ECLI:NL:PHR:2020:62
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Rechtsgeldigheid betekening dagvaarding aan verdachte op politiebureau bij aanhouding
De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld wegens overtredingen van de Wegenverkeerswet en stelde hoger beroep in na het verstrijken van de wettelijke termijn. De kern van het geschil betrof de vraag of de dagvaarding rechtsgeldig persoonlijk was betekend toen deze aan de verdachte werd uitgereikt op het politiebureau tijdens zijn aanhouding, terwijl hij weigerde te tekenen en de dagvaarding niet meenam.
Het hof verklaarde de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep wegens overschrijding van de termijn, omdat de dagvaarding op 30 januari 2018 in persoon was betekend. De verdediging voerde aan dat er geen geldige betekening had plaatsgevonden omdat de verdachte de dagvaarding niet had aangenomen en niet op de hoogte was gesteld van de inhoud, mede gezien zijn toestand onder invloed.
De Hoge Raad oordeelt dat de dagvaarding rechtsgeldig is betekend doordat de dagvaarding daadwerkelijk aan de verdachte is overhandigd, ook al weigerde hij te tekenen en het stuk niet meenam. Het feit dat de verdachte de dagvaarding mogelijk ongelezen heeft teruggegeven, betekent niet dat er geen betekening is geweest. De termijn voor hoger beroep begint daarom te lopen vanaf de betekening en het hoger beroep is niet tijdig ingesteld.
De conclusie van de advocaat-generaal is dat het middel faalt en het beroep moet worden verworpen. De Hoge Raad volgt dit advies en bevestigt het oordeel van het hof, waarmee de niet-ontvankelijkheid van de verdachte in hoger beroep wordt gehandhaafd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de dagvaarding rechtsgeldig is betekend en verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de termijn.