Uitspraak
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gevestigd te [vestigingsplaats]
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
5 april 2019.
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of aan de voorwaarden voor toewijzing van een geldvordering in kort geding was voldaan, waarbij een beroep op verrekening op grond van artikel 6:136 BW Pro werd gedaan.
De procedure begon bij de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam, gevolgd door twee arresten van het gerechtshof Amsterdam. Tegen deze arresten stelde eiseres cassatieberoep in bij de Hoge Raad, waarbij verweerster verstek liet gaan.
De Advocaat-Generaal adviseerde het cassatieberoep te verwerpen. De Hoge Raad volgde dit advies en oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden. Gezien artikel 81 lid 1 RO Pro was geen nadere motivering vereist omdat de klachten geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling opriepen.
De Hoge Raad wees het beroep af en veroordeelde eiseres in de kosten van het cassatiegeding, die aan de zijde van verweerster op nihil werden begroot.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de eerdere arresten van het hof worden bekrachtigd.