Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
bij verrassing” voor het OM (en de verdediging) een concrete wijze van voordeelberekening heeft toegepast, in plaats van de abstracte wijze van berekening die in het financieel rapport alsook door het OM in zijn vordering en ter terechtzitting tot uitgangspunt was genomen.
grondslag, maar slechts de
aanleidingvoor de beslissing van de ontnemingsrechter. [5] Een ‘verlating’ van de ‘grondslag’ van de vordering zal zich dan ook niet kunnen voordoen. De ontnemingsrechter mag het wederrechtelijk verkregen voordeel op een hoger bedrag vaststellen dan het OM heeft gevorderd. [6] De in artikel 6 EVRM Pro belichaamde beginselen van een eerlijk proces kunnen evenwel meebrengen dat het de ontnemingsrechter niet eerder vrijstaat om bepaalde feiten en omstandigheden in zijn beraadslaging over de ontnemingsvordering te betrekken dan
nadathij de partijen in de gelegenheid heeft gesteld zich daarover uit te laten. Het zou een ontoelaatbare verrassingsbeslissing opleveren indien de ontnemingsrechter in zijn beslissing feiten en omstandigheden betrekt die, gelet op alle omstandigheden van het geval, waaronder het verhandelde ter terechtzitting, het financieel rapport, de vordering en de inhoud van overige stukken van het geding, zodanig nieuw zijn dat partijen geen rekening hoefden te houden met het in aanmerking nemen daarvan. [7] Hetzelfde geldt voor het geval waarin de ontnemingsrechter kiest voor een berekening van het voordeel op een wijze waarop partijen niet bedacht hadden hoeven zijn. [8]
eerste middelbehelst de klacht dat het hof de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel niet naar de eis der wet met redenen heeft omkleed. In het bijzonder richt de klacht zich tegen de vaststelling van de door coffeeshop [A] verzwegen winst en de in dat verband door het hof gehanteerde methode van extrapolatie. In de toelichting betoogt de steller van het middel dat uit het bestreden arrest niet kan worden afgeleid dat de onderzoeksresultaten uit 2011 en 2012 representatief zijn voor de periode waarnaar wordt geëxtrapoleerd.
grote”. Door de jaren heen nam de coffeeshop dus betrekkelijk
constantehoeveelheden af. Daaruit heeft het hof niet onbegrijpelijk afgeleid dat reeds vanaf 2007 de gedoogvoorwaarden door de coffeeshop steeds op (dezelfde) grote schaal werden overtreden.
tweede middelbehelst de klacht dat het oordeel van het hof over het aandeel van de betrokkene in de verzwegen winst ontoereikend is gemotiveerd. In de toelichting betoogt de steller van het middel dat het hof de mate van toerekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft ontleend aan de arresten die tegen de medeveroordeelden zijn gewezen. Die arresten zijn echter tijdens het onderzoek ter terechtzitting niet aan de orde geweest, aldus de steller van het middel.
derde middelbehelst de klacht dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de waardestijging van het door de betrokkene in 2007 aangekochte onroerend goed in Marokko als vervolgprofijt bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden betrokken. In de toelichting betoogt de steller van het middel dat uit de door het hof in het bestreden arrest vastgestelde feiten en omstandigheden niet, althans onvoldoende, is gebleken dat de betrokkene voor 1 januari 2007 [16] wederrechtelijk voordeel heeft verkregen, zodat niet aannemelijk is dat de investering in onroerend goed in 2007 is gedaan met vermogen dat wederrechtelijk is verkregen.
6nul euro bedroeg. Dat sterkt alleen maar het vermoeden dat de betrokkene in korte tijd over een onverklaarde bron van contant geld is komen te beschikken waaruit hij voor de (contante) betaling van dat onroerend goed heeft kunnen putten.
vierde middelbehelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
alleen wat betreft de toerekening van voordeel aan de betrokkeneen de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting, en tot terugwijzing van de zaak naar het hof opdat het hof de zaak in zoverre zal afdoen. Het eerste en derde middel van de verdachte falen en kunnen worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO Pro ontleende overweging. Het vierde middel slaagt, maar kan onbesproken blijven.