Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
het aan haar schuld te wijten zijn dat wederrechtelijk een stof in de lucht wordt gebracht, terwijl daarvan gevaar voor de openbare gezondheid te duchten is, begaan door een rechtspersoon” en het onder 2 bewezenverklaarde “
overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.1, eerste lid, Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon”, veroordeeld tot een geldboete van € 100.000,00. Het hof heeft bepaald dat een gedeelte van de geldboete, te weten de helft, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op de grond dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
1.
eerste middelbehelst de klacht dat de bewezenverklaring van feit 1 voor zover inhoudend dat het aan verdachtes schuld te wijten was dat gevaar voor de openbare gezondheid te duchten was, mede in het licht van een daartoe naar voren gebracht verweer, ontoereikend is gemotiveerd.
Feiten en omstandigheden
Hij aan wiens schuld te wijten is, dat wederrechtelijk een stof op of in de bodem, in de lucht of in het oppervlaktewater wordt gebracht, wordt gestraft:
Garantenstellung. [8] De wederrechtelijkheid vormt een onderdeel van de culpa, in zoverre dat zich omstandigheden kunnen voordoen waarin aan het gedrag op grond van uitzonderlijke omstandigheden de wederrechtelijkheid komt te ontvallen, waardoor geen aanmerkelijk onvoorzichtig handelen ontstaat. [9] De uitleg van culpose delicten als schending van een ‘zorgplicht’, waarvan in dat verband ook wel wordt gesproken, kan met name relevant zijn bij de toerekening van een omissiedelict aan een rechtspersoon. [10]
Hij aan wiens schuld te wijten is datzonder vergunningvan het ingevolge de Wet verontreiniging oppervlaktewateren bevoegde gezag in een water enige stof wordt aangebracht, door de toevoeging waarvan voor anderen nadeel ontstaat in verband met het gebruik dat gewoonlijk van dat water of van een daarmede in verbinding staand water wordt gemaakt, wordt gestraft (…)”. [11] Bij de op 19 januari 1989 in werking getreden wetswijziging is het bestanddeel ‘wederrechtelijk’ aan de artikelen 173a en 173b Sr toegevoegd. De memorie van toelichting bij die wijziging vermeldde in dat verband het volgende:
Een afzonderlijke bespreking behoeft het bestanddeel “wederrechtelijk” in de voorgestelde delictsomschrijving. Het is hier niet de plaats uitvoerig op dit leerstuk in zijn algemeenheid in te gaan. In de voorgestelde bepalingen wordt beoogd hiermee het volgende aan te geven. Verschillende bijzondere milieuwetten kennen het vereiste van een vergunning voor het verrichten van daarbij omschreven handelingen die verband houden met het milieu. Handelt iemand in overeenstemming met zo een vergunning, dan is dit niet wederrechtelijk. Ook al zou hij voor het overige voldoen aan alle bestanddelen van de voorgestelde strafbepalingen, dan nog is zijn handelen niet strafbaar. Niet alle bestanddelen van het strafbaar feit zijn aanwezig en ingeval van een vervolging zou een vrijspraak moeten volgen. Het is dus niet nodig dat hij zich op een strafuitsluitingsgrond beroept. Het is billijk dat degeen die handelt in overeenstemming met de voorschriften die de milieu-autoriteiten in zijn concrete geval hebben gegeven, zich niet daarnaast zorgen hoeft te maken dat hij mogelijk in aanraking zal komen met de strafrechter. De overheid tone tegenover de burger één gelaat. Het kan niet zo zijn dat wat de milieu-autoriteiten toestaan langs strafrechtelijke weg wordt verboden.”
tweede middelklaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro in de cassatiefase is overschreden.