Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
“3.3.1 Het middel klaagt dat onder de thans geldende wetgeving slechts een psychiater bevoegd is om de vereiste geneeskundige verklaring af te geven en dat de rechtbank, mede gelet op het bepaalde in art. 5 lid Pro 1, aanhef en onder e, van het EVRM, ten onrechte op voormeld wetsvoorstel heeft geanticipeerd.
3.3.2 Het door de rechtbank aangehaalde wetsvoorstel is inmiddels wet geworden (Wet van 4 december 2013, Stb. 560). De wet zal op een nader te bepalen tijdstip in werking treden. Het is een grondrecht dat niemand van zijn vrijheid mag worden beroofd buiten de gevallen bij of krachtens de wet voorzien (…). In het licht hiervan is de omstandigheid dat na inwerkingtreding van de wet een AVG bevoegd zal zijn de voor gedwongen opneming van een verstandelijk gehandicapt persoon vereiste verklaring af te geven, onvoldoende om te oordelen dat een AVG daartoe ook voor de inwerkingtreding van de wet bevoegd was. Daarbij is mede van belang dat in de onderhavige wet aan de hier bedoelde wijziging van art. 1 Wet Pro Bopz geen terugwerkende kracht is verleend. Het middel slaagt dus.” [20]
foreseeability) en toegankelijkheid (
accessibility) [22] . Factoren die daarbij relevant, en in sommige gevallen worden aangemerkt als ‘waarborgen tegen willekeur’, zijn: a. duidelijke wettelijke bepalingen voor het bevelen van de vrijheidsbeneming, voor het verlenging van de vrijheidsbeneming en voor het vaststellen van de termijn van de vrijheidsbeneming, en b) het bestaan van een effectief rechtsmiddel waarmee de rechtmatigheid en de lengte van de vrijheidsbeneming kan worden bestreden. [23] Zo heeft het EHRM geoordeeld dat sprake was van strijd met art. 5 lid 1 EVRM Pro in het geval een persoon in voortgezette detentie werd gehouden op basis van praktijk die als “terbeschikkingstelling van de gedetineerde aan het gerecht” bekend stond, zonder enige specifieke grondslag in de nationale wetgeving of jurisprudentie en zonder juridische beslissing. [24]
De criteria waaraan de gelijkgestelde aandoeningen moeten voldoen zijn dus al in de Wzd zelf opgenomen. De AMvB [26] geeft feitelijk slechts een opsomming van ziektes die voldoen aan deze criteria. Dat bij cliënt sprake is van het syndroom van Korsakov en dat dit zich zodanig presenteert dat is voldaan aan de eisen die worden genoemd in artikel 1 lid 4 Wzd Pro wordt niet betwist en blijkt ook uit de geneeskundige verklaring zoals de rechtbank in rov. 2.7 heeft overwogen. Voor zover er al van anticipatie op de AMvB sprake is, is dit ten aanzien van de in de AMvB feitelijke opsomming van gelijkgestelde aandoeningen, waarvan het uitgangspunt al in de Wzd is neergelegd. Ik verwijs daarbij naar de Memorie van Toelichting 2008/2009 zoals beschreven in rov. 2.8. waarin als voorbeelden worden opgesomd de ziekte van Huntington, het syndroom van Korsakov of ernstige vormen van niet-aangeboren hersenletsel (NAH).) Daaruit blijkt immers al dat het altijd al de bedoeling van de wetgever is geweest dat o.a. Korsakov onder art. 1 lid 4 Wzd Pro valt. Daarom faalt onderdeel 1.
Ook heeft de rechtbank voldaan aan de eisen van art. 24 lid 3 Wzd Pro, inhoudende dat de rechter op verzoek van het CIZ een machtiging als bedoeld in het eerste lid kan verlenen, indien naar het oordeel van de rechter: