Conclusie
Nummer19/02322
18 augustus 2017
eerste middelklaagt dat het bewezenverklaarde niet kan volgen uit de bewijsmiddelen. Het
tweede middelkeert zich met een motiveringsklacht tegen ’s hofs verwerping van het verweer dat de verdachte niet weet hoe zijn op de vluchtroute van de dader aangetroffen telefoon daar is terechtgekomen. Het
derde middelklaagt dat het hof ontoereikend gemotiveerd is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat de aangetroffen telefoon geen daderspoor is. De middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
Daderspoor
“goed mogelijk zou zijn dat de verdachte, waar ik even daarvoor achteraan had gerend, zijn mobiele telefoon verloren had in zijn vlucht”.
NJ2007/180 gaat het daarbij om een betoog waarin een beroep wordt gedaan op niet hoogst onwaarschijnlijke feiten en/of omstandigheden die met de inhoud van de door de rechter gebezigde bewijsmiddelen niet in strijd zijn doch die – indien juist – onverenigbaar zijn met de bewezenverklaring. Indien de rechter desalniettemin tot een bewezenverklaring komt, dient hij dat betoog uitdrukkelijk en gemotiveerd te weerleggen. [1] Deze verplichting berust op de tweede volzin van art. 359, tweede lid, Sv, aldus de Hoge Raad in zijn arrest van 8 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5969,
NJ2008/231. [2] Hij voegt daaraan toe dat ten aanzien van de mate van onderbouwing van een Meer en Vaart-verweer [3] “thans geen andere – en dus geen zwaardere – eisen worden gesteld dan onder het voordien geldende recht daaraan werden gesteld.” Dat betekent, aldus de Hoge Raad, “dat met betrekking tot dergelijke verweren betrekkelijk snel voldaan kan zijn aan de eis dat het desbetreffende standpunt uitdrukkelijk moet zijn onderbouwd.” Voorts is hier van belang hetgeen de Hoge Raad in zijn arrest van 16 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3359,
NJ2010/314, m.nt. Buruma heeft overwogen: