Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eersteen het
tweede middelkomen met diverse deelklachten op tegen het bewezenverklaarde medeplegen van een poging tot doodslag.
Het oordeel van het hof
“voor haar duidelijk [was] dat de VW Jetta en de achterste auto de BMW iets wilden aandoen” niet tot het bewijs gebezigd had mogen worden, aangezien de eis van waarneming en ondervindingen, conclusies en/of gissingen uitsluit. Deze klacht faalt. Voormelde opmerking van de getuige betreft, gezien haar gedetailleerde verklaring over hetgeen zij heeft waargenomen ten tijde van het incident en mede in aanmerking genomen hetgeen ik heb vooropgesteld, m.i. namelijk geen ongeoorloofde conclusie of gissing. Dat het voor haar duidelijk was dat de Volkswagen Jetta en de achterste auto de BMW
“iets wilden aandoen”, geeft immers de gedachten en gevoelens bij de getuige [getuige 1] weer die waren ontstaan naar aanleiding van de door haar gerelateerde waarnemingen. Dat het hof een dergelijke, door een getuige gemaakte opmerking tot het bewijs heeft gebezigd, acht ik dan ook niet onbegrijpelijk. Maar zelfs indien sprake zou zijn van een ten onrechte door de getuige getrokken- en niettemin voor het bewijs gebruikte conclusie, leidt dat niet tot cassatie. In het licht van de overige bewijsmiddelen kon het hof immers oordelen dat die conclusie terecht was getrokken. [8] In zoverre faalt het middel.
tweede middelklaagt over het door het hof bewezenverklaarde opzet op het medeplegen van de poging tot doodslag. Uit de bewijsmiddelen blijkt volgens de steller van het middel niet dat door de inzittenden van de Volkswagen Jetta
gerichtop de BMW is geschoten, zodat het oordeel van het hof dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard op de dood van de inzittenden van de BMW, niet begrijpelijk is.
iets” uit de rechter zijramen van de Jetta gestoken. Het deed de aangever denken aan een AK47 en hij verklaart dat dit te weten, omdat hij vaak oorlogsspellen speelt. Nadat hij met een botsing tot stilstand was gekomen, zeiden de mensen die naast zijn auto verschenen dat er geschoten was en dat de twee auto’s waren weggereden. [10] De getuige [getuige 1] heeft voorts verklaard dat zij drie auto’s achter elkaar zag rijden en dat de voorste auto een Volkswagen Jetta was met daarin twee personen. Zij verklaart – kort gezegd – dat vanuit de Volkswagen Jetta door de bijrijder met een wapen dat deed denken aan een machinegeweer en dat buiten de auto hing, werd geschoten
“achterom richting de BWM gericht
”. [11]
en/of (een) ander(en)”, te weten de vierde inzittende in de BWM, maar dat het ten aanzien van de strafoplegging overweegt dat de verdachte door zijn ‘schietgedrag’ risico’s in het leven heeft geroepen voor de medeweggebruikers, waaronder schoolgaande kinderen. De steller van het middel maakt hieruit op dat die ander of anderen als genoemd in de bewezenverklaring, zien op die medeweggebruikers en schoolgaande kinderen, terwijl uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat de verdachte ten aanzien van die medeweggebruikers, waaronder de schoolgaande kinderen, (voorwaardelijk) opzet op hun dood had. Deze klacht mist feitelijke grondslag nu het hof de onaanvaardbare risico’s die de verdachte voor overige weggebruikers in het leven heeft geroepen niet heeft bewezenverklaard, maar als omstandigheid waaronder het feit is begaan bij de straftoemeting heeft betrokken.
derde middelklaagt over de kwalificatie van het onder 2 bewezenverklaarde.
meermalen gepleegd", aangezien het bewezenverklaarde in zoverre slechts één overtreding van het in art. 26, eerste lid, WWM vervatte verbod oplevert.
en/ofcategorie III, zoals in de onderhavige zaak het geval is, is het arrest van de Hoge Raad van 29 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS6030, van belang. In dit arrest heeft de Hoge Raad onder 3.4. het volgende overwogen: