ECLI:NL:PHR:2020:512

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
26 mei 2020
Publicatiedatum
22 mei 2020
Zaaknummer
18/05515
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14j lid 1 SrArt. 14c SrArt. 14d SrArt. 63 SrArt. 6:6:5 lid 1 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest wegens ontbreken motivering tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf

De verdachte werd door het hof Den Haag veroordeeld voor mishandeling van een politieagente en kreeg een gevangenisstraf van drie weken, waarvan een week voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden en een proeftijd van twee jaar. Tevens werd de tenuitvoerlegging gelast van een eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van een week.

De verdediging stelde cassatieberoep in met het middel dat het hof in strijd met art. 14j lid 1 Sr de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging niet had gemotiveerd. De advocaat-generaal analyseerde het dossier, waaronder de proces-verbalen van de terechtzittingen en het arrest van het hof, en concludeerde dat noch het vonnis van de politierechter noch het arrest van het hof enige motivering bevatte voor de toewijzing van de tenuitvoerleggingsvordering.

Op grond van de toen geldende wettelijke regeling (art. 14j lid 1 Sr, oud) dient een rechterlijke beslissing omtrent de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf met redenen te zijn omkleed. Het ontbreken daarvan betekent dat het middel slaagt. De advocaat-generaal adviseert daarom het arrest te vernietigen voor zover het de beslissing op de tenuitvoerleggingsvordering betreft en de zaak terug te verwijzen naar het hof voor een nieuwe beoordeling.

De conclusie bevat tevens een toelichting op de wetswijziging per 1 januari 2020 waarbij art. 14j lid 1 Sr is vervallen en vervangen door bepalingen in het Wetboek van Strafvordering, die de motiveringsplicht ongewijzigd laten. De Hoge Raad wordt gewezen op eerdere jurisprudentie die de motiveringsvereiste bevestigt.

De advocaat-generaal ziet geen andere gronden voor vernietiging en beperkt het advies tot de motiveringskwestie bij de tenuitvoerlegging.

Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd wegens ontbreken van motivering bij de tenuitvoerlegging en de zaak wordt terugverwezen naar het hof.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer18/05515
Zitting26 mei 2020
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
hierna: de verdachte.

1.Inleiding

1.1.
Bij arrest van 18 december 2018 heeft het gerechtshof Den Haag met aanvulling van gronden het vonnis van de rechtbank Den Haag van 21 maart 2018 bevestigd. Bij dat vonnis is de verdachte veroordeeld wegens “mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening” tot een gevangenisstraf voor de duur van drie weken, waarvan een week voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden en een proeftijd van twee jaren. De vordering benadeelde partij is toegewezen, een en ander zoals in het bevestigde vonnis is vermeld. Ten slotte is de tenuitvoerlegging gelast van een eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een week.
1.2.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. A.P. Visser, advocaat te Den Haag, heeft een middel van cassatie voorgesteld.

2.Het middel

2.1.
Het middel bevat de klacht dat het hof in strijd met art. 14j lid 1 Sr de beslissing op de vordering tenuitvoerlegging niet heeft gemotiveerd.
2.2.
Het hof heeft het vonnis van de politierechter van de rechtbank Den Haag bevestigd onder aanvulling van gronden. Voor een goed begrip geef ik eerst de voor de beoordeling van het middel relevante passages uit respectievelijk het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg, het bevestigde vonnis van de rechtbank, het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep en tot slot het arrest van het hof weer.
2.3.
Het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank van 21 maart 2018 houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

Proces-verbaal van de terechtzitting
(…)
De officier van justitie draagt de zaak voor en maakt melding van de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf met parketnummer 09-240696-17.
De politierechter deelt mede de korte inhoud van alle stukken van het onderzoek, voor zover van belang met het oog op enige door de politierechter te nemen beslissing.
De verdachte legt op vragen van de politierechter een verklaring af, inhoudende - zakelijk weergegeven:
(…)
U bespreekt ook de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf. Mijn vriendin en ik hadden woorden. De buren hebben de politie gebeld. De politie heeft haar overgehaald om aangifte te doen. Zij wilde een paar dagen later haar aangifte intrekken, maar dat kon niet. En toen heb ik een gevangenisstraf voor de duur van een week voorwaardelijk opgelegd gekregen.
(…)
De officier van justitie vordert de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter d.d. 26 januari 2018 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 1 week.
(…)
Met betrekking tot de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf verzoek ik u de proeftijd met een jaar te verlengen en anders de gevangenisstraf om te zetten naar een taakstraf.
De officier van justitie en de raadsman voeren andermaal het woord.
De officier van justitie repliceert als volgt.
De vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf ziet op een uitspraak van de politierechter van 26 januari 2018. Dat betekent dat verdachte zich binnen twee maanden na het opleggen van een vrijheidsstraf opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een mishandeling. Dat verdient een consequente aanpak. Daarom persisteer ik en verzoek ik toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging. Met de persoonlijke omstandigheden van verdachte wordt voldoende rekening gehouden door reclasseringstoezicht aan te bieden.
De raadsman dupliceert en bepleit het volgende.
De voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 1 week kan worden omgezet naar een taakstraf of de proeftijd kan verlengd worden met een jaar. Gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte verdient dit de voorkeur boven een tenuitvoerlegging.”
2.4.
Het door het hof bevestigde vonnis van de politierechter houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:
“De strafmotivering
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
De politierechter neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van een politieagente, zodanig dat de agente daar letsel aan over heeft gehouden. Het gebruik van en het dreigen met geweld tegen de politie is een ernstige zaak. Door zijn handelen heeft verdachte het gezag van deze opsporingsambtenaar ondermijnd. De politierechter rekent verdachte dit feit aan.
De politierechter heeft acht geslagen op een uittreksel Justitiële Documentatie van 7 februari 2018, waaruit kan worden opgemaakt dat verdachte eerder is veroordeeld wegens soortgelijke feiten.
De politierechter heeft eveneens kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 15 maart 2018, opgemaakt door [betrokkene 1] , reclasseringswerker. Binnen een eerder opgelegd toezicht is ingezet op het verminderen van de kans op recidive door het aanpakken van zijn sociaal maatschappelijke problematiek die erg op de voorgrond stond. Daarnaast is ingezet op gedragsverandering en het onder controle krijgen van zijn alcoholverslaving door een behandeling bij de forensische polikliniek van Palier. Het recidiverisico is stabiel gebleven tijdens het toezicht en wordt op basis van zijn uittreksel Justitiële Documentatie als gemiddeld ingeschat. De kans op letstelschade wordt op basis van eerdere veroordelingen wegens het plegen van delicten met een geweldscomponent als gemiddeld ingeschat. Er is ingezet op het versterken van de beschermende factoren en het stabiliseren van zijn leefsituatie om risicosituatie te verminderen en betrokkene goed in te bedden in de zorg. Een behandeling gericht op agressieregulatie was nog niet aan de orde gekomen en zou nodig zijn om zijn agressieregulatie en het anders leren uiten van onvrede te verbeteren, ten einde de kans recidive op de lange termijn positief te beïnvloeden.
De politierechter zal rekening houden met de inhoud van het reclasseringsadvies van GGZ Fivoor Den Haag bij het bepalen van de aan verdachte op te leggen straf, met name met hetgeen gesteld wordt ten aanzien van het opleggen van de bijzondere voorwaarden zoals een meldplicht en een (ambulante) behandelverplichting.
De politierechter is - alles overwegende - van oordeel dat een gevangenisstraf van na te melden duur passend is. Een gedeelte van deze vrijheidsstraf zal voorwaardelijk worden opgelegd om verdachte ervan te weerhouden nieuwe strafbare feiten te begaan en zodat verdachte de geïndiceerde hulp kan krijgen. De politierechter zal met het oog daarop de bijzondere voorwaarden opleggen, zoals door de reclassering is geadviseerd.
(…)
Beslissing
De politierechter
(…)
gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis van de politierechter in deze rechtbank d.d. 26 januari 2018, gewezen onder parketnummer 09/240696-17, te weten gevangenisstraf voor de duur van 1 (een) week.”
2.5.
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 4 december 2018 houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:
“De raadsman van de verdachte wordt onmiddellijk na het voordragen van de zaak in de gelegenheid gesteld de bezwaren van de verdachte tegen het vonnis op te geven.
De raadsman geeft op dat de bezwaren van verdachte zich richten tegen de toewijzing van de vordering tenuitvoerlegging.
(…)
De advocaat-generaal voert hierna het woord en draagt de vordering voor. De advocaat-generaal vordert dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd, met aanvulling van het dadelijk uitvoerbaar verklaren van de opgelegde en in het vonnis waarvan beroep opgenomen bijzondere voorwaarden, en legt de vordering aan het gerechtshof over.
De raadsman voert het woord tot verdediging als volgt:
De verdediging heeft geen bezwaar tegen de bewezenverklaring en de strafoplegging, maar wel tegen de toewijzing van de vordering tenuitvoerlegging. Detentie zou contraproductief werken in de ingezette verbeterde situatie van de verdachte, dus daarom bepleit ik (gedeeltelijke) omzetting in een taakstraf dan wel verlenging van de proeftijd.”
2.6.
Het arrest van het hof houdt onder meer het volgende in:
“Het vonnis waarvan beroep
De behandeling van de zaak in hoger beroep heeft het hof - ook met toepassing van artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht - niet gebracht tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van de eerste rechter, met dien verstande dat het hof in het vonnis waarvan beroep de hierna te vermelden aanvulling aanbrengt.
Het hof zal de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden bevelen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat is gericht - tegen en gevaar heeft veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon, te weten [slachtoffer 1].
Het hof is van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Blijkens het Reclasseringsadvies van Palier d.d. 15 maart 2018 is er sprake van een directe samenhang van het middelengebruik en de agressieproblematiek van de verdachte met diens criminele gedrag. Bij gebrek aan aanwijzingen voor het tegendeel gaat het hof ervan uit dat het middelengebruik en de agressieproblematiek van de verdachte nog onverminderd is. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte medegedeeld dat er sprake is van alcoholproblematiek bij verdachte en dat hij onlangs is aangehouden in verband met de verdenking van een mishandeling welke hij onder invloed van alcohol zou hebben begaan.
Daarom zal het hof bevelen dat de bijzondere voorwaarden en het op grond van artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.
Aangezien de verdachte na de datum waarop het door de eerste rechter bewezen verklaarde feit gepleegd is opnieuw tot straf is veroordeeld, zal het hof de in het vonnis waarvan beroep vermelde wetsartikelen aanvullen met artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
Het vonnis waarvan beroep dient derhalve onder aanvulling van gronden te worden bevestigd.
BESLISSING
Het hof:
beveelt dat de op grond van artikel 14c Wetboek van Strafrecht gestelde bijzondere voorwaarden, zoals weergegeven in het vonnis waarvan beroep, en het op grond van artikel 14d Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn;
bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.”
2.7.
Op grond van art. 14j lid 1 (oud) Sr, zoals dat luidde ten tijde van het bestreden arrest, dient een rechterlijke beslissing omtrent een vordering van het openbaar ministerie met redenen te zijn omkleed. [1] Een bevel tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf moet daarom worden gemotiveerd. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat daartoe voldoende is dat wordt vastgesteld dat in de proeftijd een strafbaar feit is gepleegd (en daarmee de algemene voorwaarde niet is nageleefd). [2]
2.8.
Het door het hof bevestigde vonnis van de politierechter houdt geen enkele motivering in ten aanzien van de beslissing tot toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging. Het arrest van het hof evenmin. Dat betekent dat niet is voldaan aan de motiveringsplicht van art. 14j lid 1 (oud) Sr, zodat het middel slaagt. [3]

3.Conclusie

3.1.
Het middel slaagt.
3.2.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.3.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag opdat de zaak wat betreft de beslissing op de vordering tenuitvoerlegging opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Bij de inwerkingtreding op 1 januari 2020 van de Wet USB is art. 14j lid 1 Sr komen te vervallen (Wet van 22 februari 2017, Stb. 2017, 82). Thans dient op grond van art. 6:6:5 lid 1 jo Pro. 6:6:21 lid 1 onder a Sv de beslissing van de rechter op de vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk niet ten uitvoer gelegde straf of maatregel met redenen te zijn omkleed. De nieuwe regeling heeft geen wijzigingen gebracht in de motiveringsplicht zoals die gold op grond van art. 14j lid 1 (oud) Sr, vgl. Kamerstukken II 2014/15, 34086, nr. 3.
2.Vgl. HR 11 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1290, HR 7 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2956, HR 26 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK5582.
3.Vgl. HR 25 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:1032, HR 8 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2525.