Conclusie
en/of(ii) levensgevaar
en/of(iii) gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de in de bewezenverklaring aangeduide personen is ontstaan. Nu het teweegbrengen van (ad i) gemeen gevaar voor goederen (art. 158 sub Pro 1° Sr) wordt bedreigd met een belangrijk lager strafmaximum dan het teweegbrengen van (ad ii) levensgevaar dan wel (iii) gevaar voor zwaar lichamelijk letsel (art. 158 sub Pro 2° Sr), had het hof wat betreft de bewezenverklaring inderdaad een keuze moeten maken tussen enerzijds het tenlastegelegde alternatief ad (i) en anderzijds de tenlastegelegde alternatieven ad (ii) en ad (iii). Dat is niet gebeurd. In zoverre is het middel terecht voorgesteld. Ik meen evenwel dat sprake is van een kennelijke misslag in de bewezenverklaring. Uit het arrest kan namelijk worden opgemaakt dat het hof
zowelhet gemeen gevaar voor goederen (ad i)
alshet gevaar voor personen (ad ii en ad iii) bewezen heeft geacht. In de door het hof bevestigde bewijsoverwegingen van de rechtbank worden aan beide vormen van gevaarzetting – ik bedoel het gevaar voor goederen (ad i) én het gevaar voor personen (ad ii en iii) – afzonderlijke overwegingen gewijd. Ook uit de kwalificatie valt af te leiden dat het hof het een en het ander bewezen heeft geacht. [19] Bovendien kunnen de betreffende alternatieven alle uit de bewijsmiddelen worden afgeleid. Ik meen dan ook dat de Hoge Raad de bewezenverklaring in dit opzicht verbeterd kan lezen.
opzettelijkeen ontploffing heeft veroorzaakt, zulks terwijl het hof slechts enkel het
culpoosteweegbrengen van een ontploffing heeft bewezenverklaard, zodat het arrest dan wel de bewezenverklaring innerlijk tegenstrijdig is. Ook deze klacht is tevergeefs voorgesteld. In de onderhavige zaak heeft het hof – anders dan de rechtbank – (gemotiveerd) geoordeeld dat niet kan worden gezegd dat de verdachte voorwaardelijk opzet had op het teweegbrengen van de ontploffing. Hoewel de steller van het middel een punt heeft dat daarmee strijdig is dat het hof de overweging van de rechtbank dat “redelijkerwijs voorzienbaar was dat door de door hem opzettelijk veroorzaakte ontploffing levensgevaar voor [medeverdachte 1] en/of een ander of anderen te duchten was” in zijn bevestiging van de bedoelde overwegingen van de rechtbank kennelijk per abuis ongewijzigd heeft ‘meegenomen’, hoeft dit niet tot cassatie te leiden. Ik wijs er ten eerste op dat de overweging waar de stellers van het middel op doelen betrekking heeft op de vraag of sprake is van te duchten gevaar voor goederen of levensgevaar dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen en
nietop de vraag of het teweegbrengen van de ontploffing als doleus dan wel als culpoos dient te worden aangemerkt. Ten tweede laat het hof er in zijn motivering geen twijfel over bestaan dat het tot een vrijspraak is gekomen van het tenlastegelegde opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing, maar dat het wel bewezen heeft verklaard dat aan verdachtes schuld is te wijten dat hij een ontploffing heeft veroorzaakt. Bovendien laten ook de bewezenverklaring en ’s hofs kwalificatie hieromtrent geen enkel misverstand bestaan. [20] De gewraakte passage dient in het licht van het voorgaande te worden gelezen. Dat betekent dat ook deze klacht geen doel treft.
Levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel?
keukenruimte[mijn cursivering] bevonden”. Onder deze omstandigheden was het hof niet gehouden om te expliciteren dat de verdachte ook van de zich in de keuken bevindende (geëxplodeerde) TATP op de hoogte was. Diens wetenschap ligt afdoende in de overwegingen van het hof besloten.
IV. Het tweede cassatiemiddel en de bespreking daarvan
Het middel
NJ2008/358, m.nt. Mevis onder meer het volgende overwogen:
Toetsing door de Hoge Raad als cassatierechter