Conclusie
1.Feiten
arrest) van het gerechtshof Amsterdam (hierna: het
hof). Partijen, Van Noort Gassler & Co. B.V., [verweerster 1] B.V. en [verweerder 2] worden hierna respectievelijk
Van Noort Gassler,
[verweerster 1]en
[verweerder 2]genoemd.
Adsebu oud) en exploiteerde onder die naam een accountants- en administratiekantoor. Enig aandeelhouder en bestuurder van [verweerster 1] is [betrokkene 1] (hierna:
[betrokkene 1]). [verweerder 2] is de zoon van [betrokkene 1] .
overeenkomst). De koopprijs bestaat uit de waarde van de cliëntenportefeuille (vastgesteld op 0,7 keer de genormaliseerde jaaromzet) en de waarde van de overige omzet (vastgesteld op een vast bedrag ter hoogte van € 20.000,=). Betaling van deze twee onderdelen van de koopprijs is geregeld in punt 2.2 respectievelijk 2.4 van de overeenkomst, die als volgt luiden:
Adsebu nieuw). Enig aandeelhouder van Adsebu nieuw is Van Noort Gassler & Co. Holding B.V. Bestuurder van Adsebu nieuw is Van Noort Gassler & Co. Directie B.V.
2.Procesverloop
In eerste aanleg
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Middel I(een inleiding en cassatieklachten I.A, I.B en I.C) [4] inzake de verwerping door het hof van het verrekeningsberoep door Van Noort Gassler, [5] en
Middel II(een inleiding en cassatieklacht II) [6] inzake de verwerping door het hof van het opschortingsberoep door Van Noort Gassler. [7]
nr. 4.1(de inleiding) geen klacht, maar slechts verwijzingen naar het door Van Noort Gassler bij wege van verweer in eerste aanleg en hoger beroep gedane opschortingsberoep en naar overwegingen van het hof in rov. 3.10.
nr. 4.2klaagt Van Noort Gassler in essentie dat met betrekking tot haar opschortingsberoep in het arrest geen concrete beslissing, in de vorm van overwegingen die betrekking hebben op dat verweer, te vinden zijn: in aansluiting op rov. 3.10-3.11 volgen in rov. 3.12-3.14 uitsluitend overwegingen die betrekking hebben op het verrekeningsdebat, de term ‘opschorting’ komt het in verdere arrest (vanaf rov. 3.12) niet voor, in wezen valt slechts uit het dictum af te leiden dat het hof het opschortingsberoep van Van Noort Gassler heeft verworpen. Aldus getuigt het oordeel van het hof van een onjuiste rechtsopvatting (nr. 4.2, tweede alinea) en/althans een tekortschietende motivering (nr. 4.2, derde alinea).
nr. 4.3klaagt Van Noort Gassler “subsidiair”, namelijk indien en voor zover “in de zinsnede in rov. 3.14” [16] een onderbouwing of motivering is gelegen voor de verwerping van haar opschortingsberoep, dat evenzeer moet worden geoordeeld dat 's hofs oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting omdat deze overwegingen de verwerping van het opschortingsverweer niet kunnen dragen, alsmede dat sprake is van een onbegrijpelijke en gebrekkige motivering. Daartoe voert de klacht het volgende aan (nr. 4.3, tweede alinea):
voldoende samenhang" tussen de tegenover elkaar staande verbintenissen. Dit vereiste brengt evenwel niet met zich mee dat slechts sprake kan zijn van een voldoende samenhang wanneer de verbintenissen uit één en dezelfde overeenkomst voortspruiten. Uit het tweede lid van artikel 52 blijkt Pro immers dat de samenhang ook kan voortvloeien uit zaken die partijen regelmatig met elkaar hebben gedaan. Ook een verwevenheid of verbondenheid van (rechts)personen kan ertoe leiden dat voldaan is aan het vereiste van een voldoende samenhang. [17] Voorts is in casu voldaan aan het in artikel 52 neergelegde Pro vereiste dat VNG [18] als schuldenaar een
opeisbarevordering heeft, nu zij (op grond van onrechtmatige daad) betaling vordert van hetgeen ten onrechte aan gelden is opgenomen c.q. geïncasseerd en voor de nakoming van die betalingsverplichting geen tijdsbepaling van toepassing is”. [19] [cursiveringen in origineel, A-G]
de vorderingen over en weer“
voortvloeien uit dezelfde koopovereenkomst enonderdeel uitmaken van dezelfde rechtsverhoudingzodat VNG terecht een beroep heeft gedaan op opschorting van haar betalingsverplichtingen jegens [verweerster 1] ”” [cursivering in origineel, onderstrepingen toegevoegd, A-G], en het vervolg van nr. 4.3, tweede alinea (vijfde zin), waarin zij mede betoogt dat “[v]oorts” is voldaan aan het in art. 6:52 BW Pro neergelegde vereiste “dat VNG als schuldenaar een
opeisbarevordering heeft” [cursivering in origineel, A-G]. Dat strookt ook met de verwijzing in nr. 4.3 naar art. 6:52 BW Pro (over “zaken die partijen regelmatig met elkaar hebben gedaan”) en de rechtspraak waarnaar de klacht verwijst in noot 24 bij nr. 4.3, welk arrest ziet op een opschortingsberoep door een partij (de gemeente Amsterdam) met zowel een vordering (op een zekere Luyer wegens energielevering aan het bedrijfspand van de v.o.f. waarvan hij toen beherend vennoot was) als een verbintenis (tot energielevering aan Luyers privéadres), waarbij het hof had aangenomen (hetgeen de Hoge Raad in stand laat) dat die partij bevoegd was nakoming van haar verbintenis op te schorten nu tussen die vordering en die verbintenis voldoende verband bestond om deze opschorting te rechtvaardigen (rov. 3.2-3.3). Dit laatste, alsmede het deel van de klacht (nr. 4.3, tweede alinea, vierde zin) waarbij dit laatste hoort, strookt ook met het betoog van Van Noort Gassler in de memorie van grieven, nrs. 3.55-3.57 als samengevat door het hof in rov. 3.10, laatste zin [22] en beoordeeld door het hof in het kader van grief 7. Daarbij is door Van Noort Gassler wel uitgegaan van de in rov. 2.7 van het arrest bedoelde cessie (zie de memorie van grieven, nr. 3.57, eerste zin), en erop gewezen dat de hier “opgeworpen vordering” aan de zijde van Van Noort Gassler zich “niet (alleen)” richt tot [betrokkene 1] “maar (ook)” tot [verweerster 1] (zie de memorie van grieven, nr. 3.57, tweede t/m zesde zin, mede over vereenzelviging van [verweerster 1] en [betrokkene 1] ), [23] maar de in rov. 2.8 van het arrest bedoelde retrocessie buiten beschouwing gelaten. Aldus ook de memorie van antwoord, nrs. 21-22 (het verweer van [verweerster 1] tegen grief 7), waarop ik geen traceerbare reactie kan ontwaren in de pleitnota in hoger beroep zijdens Van Noort Gassler; daarin zie ik ook overigens geen stellingen die betrekking hebben op het opschortingsberoep van Van Noort Gassler, haar verrekeningsberoep staat daarin centraal. In de memorie van grieven is ook geen grief van Van Noort Gassler vindbaar (noch in grief 7, noch elders) tegen de in rov. 4.3 van het eindvonnis besloten liggende eis, dat voor een beroep op opschorting sprake moet zijn van een “opeisbare vordering
van de opschortende partij” [cursivering, A-G] met voldoende samenhang tussen die opeisbare vordering van de opschortende partij en de door hem opgeschorte verbintenis. Dit strookt ook met de memorie van grieven, nrs. 3.55-3.57 (waaruit blijkt dat grief 7 zich richt tegen het oordeel van de rechtbank in rov. 4.3 van het eindvonnis over het ontbreken van die vereiste samenhang, waarop de rechtbank het opschortingsberoep laat afstuiten) en rov. 3.10, laatste zin, waarover hiervoor. Zie overigens nog rov. 2.4 van het arrest, waaruit volgt dat Van Noort Gassler noch aandeelhouder noch bestuurder is van Adsebu nieuw: dat eerste is Van Noort Gassler & Co.
HoldingB.V., dat tweede is Van Noort Gassler & Co.
DirectieB.V.
nr. 4.4is een voortbouwklacht opgenomen, aldus dat gegrondbevinding van “de klacht II” het dictum van het arrest aantast, zodat het arrest niet in stand blijven. Deze klacht deelt in het lot van nrs. 4.1-4.3.
nrs. 3.1-3.3lees ik geen klacht, slechts verwijzingen naar de door Van Noort Gassler bij wege van verweer in eerste aanleg en hoger beroep gedane verrekenings- en opschortingsberoepen en naar overwegingen van het hof in rov. 3.10-3.12.
nrs. 3.4-3.6wordt klacht I.A uiteengezet. In
nrs. 3.7-3.11wordt klacht I.B uiteengezet. In
nrs. 3.12-3.17wordt klacht I.C uiteengezet. Alvorens hierop in te gaan, zet ik uiteen op welke wijze het hof het door Van Noort Gassler bij wege van verweer gedane verrekeningsberoep beoordeelt in rov. 3.12-3.14, volgend op rov. 3.10-3.11. [29]
nietaf te wijzen”. [41]
nr. 3.4- dat het hof blijk zou hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting in rov. 3.13, door te oordelen dat de vraag of Van Noort Gassler beschikt over de bevoegdheid tot verrekening, beantwoord moet worden “op grond van de feiten en omstandigheden ten tijde van ’s hofs arrest”. Aldus zou het hof hebben miskend, kort gezegd, dat die bevoegdheid beoordeeld dient te worden naar (uiterlijk) het moment waarop het beroep op verrekening is gedaan.
nr. 3.5ook gelden voor rov. 3.14, vierde t/m zesde zin van het arrest, waarbij Van Noort Gassler aantekent dat het daar aan de orde zijnde oordeel van de rechtbank niet in kracht van gewijsde is gegaan en (dus) niet onherroepelijk is, zodat het enkele oordeel van de rechtbank onverlet laat dat het verrekeningsberoep van Van Noort Gassler “wel degelijk in overeenstemming is met de wettelijke bepalingen en derhalve terecht is gedaan”. Als de rechter in hoger beroep het vonnis in eerste aanleg vernietigt, wat het hof volgens Van Noort Gassler had moeten doen, komt aan dat vonnis geen rechtskracht (meer) toe en is ook daarom door dat vonnis aan de verrekeningsverklaring niet de werking ontnomen.
nr. 3.6. [48]
nr. 3.4, die daaraan voorbijgaat, vast. Voor zover de klacht in
nr. 3.5 voortbouwt op nr. 3.4, loopt dit om dezelfde reden vast. Hetgeen de klacht overigens aanvoert in nr. 3.5 strandt op het feit dat ’s hofs bestreden oordeel in rov. 3.14, zesde zin geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de werking van art. 6:136 BW Pro (zie wederom onder 3.13 hiervoor), en dat ook dit deel van de klacht klaarblijkelijk eraan voorbijziet dat het hof dat bij wege van verweer gedane verrekeningsberoep van Van Noort Gassler in rov. 3.14 verwerpt in ieder geval en zelfstandig dragend met toepassing van art. 6:136 BW Pro. Ik kan niet inzien hoe het in nr. 3.5 opgemerkte de conclusie kan rechtvaardigen dat het hof in rov. 3.14, vierde t/m zesde zin blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Hetgeen de klacht nog aanvoert in
nr. 3.6bouwt voort op, en deelt daarmee in het lot van, nrs. 3.4-3.5.
nr. 3.7op de overwegingen van het hof in rov. 3.14, eerste zin dat met de retrocessie van 15 augustus 2016 "exact dezelfde gestelde (tegen)vordering op [verweerster 1] " is overgedragen en in rov. 3.14, zevende t/m negende zin (onder verwijzing naar die akte van cessie) dat het de bedoeling van Van Noort Gassler is geweest om de gestelde tegenvordering op [verweerster 1] in zijn geheel te cederen, en dat Van Noort Gassler geen feiten of omstandigheden heeft gesteld die tot een andere uitleg van de overeengekomen (retro)cessie zouden kunnen leiden. Dit oordeel zou getuigen van een onjuiste rechtsopvatting en bovendien onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd zijn.
nr. 3.8wordt kort gezegd aangevoerd dat Van Noort Gassler, door haar ter comparitie op 22 februari 2016 gedane verrekeningsberoep, ten tijde van de retrocessie op 15 augustus 2016 over niets anders beschikte - en om juridische redenen over niets anders kon beschikken - dan “de eventuele
restantvordering” op [verweerster 1] , bestaande uit “het eventuele meerdere boven het ‘gemeenschappelijk beloop’ van de beide verbintenissen”. Gegeven deze verrekening is de opvatting van het hof, inhoudend “dat exact dezelfde tegenvordering bij retrocessie is overgedragen aan Adsebu-nieuw en dat daarom aan VNG geen (enkel) vorderingsrecht meer zou toekomen”, in ieder geval rechtens onjuist, aldus nr. 3.8.
nr. 3.11. [50]
nr. 3.9), deelt deze in het lot daarvan. De klacht ziet in
nr. 3.8eraan voorbij dat, het hof in rov. 3.14, vierde t/m zesde zin met juistheid oordeelt dat, de verwerping door de rechtbank op de voet van art. 6:136 BW Pro van het bij wege van verweer gedane verrekeningsberoep van Van Noort Gassler meebrengt dat de werking aan haar in eerste aanleg (ter comparitie van 22 februari 2016) gedane verrekeningsverklaring is ontnomen, zodat van een verrekening als bedoeld in nr. 3.8 (“Gegeven deze verrekening”) geen sprake is. Zie onder 3.13 hiervoor. Gelet daarop valt de bodem weg onder de rechtsklacht in nr. 3.8, wat ook doorwerkt in het vervolg van de klacht (nrs. 3.9-3.11). De rechtsklacht in
nr. 3.9gaat uit van een verkeerde lezing van rov. 3.14 van het arrest en mist derhalve feitelijke grondslag, nu hetgeen nr. 3.9 veronderstelt gelet op het voorgaande en blijkens rov. 3.10-3.14 in werkelijkheid niet in ’s hofs oordeel besloten ligt: het hof gaat immers uit van géén gehonoreerd verrekeningsberoep door Van Noort Gassler, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep. Op het vruchteloze verwijzen in nr. 3.9 slot naar klacht I.A wees ik zo-even al. De motiveringsklacht in
nr. 3.10(aansluitend op nr. 3.9) haalt evenmin de eindstreep. Voor zover de overwegingen van het hof in rov. 3.14, zevende t/m negende zin niet al ten overvloede zijn gegeven (“Bovendien”), geldt dat, gezien ook rov. 2.7-2.8 en 2.10 van het arrest: [51]
Nr. 3.11bouwt voort op, en deelt daarmee in het lot van, nrs. 3.8-3.10. Gelet op het voorgaande valt
nr. 3.7ook om.
nr. 3.12rov. 3.14, tweede zin van het arrest, gevolgd door: “Het vorderingsrecht zou “
dus” niet meer aan VNG toebehoren”. Dit “oordeel” zou wederom van een onjuiste rechtsopvatting getuigen, terwijl het bovendien onbegrijpelijk althans gebrekkig zou zijn gemotiveerd.
nr. 3.17. [55]
nr. 3.13uit van een verkeerde lezing van rov. 3.14, tweede en derde zin van het arrest en mist daarmee feitelijke grondslag, nu het woord “dus” in rov. 3.14, derde zin verband houdt met rov. 3.14, eerste zin, niet rov. 3.14, tweede zin als (min of meer) geciteerd in nr. 3.13. Voor zover de klacht in
nrs. 3.14-3.16tot uitgangspunt neemt dat het hof daarin tot uitdrukking heeft willen brengen dat “de gestelde verrekening afstuit [op] het vereiste van bepaalbaarheid” die “besloten ligt in artikel 6:127 BW Pro” (zie o.a. nr. 3.14), [56] is wederom sprake van een verkeerde lezing van rov. 3.14, tweede (en derde) zin en daarmee ontbreken van feitelijke grondslag, nu het hof als gezegd aan dat bij wege van verweer gedane verrekeningsberoep van Van Noort Gassler in rov. 3.14 voorbijgaat met toepassing van art. 6:136 BW Pro, een te onderscheiden regeling. Zie onder 3.13 en 3.16 hiervoor. Voor zover de klacht in
nrs. 3.14-3.16dit laatste niet miskent, geldt dat de rechter bij toepassing van de in art. 6:136 BW Pro vervatte liquiditeitscorrectie over een discretionaire bevoegdheid beschikt; of de gegrondheid van een verrekeningsbevoegdheid op eenvoudige wijze kan worden vastgesteld, is een oordeel van feitelijke aard dat niet in cassatie op juistheid toetsbaar is, [57] welk oordeel niet uitgebreid hoeft te worden gemotiveerd. [58] Zie onder 3.13 hiervoor. Gelet daarop, waaraan de klacht in wezen voorbijgaat, valt die toepassing door het hof van art. 6:136 BW Pro in rov. 3.14, als eveneens nader uiteengezet onder 3.13 hiervoor, m.i. niet aan te merken als rechtens onjuist of ontoereikend gemotiveerd. De verspreide opmerkingen in nrs. 3.14-3.15 (inclusief noot 20 bij nr. 3.14) en de generieke verwijzing in nrs. 3.14 en 3.16 naar ca. 30 alinea’s in de memorie van grieven (nrs. 3.25 t/m 3.53, neerkomend op de toelichting op grief 6), die in de sleutel staan van ‘de bepaalbaarheid van de ter verrekening ingeroepen vordering’, dwingen niet tot een andere uitkomst. Deze doen immers niet eraan af:
Grief VI
productie 1haar conclusie van antwoord in conventie/eis in reconventie in de procedure aanhangig bij de Rechtbank tussen haarzelf en Adsebu Nieuw met verzoek de inhoud daarvan en bijlagen daarbij als hier herhaald en ingelast te willen beschouwen”.
Nr. 3.17bouwt voort op, en deelt daarmee in het lot van, nrs. 3.13-3.16. Gelet op het voorgaande valt
nr. 3.12ook om.