de machtiging, ondanks dat betrokkene niet aanwezig was bij de zitting. De rechtbank oordeelde dat betrokkene behoorlijk was opgeroepen en niet bereid was zich te laten horen, mede omdat zij niet tijdig verscheen ondanks kennis van de zittingsdatum.

Betrokkene stelde in cassatie dat de rechtbank haar niet had gehoord in strijd met de hoorplicht van art. 8 lid 1 Wet Pro Bopz. De Hoge Raad overwoog dat de rechter de bereidheid van betrokkene om zich te laten horen zorgvuldig moet onderzoeken en motiveren. Hoewel betrokkene niet tijdig aanwezig was, bleek zij kort voor de zitting onderweg te zijn en meldde zich na afloop alsnog bij de rechtbank.

Hierdoor was het oordeel van de rechtbank dat betrokkene niet bereid was zich te laten horen onvoldoende gemotiveerd en berustte het op een onjuiste rechtsopvatting. De Hoge Raad vernietigde daarom de beschikking en verwees de zaak terug naar de rechtbank voor verdere behandeling en beslissing.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking tot voorlopige machtiging wegens onvoldoende motivering van de hoorplicht en verwijst de zaak terug naar de rechtbank.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer19/05734
Zitting17 januari 2020
CONCLUSIE
M.L.C.C. Lückers
In de zaak
[betrokkene] ,
(hierna: betrokkene),
verzoekster tot cassatie,
advocaat: mr M.E. Bruning,
tegen
de Officier van Justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam,
verweerder in cassatie,
niet verschenen.

1.Feiten en procesverloop

1.1
De officier van justitie heeft bij verzoekschrift, op 5 augustus 2019 ingekomen ter griffie van de rechtbank Amsterdam, verzocht een voorlopige machtiging te verlenen om verzoekster tot cassatie (hierna: betrokkene) te laten opnemen en te doen verblijven in een psychiatrisch ziekenhuis. Bij dit verzoekschrift was een geneeskundige verklaring gevoegd, opgemaakt en op 30 juli 2019 ondertekend door de niet bij de behandeling betrokken psychiater [betrokkene 1] .
1.2
Op 18 september 2019 heeft de rechtbank Amsterdam het verzoek mondeling behandeld in het gebouw van de rechtbank. Zij heeft daarbij gehoord: de advocaat van betrokkene mr. C. Stroobach, psychiater [betrokkene 2] en verpleegkundige [betrokkene 3] . Betrokkene was zelf niet ter zitting aanwezig.
1.3
Bij beschikking van diezelfde datum [1] heeft de rechtbank een voorlopige machtiging verleend tot opneming van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis tot en met 15 december 2019. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat bij betrokkene sprake is van stoornissen [2] die haar gevaar [3] doen veroorzaken en dat die gevaren niet op een andere manier dan door een gedwongen opname kunnen worden afgewend. Voor zover in cassatie van belang heeft de rechtbank met betrekking tot het horen van betrokkene het volgende overwogen:
“De rechtbank is van oordeel dat betrokkene behoorlijk is opgeroepen. Betrokkene is op 10 september 2019 door de rechtbank schriftelijk op de hoogte gesteld van de datum, tijdstip en locatie van de terechtzitting. Deze brief is op 12 september 2019 bezorgd op het postadres van betrokkene. De psychiater heeft ter zitting verklaard dat betrokkene op de hoogte is van de datum, tijdstip en plaats van de zitting. Hij heeft haar zojuist gesproken, waarbij betrokkene hem heeft gezegd nu, een kwartier voor aanvang van de zitting, in de auto te stappen om alsnog naar zitting te komen. Het is volgens de psychiater van belang de zaak vandaag te behandelen gelet op het gevaar dat betrokkene veroorzaakt.
De rechtbank gaat er, gelet op het vorenstaande, van uit dat betrokkene op de hoogte was van de datum, het tijdstip en de plaats van de zitting, maar dat zij er blijkbaar voor heeft gekozen niet (tijdig) ter zitting te verschijnen om haar standpunt toe te lichten. De rechter zal, mede gezien het gestelde gevaar, de zitting voortzetten zonder aanwezigheid van betrokkene. Mocht betrokkene alsnog verschijnen, kan zij de zitting bijwonen.”
1.4
Namens betrokkene is op 18 december 2019 en daarmee tijdig beroep in cassatie ingesteld. [4] In cassatie is geen verweerschrift ingediend. [5] In het verzoekschrift tot cassatie is het recht voorbehouden om naar aanleiding van de inhoud van het opgevraagde proces-verbaal [6] het cassatiemiddel te wijzigen dan wel aan te vullen. Van dat voorbehoud is geen gebruik gemaakt.

2.Bespreking van het cassatiemiddel

2.1
De Wet Bopz is per 1 januari 2020 vervallen. Op grond van het overgangsrecht in art. 15:1 lid 1 Wet Pro verplichte geestelijke gezondheidszorg (Stb. 2018, 37) blijft de Wet Bopz op de behandeling van deze zaak van toepassing.
2.2
Het cassatiemiddel valt uiteen in drie onderdelen.
Onderdeel 1dat uiteen valt in vijf klachten (a t/m e) klaagt in de kern dat de rechtbank betrokkene ter zitting van 18 september 2019 niet heeft gehoord en dat dit in strijd is met de hoorplicht als bedoeld in art. 8 lid 1 Wet Pro Bopz dan wel dat de rechtbank haar beschikking onbegrijpelijk heeft gemotiveerd.
2.3
Bij de beoordeling van deze klacht wordt het volgende vooropgesteld. Art. 8 lid 1 Bopz Pro bepaalt dat de rechter degene hoort ten aanzien van wie de machtiging is verzocht. Het is vaste rechtspraak [7] dat het hier gaat om meer dan hetgeen reeds voortvloeit uit het fundamentele beginsel van een behoorlijke rechtspleging dat iedere partij de gelegenheid moet krijgen om haar standpunt naar voren te brengen voordat de rechter een beslissing neemt. Ook dient immers zoveel mogelijk gewaarborgd te worden dat iemand niet van zijn vrijheid wordt beroofd zonder dat hij, zo hij dit wenst, zelf door de rechter wordt gehoord. Het is tegen deze achtergrond dat de onderzoeksplicht van de rechter naar de bereidheid van de betrokkene om zich te doen horen en de motivering van zijn vaststelling dat die bereidheid niet aanwezig was, moeten worden beoordeeld. Dit brengt mee dat de rechter die van oordeel is dat deze bereidheid ontbrak, dit in zijn beschikking dient vast te stellen en dat hij de gronden dient te vermelden waarop dat oordeel berust. Niet noodzakelijk is evenwel dat de rechter vaststelt dat de betrokkene heeft verklaard voormelde bereidheid te missen. Voldoende is dat dit naar het oordeel van de rechter kan worden afgeleid uit de wijze waarop hij zich heeft gedragen. Indien betrokkene in staat is zich naar de rechtbank te begeven, is de rechter vrij om het ontbreken van de bereidheid om te worden gehoord af te leiden uit de omstandigheid dat de betrokkene vervolgens behoorlijk ter zitting is opgeroepen, maar daar niet is verschenen. [8]
2.4
De oproeping voor de mondelinge behandeling door de rechtbank dient te geschieden overeenkomstig de bepalingen voor de verzoekschriftprocedure (art. 271 tot Pro en met 277 Rv). Ingevolge art. 261 Rv Pro in verbinding met art. 272-276 Rv geschiedt de oproeping voor de mondelinge behandeling van een verzoekschrift door de rechtbank door de griffier bij aangetekende brief, tenzij de rechter anders bepaalt in een algemene of bijzondere instructie aan de griffier. Het is in Bopz-zaken aan de rechter die over de feiten oordeelt om uit te maken welke wijze van oproeping in het gegeven geval of, bij een algemene instructie, in de gegeven groep gevallen de voorkeur verdient. [9] In het oordeel van de rechter dat de betrokkene behoorlijk is opgeroepen, ligt in beginsel besloten dat de oproeping overeenkomstig de wettelijke regeling dan wel overeenkomstig zijn instructie heeft plaatsgevonden. [10]
2.5
In cassatie wordt niet bestreden dat betrokkene behoorlijk is opgeroepen en dat zij op de hoogte was van datum, tijdstip en locatie van de terechtzitting. Ook de psychiater heeft ter zitting verklaard dat betrokkene op de hoogte was van de zitting en dat zij, een kwartier voor de aanvang van de zitting, in de auto zou stappen om alsnog naar de zitting te komen. Hoewel de rechter de zitting vijftien minuten had uitgesteld [11] is betrokkene niet voor de rechter verschenen. Uit deze premissen heeft de rechtbank de gevolgtrekking kunnen maken dat betrokkene niet bereid was zich te laten horen. Daartegenover staat echter dat betrokkene kort voor de zitting aan de psychiater heeft laten weten dat zij onderweg is naar de zitting. Uit de e-mail van 24 december 2019 [12] van de griffier van de rechtbank volgt dat betrokkene zich die dag ook bij de rechtbank heeft gemeld. De zitting was toen reeds beëindigd. In het licht hiervan zijn de door de rechtbank vermelde omstandigheden onvoldoende voor het oordeel dat betrokkene niet bereid was zich te doen horen. Het oordeel van de rechtbank geeft dan ook blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de eisen die in een geval als dit aan de hoorplicht worden gesteld, hetzij is het de ontoereikend gemotiveerd. Het bovenstaande leidt tot de slotsom dat het onderdeel gegrond is en dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven.
2.6
In het licht van het voorgaande behoeven de onderdelen 2 en 3 geen bespreking.

3.Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing naar die rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.De beschikking is op 18 september 2019 mondeling gegeven en is op dezelfde datum schriftelijk uitgewerkt en ondertekend.
2.De rechtbank heeft op blz. 2 vastgesteld dat is gebleken dat bij betrokkene sprake is van een ongespecificeerde schizofrenie spectrumstoornis met daarnaast een stoornis in het gebruik van alcohol.
3.De rechtbank heeft vastgesteld dat gevaar bestaat: (i) dat betrokkene maatschappelijk te gronde zal gaan en (ii) gevaar dat betrokkene, door haar hinderlijk gedrag, agressie van anderen tegen zichzelf zal afroepen.
4.De omstandigheid dat de geldigheidsduur van de verleende machtiging thans is verstreken staat niet in de weg aan de ontvankelijkheid van het cassatieberoep. Zie daarvoor HR 24 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2292, NJ 2011/390 m.nt. S.F.M. Wortmann.
5.De verweertermijn liep tot en met 9 januari 2020.
6.Door de griffie van de Hoge Raad ontvangen op 6 januari 2019.
7.HR 14 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2283, NJ 1997/378 m.nt. J. de Boer
8.HR 17 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2998, JVggz 2014/39 m.nt. W. Dijkers en HR 30 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:188, JVggz 2015/10 m.nt. W. Dijkers.
9.Vgl. HR 8 juli 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8128, NJ 2006/6.
10.HR 14 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2283, NJ 1997/378 m.nt. JdB; HR 24 september 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2973, NJ 1999/752 en HR 25 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:1017.
11.Zie blz 1 van het proces-verbaal van de zitting van 18 september 2019.
12.Overgelegd bij brief van 6 januari 2019.