Conclusie
1.Feiten en procesverloop
Share Purchase Agreementvan 20 augustus 2007 (hierna: de koopovereenkomst) heeft de curator de aandelen in Yukos Finance verkocht aan Promneftstroy. De koopovereenkomst wordt beheerst door Nederlands recht en luidt, voor zover in cassatie van belang, als volgt:
8 Term and termination
onttrekking aan) of the Shares from the Admitted Dutch Creditors Attachments. The Parties believe that the contemplated transfer of the Shares under this Agreement is not an evasion of the Shares, since (i) the Admitted Dutch Creditors Attachments as made by the Bailiff remain in full force and effect and (ii) the rights of the Admitted Dutch Creditors in relation to the Shares and the Attachments will be respected in full as stipulated in article 474e DCCP and (iii) the Shares will continue to be in the Netherlands in the place of the registered seat of Yukos Finance and (iv) Yukos Finance will upon notice of the transfer be instructed to enter the transfer in the shareholders’ register such that it is subject to the Admitted Dutch Creditors Attachments and (v) the transfer of the Shares will be served by means of a notice thereof to Yukos Finance (by a bailiff), which notice will explicitly clarify the unaffected continuation of the Admitted Dutch Creditor Attachments, and (vi) a copy of this Agreement and of the Deed of Transfer and of this notice shall be submitted to the Amsterdam Court in the Executory Sales
Deed of Transfer of the Shares subject to the Attachments and of the Rights(hierna: de leveringsakte) luidt, voor zover in cassatie van belang, als volgt:
onttrekken aan het beslag) the Shares.
onttrekken aan het beslag):
onttrekking aan”. Zowel FPH c.s. als Promneftstroy hebben aangevoerd dat art. 8.3 en art. 8.4 op verlangen van de betrokken notaris in de koopovereenkomst zijn opgenomen ter vermijding van het risico dat het overdragen van de aandelen gezien zou worden als het plegen van het in art. 198 lid 1 Sr Pro omschreven misdrijf. Daarom is voor de uitleg van het onttrekkingsbeding van belang of de aandelenoverdracht voldoet aan de delictsomschrijving in die wetsbepaling.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1is gericht tegen rov. 3.6 van het bestreden arrest, waarin het hof – kort gezegd – heeft geoordeeld dat aan FPH c.s. een beroep toekomt op art. 8.4 van de koopovereenkomst, ook al zijn zij geen partij bij de koopovereenkomst en leveringsakte. Volgens het onderdeel (onder 1.5) is het oordeel van het hof onjuist, onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd, omdat Promneftstroy en de curator niet hebben beoogd dat een derde op art. 8.4 van de koopovereenkomst zelfstandig een beroep zou kunnen doen. Het hof heeft met zijn ‘taalkundige’ lezing van die bepaling miskend dat het volgens de Haviltex-maatstaf erop aankomt wat partijen zelf ter zake hebben beoogd en hoe zij in de gegeven omstandigheden elkaars verklaringen en gedragingen ter zake in redelijkheid hebben begrepen. Verder klaagt het middel (onder 1.6) dat het hof ten onrechte het bewijsaanbod van Promneftstroy ten aanzien van de door haar voorgestane uitleg van art. 8.4 van de koopovereenkomst heeft gepasseerd.
op zichzelfreeds kwalificeert als onttrekken aan het beslag in de zin van art. 198 Sr Pro. Hierover bestaat discussie in de literatuur, voornamelijk onder civilisten. Voor een goed begrip van die discussie is van belang dat vanuit civielrechtelijk oogpunt een beslag niet leidt tot beschikkingsonbevoegdheid van de beslagdebiteur, en dus ook niet in de weg staat aan overdracht van het beslagen goed aan een derde. Een overdracht in weerwil van een beslag is rechtsgeldig in de onderlinge verhouding van de vervreemder en de verkrijger. [28] De regel dat een na de inbeslagneming tot stand gekomen vervreemding niet tegen de beslaglegger kan worden ingeroepen [29] , brengt wel mee dat de beslaglegger bevoegd blijft zijn door de inbeslagneming ingeleide uitoefening van zijn recht zich op de in beslag genomen zaak te verhalen voort te zetten, ook al maakt die zaak geen deel meer uit van het vermogen van de beslagdebiteur. [30]
die ertoe strektde uitoefening van dit verhaalsrecht te beletten. Ook dan is er meer nodig dan alleen de beschikkingshandeling met betrekking tot een beslagen goed. Van dat meerdere is sprake als de beslagene eigenmachtig een roerende zaak waarop beslag ligt verkoopt en levert aan een derde, zonder hem (of de beslaglegger) in kennis te stellen van het bestaan van het beslag, en de zaak vervolgens ook in handen van die derde stelt. Die handeling ondermijnt het gelegde beslag omdat daardoor de mogelijkheid ontstaat dat de beslaglegger geen verhaal meer heeft op de beslagen zaak als de verkrijger te goeder trouw is. In een dergelijk geval is er sprake van onttrekking aan het beslag, zonder dat de strafrechter hoeft vast te stellen of de derde al dan [lees: al dan niet, A-G] te goeder trouw blijkt te zijn.’ [voetnoot weggelaten, A-G]