Conclusie
1.Feiten
vof) heeft als vennoten [eiseres 2] B.V. (hierna:
[eiseres 2]) en [eiseres 3] B.V. [eiser 4] (hierna:
[eiser 4]) is bestuurder van [eiseres 3] B.V. De vof, [eiseres 2] , [eiseres 3] B.V. en [eiser 4] – eisers tot cassatie – worden hierna gezamenlijk aangeduid als
[eisers]
Bouwbedrijf) drijft een bouwonderneming. [Beheer] B.V. (hierna:
Beheer) is een aan Bouwbedrijf gelieerde vennootschap. Bouwbedrijf en Beheer – verweerders in cassatie – worden hierna gezamenlijk aangeduid als
Bouwbedrijf c.s.
het Project).
Artikel 1
Fiscaliteit
2.Procesverloop
Eerste aanleg
de rechtbank). [eisers] vordert om bij Bouwbedrijf c.s. te veroordelen tot betaling van (i) EUR 1.500.000 aan contractuele boetes aan [eisers] en (ii) EUR 200.000 aan schadevergoeding aan [eiser 4] (in persoon), een en ander te vermeerderen met wettelijke rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten.
afgezet tegen de aard van de tekortkoming, de beperkte gemiste meerwaarde voor [eiseres 2] BV, het onduidelijke financiële of ander nadeel” en matigt de boete tot EUR 150.000 (rov. 3.7.5, derde alinea).
het hof). Bouwbedrijf c.s. stelt incidenteel appel in. Het hof behandelt de grieven in principaal en incidenteel appel gezamenlijk.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Voorafgaande opmerkingen
onderdelen 1, 2 en 3zien op de opdrachtverstrekking aan [eiseres 2] ;
onderdelen 4 en 5zien op de inspanningsverplichting om de fiscale faciliteit te regelen;
onderdeel 6ziet op betalingsverplichtingen jegens drie Projectschuldeisers;
onderdeel 7bevat een restklacht gericht tegen rov. 3.24, 3.25 en het dictum.
Opdrachtverstrekking aan [eiseres 2] (onderdelen 1, 2 en 3)
de opdracht (...) tot het verrichten van de (...) directievoering (...) tegen vergoeding van (...) € 160.000,-” (…). Hieruit kan redelijkerwijs niet worden afgeleid dat de vergoeding direct is verschuldigd, los van de opdracht en de te verrichten werkzaamheden. [eisers] heeft niets gesteld dat in die richting wijst. De stelling van [eisers] over de Raamovereenkomst als grondslag voor de betalingen is dan ook onvoldoende gemotiveerd. [eisers] heeft niets gesteld over een andere grondslag voor de betalingen. Bouwbedrijf c.s. betwist dat zij akkoord is gegaan met de inhoud van de concept overeenkomst van opdracht (volgens [eisers] gevoegd bij de Raamovereenkomst als Bijlage 2 genoemd in artikel 1(b) van de Raamovereenkomst). [eisers] heeft niets gesteld waar dat uit zou volgen. Daarmee heeft [eisers] onvoldoende onderbouwd dat Bouwbedrijf c.s. de opdracht enkel op de in dit concept beschreven wijze kon verstrekken. Gelet op de handelwijze van partijen – de onweersproken gestelde facturering door [eisers] gevolgd door de betalingen – moet het er dan ook naar het oordeel van het hof bij gebreke van een nadere toelichting voor worden gehouden dat Bouwbedrijf c.s. de opdracht heeft verstrekt.
overeenkomstig het als BIJLAGE 2 bij deze overeenkomst gevoegde ontwerp van de overeenkomst daartoe”. [13] Het onderdeel klaagt voorts dat het onbegrijpelijk is dat het hof heeft geoordeeld dat [eisers] onvoldoende heeft onderbouwd dat Bouwbedrijf c.s. de opdracht alleen kon verstrekken overeenkomstig de volgens [eisers] bij de Raamovereenkomst gevoegde conceptovereenkomst.
concreetheeft toegelicht wat Bouwbedrijf c.s. anders had moeten doen. In het licht van voornoemde stellingen van [eisers] is dat oordeel niet onbegrijpelijk.
als spreekbuis, penvoerder en gezicht van het Project naar buiten” zou blijven optreden. [15] Dat [eiser 4] na verkoop aan Bouwbedrijf die functie zou (blijven) vervullen lijkt gezien de gang van zaken niet voor de hand liggend, zeker als men bedenkt dat vrij snel na de overdracht de verhouding tussen partijen op scherp is komen te staan. Dat [eiseres 2] niettemin de EUR 160.000 heeft getoucheerd was mooi meegenomen.
Inspanningsverplichting m.b.t. de fiscale faciliteit (onderdelen 4 en 5)
als ware [eiser 4] voor 10% commandiet in de CV”).
Betaling aan drie Projectschuldeisers (onderdeel 6)
onderdeel 6.3klaagt [eisers] dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan dan wel een onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven indien en voor zover het heeft geoordeeld dat art. 4 van Pro de Raamovereenkomst aldus moet worden uitgelegd dat [eisers] was gehouden om Bouwbedrijf c.s. van informatie te voorzien en/of dat Bouwbedrijf c.s. het recht had om zich van de juistheid van de vorderingen te vergewissen.
Onderdeel 6.4voegt hieraan toe dat onbegrijpelijk is waarop het hof zijn oordeel heeft gebaseerd.
onderdeel 6.3klaagt [eisers] dat het onbegrijpelijk is dat het hof bij de uitleg van art. 4 van Pro de Raamovereenkomst niet (kenbaar) de belangen van [eisers] heeft betrokken, welke belangen zouden meebrengen dat de schuldeisers van het Project voor 1 november 2014 zouden worden betaald.
Onderdeel 6.8klaagt dat het oordeel van het hof in rov. 3.17 – dat [eisers] niets heeft gesteld over aan Bouwbedrijf c.s. ter hand gestelde informatie – niet in stand kan blijven omdat dit oordeel van de onjuiste veronderstelling uitgaat dat [eisers] was gehouden deze informatie te verschaffen.
Onderdeel 6.10ziet op de omstandigheden die het hof in rov. 3.22 heeft betrokken in zijn beslissing de boete tot nihil te matigen. Het onderdeel bevat vier subonderdelen.
Subonderdeel 6.10.1klaagt dat het hof in zijn beslissing om de boete te matigen in aanmerking heeft genomen dat het boetebeding door [eisers] is opgesteld en dat het gaat om een zeer hoge boete, waarover partijen bij het aangaan van de Raamovereenkomst niet hebben gesproken. Het onderdeel klaagt dat dit onbegrijpelijk is omdat [eisers] heeft aangevoerd dat [betrokkene 3] over de Raamovereenkomst heeft onderhandeld, hij van alle details van het Project op de hoogte was en zijn kennis aan Bouwbedrijf c.s. kan worden toegerekend.
Subonderdeel 6.10.2klaagt dat het onbegrijpelijk is dat het hof heeft geoordeeld dat geen sprake is van een opzettelijke wanprestatie. Bouwbedrijf c.s. heeft er immers bewust voor gekozen om de Projectschuldeisers niet vóór 1 november 2014 te betalen en is daarmee willens en wetens tekortgeschoten in de nakoming van haar in art. 4 van Pro de Raamovereenkomst neergelegde betalingsverplichtingen. Het oordeel van het hof is voorts onbegrijpelijk, gelet op de volgende door [eisers] gestelde feiten en omstandigheden: (i) Bouwbedrijf c.s. had er belang bij om de schulden onbetaald te laten, (ii) [eisers] heeft betaling van de Projectschuldeisers en andere verplichtingen moeten afdwingen middels een kort geding, (iii) Bouwbedrijf c.s. is ook andere verplichtingen niet nagekomen, (iv) [eisers] heeft veel moeite moeten doen om Bouwbedrijf c.s. tot betaling te bewegen en (v) Bouwbedrijf c.s. heeft erkend dan wel onbesproken gelaten dat zij willens en wetens is tekortgeschoten.
Subonderdeel 6.10.3klaagt dat het onbegrijpelijk is dat het hof – gelet op het oordeel dat de vertraging in de betaling niet meer dan ongeveer 12 tot 18 weken is geweest – heeft geoordeeld dat overschrijding van de termijn van acht dagen bij de meeste betalingen ‘zeer gering’ is.
Subonderdeel 6.10.4ten slotte klaagt dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan bij zijn oordeel dat [eisers] zijn stellingen over financiële druk, publiciteit en reputatieschade niet aan de hand van concrete feiten heeft toegelicht en dat deze stellingen bovendien niet samenhangen met de kwestie van de (te late) betaling van de drie Projectschuldeisers. De rechtbank heeft immers vastgesteld dat [eisers] er belang bij had om bij het Project betrokken te blijven (rov. 3.7.5, derde alinea) en Bouwbedrijf c.s. heeft daartegen geen grief gericht.
Onderdeel 6.11klaagt dat onbegrijpelijk is dat het hof in rov. 3.17 heeft overwogen dat [eisers] niets heeft gesteld over aan Bouwbedrijf c.s. verstrekte informatie over de schulden bij de drie Projectschuldeisers. [eisers] heeft immers gesteld dat [betrokkene 3] als dealmaker/makelaar van Bouwbedrijf optrad, hij van alle details van het Project op de hoogte was en zijn kennis aan Bouwbedrijf mag worden toegerekend.
Onderdeel 6.12bevat een voortbouwklacht die faalt omdat de in de onderdelen 6.1 t/m 6.11 opgenomen klachten falen.
Restklacht (onderdeel 7)