Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
de aard en inrichting van het gebouwook voor derden kenbaar is. Dat is niet het geval. Het gebouw komt door zijn naar buiten toe blijkende aard en inrichting op een willekeurige derde over als duurzaam met de grond verenigd en dus een onroerend gebouw. (onder 3.5.6)
3.Bespreking van het cassatiemiddel
onder 1.1dat het hof met deze overweging buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden. Zij voert aan dat contractsoverneming door [verweerders] niet is gesteld en dat door haar ook niet is gesteld dat de koopovereenkomst van 3 april 2013 in die zin moet worden begrepen. [verweerders] zou enkel het standpunt hebben ingenomen dat zij bij de koopovereenkomst van 3 april 2013 het schoolgebouw heeft gekocht van [B] en dat zij daarmee de positie van verhuurder heeft verkregen en dat ISB door betaling heeft erkend dat zij eigenaar en dus verhuurder is geworden van het schoolgebouw.
sub 1als verhuurder op kopers’ overgaan, zoals het hof heeft vastgesteld, maar dat ‘de rechten en verplichtingen van verkoper
sub 1aals verhuurder op kopers’ overgaan. Verkoper sub 1a betreft [B] . Het betreft een evidente verschrijving en het arrest van het hof dient verbeterd te worden gelezen. Verder heeft dit geen gevolgen.
onder 1.3dat het hof onbesproken heeft gelaten haar stelling – die volgens VO een essentieel karakter draagt – dat aan [verweerders] geen vordering uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking of onrechtmatige daad toekomt, omdat [B] in 2012 alle verhuurprojecten aan Deteck Nederland B.V. (hierna: Deteck) heeft overgedragen. [13] Zij meent dat in cassatie van de juistheid van deze stelling moet worden uitgegaan en dat daarom geen sprake kan zijn geweest van contractsoverneming tussen [B] en [verweerders] , omdat de rechten en verplichtingen uit de huurovereenkomst al eerder door [B] aan Deteck waren overgedragen. De overweging dat [B] de bedoeling zou hebben gehad deze rechten en verplichtingen aan [verweerders] over te dragen, is volgens VO onbegrijpelijk.
[B]bij e-mail van 4 september 2013 toestemming heeft gevraagd om ‘aansluitend op de door jullie in eigendom en verhuurde gebouw van het ISB een viertal bestaande lokalen in twee lagen tegen het gebouw van Verlaat te plaatsen.’ [15] Als juist zou zijn dat ISB met de contractsoverneming heeft ingestemd, zou zij deze vraag hebben gesteld aan [verweerders] , zo betoogt VO.
kanals een dergelijke medewerking worden beschouwd. Wel veronderstelt dit dat de wederpartij zich bewust is van de inhoud van de overeenkomst tussen overdrager en overnemer; bij gebreke daarvan kan aan een betaling die betekenis niet worden gegeven. [18] Hier is door [B] bij brief van 4 april 2013 aan ISB meegedeeld dat zij, kort gezegd, de verhuurde gebouwen en de daaraan verbonden huurcontracten bij [verweerders] heeft ondergebracht. Mede tegen die achtergrond heeft het hof kunnen oordelen dat ISB gezien de betaling nadien aan [verweerders] aan de contractsoverneming haar medewerking heeft gegeven. Het oordeel van het hof geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Ik kan ook niet inzien waarom dat oordeel onbegrijpelijk zou zijn.
[verweerders]bij brief van 12 september 2013 is gereageerd met onder meer de mededeling dat het verzoek van ISB een gebouw betreft dat zij van haar huurt, [19] terwijl ISB eerst vanaf maart 2015 is gestopt met betaling van de huurprijs aan [verweerders] .
onder 2.2moet falen. VO klaagt dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden. Wat precies is bedoeld, is mij maar beperkt duidelijk geworden. Als ik VO in haar procesinleiding goed begrijp, zit de pijn van VO erin dat door [verweerders] niet zou zijn aangevoerd dat VO rekening had te houden met de gerechtvaardigde belangen van [B] als verhuurder en
daarommet [verweerders] als opvolgend verhuurder. Het gebruik door VO van het woord ‘daarom’ wekt de indruk dat het hof een verband heeft gelegd tussen het rekening moeten houden met de gerechtvaardigde belangen van [B] enerzijds en met de gerechtvaardigde belangen van [verweerders] anderzijds. Dat verband is door het hof niet gelegd. Het hof heeft overwogen ‘dat zij rekening dient te houden met de belangen van [B] als verhuurder
alsookmet de belangen van de opvolgend verhuurder [verweerders] ’. Dat oordeel berust op het daaraan voorafgaande oordeel van het hof dat VO een nauw bij de overeenkomst tussen [B] en ISB betrokken derde is. Daarop is door [verweerders] ook een beroep gedaan, zoals volgt uit de onbestreden weergave van het standpunt van [verweerders] in het arrest van het hof onder 3.7.1.
jegens [B]door misbruik te maken van wanprestatie van ISB
jegens [B]en [verweerders] als vermeend rechtsopvolgend verkrijger van [B] . [23] Hieruit lijkt te volgen dat VO zelf de klacht aldus uitlegt dat de pijn op een andere plaats zit: [verweerders] zou niet hebben aangevoerd dat VO onrechtmatig jegens [B] heeft gehandeld. In het midden kan blijven of dit juist is, reeds omdat het hof niet heeft geoordeeld dat VO onrechtmatig jegens [B] heeft gehandeld. Het oordeel van het hof beperkt zich tot een beoordeling van de rechtmatigheid van het handelen van VO jegens [verweerders] .
onderdeel 3is dat het hof de onderhavige zaak had moeten aanhouden totdat in de samenhangende zaak (in cassatie bekend onder nummer 19/03864) was beslist over de vraag of de koopovereenkomst ertoe heeft geleid dat [verweerders] verhuurder van ISB is geworden.
onderdeel 4behoeft geen bespreking.