Conclusie
1.Inleiding
2.Het middel
Proces-verbaal van de terechtzitting
Parket bij de Hoge Raad
De verdachte werd door het hof Den Haag veroordeeld voor mishandeling van een politieagente en kreeg een gevangenisstraf van drie weken, waarvan een week voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden en een proeftijd van twee jaar. Tevens werd de tenuitvoerlegging gelast van een eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van een week.
De verdediging stelde cassatieberoep in met het middel dat het hof in strijd met art. 14j lid 1 Sr de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging niet had gemotiveerd. De advocaat-generaal analyseerde het dossier, waaronder de proces-verbalen van de terechtzittingen en het arrest van het hof, en concludeerde dat noch het vonnis van de politierechter noch het arrest van het hof enige motivering bevatte voor de toewijzing van de tenuitvoerleggingsvordering.
Op grond van de toen geldende wettelijke regeling (art. 14j lid 1 Sr, oud) dient een rechterlijke beslissing omtrent de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf met redenen te zijn omkleed. Het ontbreken daarvan betekent dat het middel slaagt. De advocaat-generaal adviseert daarom het arrest te vernietigen voor zover het de beslissing op de tenuitvoerleggingsvordering betreft en de zaak terug te verwijzen naar het hof voor een nieuwe beoordeling.
De conclusie bevat tevens een toelichting op de wetswijziging per 1 januari 2020 waarbij art. 14j lid 1 Sr is vervallen en vervangen door bepalingen in het Wetboek van Strafvordering, die de motiveringsplicht ongewijzigd laten. De Hoge Raad wordt gewezen op eerdere jurisprudentie die de motiveringsvereiste bevestigt.
De advocaat-generaal ziet geen andere gronden voor vernietiging en beperkt het advies tot de motiveringskwestie bij de tenuitvoerlegging.
Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd wegens ontbreken van motivering bij de tenuitvoerlegging en de zaak wordt terugverwezen naar het hof.