Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat het hof het openbaar ministerie ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, (geheel) ontvankelijk heeft geacht in de strafvervolging ter zake van de onder 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde feiten,[1] aangezien het recht tot strafvervolging ter zake van deze feiten door verjaring geheel of gedeeltelijk is komen te vervallen.
tweede middelbevat de klacht dat het hof het beroep van de verdediging op de samenloopbepalingen (art. 55 en Pro 56 Sr) ten onrechte, althans op onbegrijpelijke en/of ontoereikende gronden heeft verworpen en aldus ten onrechte zowel de strafbepalingen inzake valsheid als die inzake het gebruikmaken van de voorwerpen ten opzichte waarvan de valsheid was gepleegd, heeft toegepast.