Conclusie
1.Inleiding
3.Procesverloop
4.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel 2.1) respectievelijk het niet omkeren van de bewijslast (
onderdeel 2.2) en de verzwaarde motiveringsplicht van het verweer van Museum Boijmans c.s. (
onderdeel 2.3). Voorts klaagt het middel in
onderdeel 2.4over, hoofdzakelijk, de bewijswaardering door het hof.
Onderdeel 2.5bevat een louter voortbouwende klacht.
onderdelen 2.1 en 2.2, omdat het hof in rov. 3.5-3.13 heeft geoordeeld dat Franz Koenigs op 2 april 1940 de eigendom van de Werken heeft overgedragen aan de bank. [6] Dit betoog gaat niet op, omdat de beoordeling in rov. 3.5-3.13 berust op het oordeel in rov. 3.3 dat de bewijslast op de Erfgenamen rust. [7] Het hof concludeert dan ook dat de Erfgenamen niet hebben bewezen dat de erven eigenaar zijn van de Werken (rov. 3.13). Ook de onderdelen 2.1 en 2.2 van het cassatiemiddel dienen daarom behandeld te worden.
Onderdeel 2.1klaagt in vier subonderdelen 2.1.1-2.1.4 over de bewijslastverdeling. Het oordeel over de bewijslastverdeling moet worden begrepen in het licht van de afbakening van het geschil.
subonderdeel 2.1.1miskent het hof in rov. 3.3 de art. 149 en Pro 150 Rv door de bewijslast op de Erfgenamen te leggen, althans is zijn oordeel onbegrijpelijk. Museum Boijmans c.s. erkennen de Werken van Franz Koenigs in bruikleen te hebben ontvangen en stellen dat in die rechtsverhouding een wijziging is opgetreden omdat de Werken (via Lisser & Rosenkranz en Van Beuningen) door de Stichting Boijmans in eigendom zijn gekregen en nu voor deze worden gehouden. Op Museum Boijmans c.s. rusten daarom stelplicht en bewijslast van de feiten en omstandigheden die het rechtsgevolg meebrengen dat de Stichting Boijmans eigenaar van de Werken is geworden en dat deze nu voor haar worden gehouden. Het hof miskent dit ook in de weergave van de stellingen van de Erfgenamen in rov. 2.1, aldus het subonderdeel.
subonderdeel 2.1.1niet gericht tegen de kernvraag die het hof in rov. 3.1 voorop stelt, [10] namelijk of de Erfgenamen nog steeds eigenaar zijn van de Werken. Volgens de Erfgenamen is de tegen rov. 3.3 gerichte klacht naar zijn aard wel mede gericht tegen die kernvraag, die ten grondslag ligt aan de bewijslastverdeling, nu het erom gaat hoe de wijziging van de titel van Museum Boijmans c.s. heeft plaatsgevonden. [11]
subonderdeel 2.4.13klaagt over rov 3.1, en wel over de overweging dat het hof zich aansluit bij het oordeel van de rechtbank in rov 4.27. Subonderdeel 2.4.13 richt tegen deze overweging klachten voor zover het hof daarmee oordeelt, zoals de rechtbank in genoemde overweging doet, dat irrelevant is wat zich na 2 april 1940 heeft voorgedaan.
uitlenerteruggave van de uitgeleende zaak van de bruiklener eist, en het bestaan van de bruikleenovereenkomst als zodanig niet wordt betwist door de bruiklener, zal toepassing van de in 4.14 bedoelde regel normaliter geen aanleiding geven om de uitlener te belasten met het bewijs van zijn eigendomsrecht. Dat de eiser de eigendom van uitgeleende zaken heeft, wordt in een dergelijk geval immers in beginsel als zodanig niet bestreden door de bruiklener.
uitlenerals eiser op grond van zijn eigendomsrecht jegens de bruiklener een vordering instelt die strekt tot afgifte van de zaak dan wel een verklaring voor recht dat hij eigenaar van de zaak is en gerechtigd tot afgifte ervan. In deze procedure is de vordering echter niet ingesteld door Franz Koenigs, maar door eisers die
erfgenamenvan Franz Koenigs zijn.
nog steeds eigendom zijn’van de erven van Franz Koenigs (rov. 2.1). Op deze stelling berust de door hen gevorderde verklaring voor recht dat de Werken eigendom zijn van de erven van Franz Koenigs, althans dat de eigendom daarvan in de nalatenschap van Franz Koenigs valt (rov. 2.2).
dienseigendomsrecht van de Werken hebben erkend. Het gaat immers niet om de vraag of Franz Koenigs eigenaar was van de Werken die in bruikleen werden gegeven, maar of de Erfgenamen daarvan nog steeds eigenaar zijn. Het gegeven dat de erflater op enig moment eigenaar van de Werken was, impliceert als zodanig niet dat de erflater daarvan ook nog eigenaar was ten tijde van zijn overlijden en dat de Werken daarom erfrechtelijk tot zijn nalatenschap behoren. De Erfgenamen stellen eigenaar te zijn en zullen, gezien de betwisting van
huneigenaarschap door verweerders, in deze procedure hun eigendom moeten bewijzen. Gezien het partijdebat in deze zaak (waarin hun hoedanigheid van erfgenaam van Franz Koenigs niet ter discussie staat), betekent dit dat de Erfgenamen dienen te bewijzen dat de Werken deel uitmaakten van de nalatenschap van Franz Koenigs en dat kunnen zij in deze procedure, meer concreet, doen door te bewijzen dat de Werken niet vielen onder de eigendomsoverdracht aan Lisser & Rosenkranz.
eigenaar’ van de Werken zijn, maar op de continuïteit van de rechtsverhoudingen die ligt besloten in hun stelling dat zij ‘
nog steedseigenaar’ zijn. Het (subtiele) verschil is dat in de eerste lezing centraal staat de stelling van de Erfgenamen dat zij, door vererving,
eigenaarvan de Werken zijn geworden. In de tweede lezing staat echter centraal de gedachte stelling dat de Erfgenamen, door vererving, Franz Koenigs zijn opgevolgd in diens
bezitvan de Werken (en daarmee ook in diens eigendom nu verder niet betwist is dat Koenigs eigenaar van de Werken was).
subonderdeel 2.1.2de klacht van subonderdeel 2.1.1 herhaalt, behoeft het geen bespreking.
Hoe dit ook zij, het betoog van [de Erfgenamen] ten aanzien van de bewijslastverdeling gaat niet op.” − en kan daarom niet tot cassatie leiden. Het gaat in cassatie ook niet om de vraag of de rechtbank de bewijslast op de Erfgenamen heeft gelegd, maar om de vraag of het hof kon oordelen dat zij die bewijslast hadden.
subonderdeel 2.1.3 over rov. 3.2 en 3.3 voor zover het hof daarin zou hebben geoordeeld dat het museum haar rechtspositie van houdster voor (de erven van) Franz Koenigs heeft gewijzigd in bezitter/eigenaar.
onderdeel 2.2dat het hof in rov. 3.2 en 3.3, alsmede de daarop voortbouwende rechtsoverwegingen en het dictum, de stelling heeft miskend dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat het hof de bewijslast had moeten omkeren, althans op deze stelling niet begrijpelijk heeft beslist.
Subonderdeel 2.1.1wijst er daartoe op dat (i) Museum Boijmans c.s. geacht worden de herkomst van de werken in het museum te kennen, (ii) de Stichting Boijmans en het Museum over alle relevante documentatie beschikken, althans geacht worden te beschikken, en (iii) de Erfgenamen door toedoen van Museum Boijmans c.s. ernstig zijn bemoeilijkt de voor hen relevante gegevens in het archief van de Stichting Boijmans te achterhalen.
Subonderdeel 2.2.2betoogt onder verwijzing naar HR 20 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU4529, NJ 2006/78, dat omkering van de bewijslast en daarmee het bewijsrisico is geboden in een dergelijk geval, waarin de partij die volgens de hoofdregel van art. 150 Rv Pro de bewijslast draagt, door toedoen van de wederpartij in een onmogelijk zware bewijspositie is geraakt.
subonderdeel 2.2.2op de volgende, hieronder samengevatte, stellingen waarop de Erfgenamen volgens het subonderdeel in dit kader hebben gewezen:
Les Deux Amies.
subonderdeel 2.2.3rechtens onjuist dan wel onbegrijpelijk, omdat het hof slechts heeft overwogen dat de zorgvuldigheidsnormen die gelden voor een museum niet maken dat de bewijslast niet meer op Koenigs c.s. ligt zonder acht te slaan op eerder genoemde feiten en omstandigheden.
onderdeel 2.1verwijst, niet expliciet hebben gesteld dat de bewijslast op grond van de redelijkheid en billijkheid zou moeten worden omgekeerd. [38] In de memorie van grieven werd betoogd dat de bewijslast van hun bevrijdende verweer volgens de hoofdregel van art. 150 Rv Pro op Museum Boijmans c.s. rustte (nrs. 101-118) en dat dit ook redelijk was, kort gezegd, omdat (i) het Museum zich onder directeur Hannema te kwader trouw stilletjes als eigenaar van werken was gaan voordoen, zoals blijkt uit de gang van zaken rond het schilderij
Les Deux Amies, en (ii) het Museum volgens de Ethische Code voor Musea per voorwerp moet bijhouden wie daarvan eigenaar is (nrs. 119-126 en 312). De overige in subonderdeel 2.2.2 aangevoerde stellingen [39] zijn niet specifiek in verband gebracht met een omkering van de bewijslast.
Geen object wordt verworven door aankoop, schenking, bruikleen, legaat of ruil, tenzij het verwervende museum de zekerheid kan verkrijgen dat er een rechtsgeldige titel is”, “
Due diligence dient te waarborgen dat de gehele geschiedenis van het object vanaf de ontdekking of vervaardiging komt vast te staan” en “
Museale collecties worden gedocumenteerd overeenkomstig algemeen aanvaarde maatstaven. De documentatie behelst een volledige identificatie en beschrijving van elk object, zijn context, provenance, conditie, behandeling en huidige standplaats”. [42]
onderdeel 2.3(en ook reeds
subonderdeel 2.1.1) aan dat het hof in rov. 3.2 en 3.3 en de daarop voortbouwende rechtsoverwegingen en het dictum miskent, dat een verzwaarde motiveringsplicht voor het verweer op Museum Boijmans c.s. rust. Het zijn immers het Museum en de Stichting Boijmans die steeds over de relevante gegevens over alle door Franz Koenigs destijds in bruikleen gegeven werken beschikken en op wie de verplichting rust om de herkomst van de werken in haar collectie na te gaan en te administreren (
subonderdeel 2.3.1). Deze ethische verplichting is neergelegd in de Ethische Code voor Musea en hiermee ligt het bij uitstek op de weg van Museum Boijmans c.s. om in hun verweer inzichtelijk weer te geven welke stukken de herkomst van de Werken traceerbaar maken (
subonderdeel 2.3.2). Volgens
subonderdeel 2.3.3heeft het hof miskend dat voor zover het Museum geen gegevens heeft bijgehouden of bewaard, zodat zij niet aan de verzwaarde motiveringsplicht kan voldoen, dit voor haar risico komt.
subonderdeel 2.4.1, dat geen klacht bevat. De
subonderdelen 2.4.2-2.4.13richten klachten tegen de bewijswaardering in de rov. 3.5-3.11.
Subonderdeel 2.4.14richt een klacht tegen rov. 3.12.
teekeningen, welke ik U destyds in bruikleen heb gegeven” aan Lisser & Rosenkranz had overgedragen en dat hij de bruikleen ten aanzien van die tekeningen beëindigde. Dit wordt bevestigd door de brief van de bank van dezelfde datum. Niet in geschil is dat ook de Werken onderdeel uitmaakten van de in bruikleen gegeven tekeningen en in de bedoelde brieven wordt geen uitzondering of voorbehoud gemaakt voor de Werken of voor welke andere in bruikleen gegeven tekeningen dan ook (rov. 3.5).
de verzameling teekeningen, welke door Koenigs in bruikleen zijn gegeven aan het Museum Boymans te Rotterdam, en als nauwkeurig gespecificeerd op de aan bovenvermelde acte van den 1. Juni 1935 gehechte en door beide partijen gewaarmerkte lijst”, en dit op die dag aan het Museum heeft bericht zonder een voorbehoud te maken ten aanzien van de, eveneens in bruikleen gegeven Werken. Een voorbehoud had, gelet op het belang en de waarde van de Werken voor de hand gelegen, indien het inderdaad zijn bedoeling was dat hiervoor een uitzondering gold. Dit wijst er onmiskenbaar op dat Franz Koenigs er van uitging dat ook de Werken in 1935 aan de bank tot zekerheid waren overgedragen. (rov. 3.6 en 3.7)
subonderdeel 2.4.3en wordt bij dat subonderdeel (in 4.55) besproken.
eerste klachtvan het subonderdeel had het hof eerst moeten vaststellen wat er bedoeld wordt met “de verzameling teekeningen, welke ik U destyds in bruikleen heb gegeven”. Zolang niet duidelijk is of hiermee een nauwkeurig omlijnde deelcollectie of juist alle in bruikleen gegeven werken worden bedoeld, komt geen (doorslaggevende) betekenis toe aan het feit dat er geen uitzonderingen worden opgenomen in de brief.
tweede klachtvan het subonderdeel is het oordeel onbegrijpelijk in het licht van de stellingen van de Erfgenamen, omdat alle door hen aangevoerde feiten en omstandigheden wijzen op het feit dat met “de verzameling teekeningen” juist een vastomlijnde, nauwkeurig bepaalde collectie werd bedoeld en dat alle betrokken dat wisten omdat dit uit de originele catalogus van Lütjens bleek en dat daarom geen nadere omkadering nodig was. Dit blijkt eveneens uit de door het hof in de tweede rov. 3.11 (ten onrechte) buiten beschouwing gelaten bewijsmiddelen, aldus de klacht.
subonderdelen 2.4.4 en 2.4.5klagen) en in de tweede rov. 3.11 een aantal omstandigheden niet relevant geacht voor de te beantwoorden vraag (waarover
subonderdeel 2.4.13klaagt). Ik verwijs naar de bespreking van deze subonderdelen.
eerste klachtvan
subonderdeel 2.4.4betrekt de klacht van subonderdeel 2.4.2 en/of 2.4.3 ook op rov. 3.7, waarin het hof toelicht waarom het naar zijn oordeel relevant is dat de brief van Franz Koenigs aan het Museum van 2 april 1940 geen voorbehoud voor bepaalde in bruikleen gegeven stukken bevat. Een voorbehoud had volgens het hof “gelet op het belang en de waarde van de litigieuze tekeningen voor de hand (…) gelegen indien het inderdaad zijn bedoeling was dat hiervoor een uitzondering gold”.
tweede klachtvan
subonderdeel 2.4.4is de hiervoor geciteerde passage van rov. 3.7 onbegrijpelijk, evenals rov. 3.9. De klacht voert aan (i) dat de brief van Koenigs van 2 april 1940 niet nader bepaalt wat onder de bruikleen valt en dus veronderstelt dat het Museum dat weet, en (ii) dat de catalogus van Lütjens voor zover bekend de enige specificatie was die bij het Museum aanwezig was, zodat (iii) niet begrijpelijk is dat het hof oordeelt dat de gewaarmerkte lijst bij de akte van 1 juni 1935 niet identiek was aan de catalogus van Lütjens.
subonderdeel 2.4.5klaagt over de verwerping van de stelling van de Erfgenamen dat de lijst van Lütjens identiek is aan de aan de akte van 1 juni 1935 gehechte door partijen gewaarmerkte lijst. Volgens de
eerste klachtvan het subonderdeel is onbegrijpelijk de overweging in rov. 3.6, dat “[e]venmin kan worden uitgesloten dat de elf tekeningen die in oktober 1935 aan het museum in bruikleen werden gegeven, toen alsnog aan de gewaarmerkte lijst zijn toegevoegd, voor zover zij daarop al niet eerder voorkwamen”. Het hof gaat hiermee ongemotiveerd voorbij aan het feit dat het doel van het waarmerken van een dergelijke lijst is het fixeren van hetgeen op de lijst is opgenomen, aldus de klacht.
tweede klachtvan
subonderdeel 2.4.5is het oordeel onbegrijpelijk omdat het hof niets overweegt over het feit dat de tekeningen pas in oktober 1935 bij het Museum werden afgegeven. Daarom is niet duidelijk of de tekeningen wel bekend waren bij Koenigs en de bank bij het opstellen van de gewaarmerkte lijst en is de conclusie dat de tekeningen onder de bruikleen vallen nu er geen uitzondering is gemaakt ook onbegrijpelijk.
subonderdelen 2.4.6 en 2.4.7klagen over het oordeel in rov. 3.8 en 3.9 [53] dat er onvoldoende concrete feiten of omstandigheden zijn gesteld waaruit kan volgen dat de door Lisser & Rosenkranz aan Van Beuningen en door deze laatste aan Dr. Posse ter beschikking gestelde lijsten identiek zijn aan de bij de akte van 1 juni 1935 behorende lijst.
eerste klachtvan
subonderdeel 2.4.7, dat de rechtsklacht van
subonderdeel 2.4.6uitwerkt, miskent het hof de art. 149 en Pro 150 Rv nu (i) als onvoldoende betwist vaststaat dat de lijsten die Posse van Van Beuningen ontving identiek zijn aan de catalogus van Lütjens, (ii) Van Beuningen destijds de gehele collectie van de bank heeft gekocht, (iii) Van Beuningen er blijkens een brief uit 1945 van uitging dat hij de collectie kocht zoals omschreven in de originele catalogus van Lütjens, (iv) de Werken niet staan in de catalogus van Lütjens, het inventarisboek van de Stichting Boijmans en de inventaris die Lütjens na de oorlog opmaakte,
tweede klachtvan
subonderdeel 2.4.7, dat de motiveringsklacht van
subonderdeel 2.4.6uitwerkt, is het oordeel onbegrijpelijk nu Van Beuningen blijkens de brief van de bank op 9 april 1940 de collectie F. Koenigs van de bank kocht.
subonderdeel 2.4.9miskent het hof voor het overige met zijn oordeel in rov. 3.10 dat bij de afwikkeling van de nalatenschappen van Franz en Anna Koenigs de familie geen aanspraak heeft gemaakt op de Werken en dat niet aannemelijk is dat de Werken over het hoofd zouden zijn gezien vanwege hun belang en omdat Lütjens de taxatielijst voor de afwikkeling maakte, dat het gaat om werken waarvan de wetenschap van het bestaan ervan met het overlijden van Koenigs zelf uit beeld is geraakt. Lütjens nam de Werken niet in de taxatielijst na het overlijden van Koenigs op, nu hij ze evenmin opnam in zijn originele catalogus in 1935 en hij kennelijk niet op de hoogte was van het bestaan ervan. Het Museum heeft de tekeningen nooit verzekerd en de boeken zijn na 1940 buiten zicht geraakt nu het Museum deze onder zich had, maar niet verzekerd heeft. De erfgenamen waren niet volledig op de hoogte van alles wat de verzameling omvatte, gezien de omvang ervan en de misleidende wijze waarop het Museum de gang van zaken rondom de werken heeft geadministreerd. De tekeningen en boeken zijn weer in beeld gekomen toen de familie in 2010 voor het eerst toegang kreeg tot de archieven van de Stichting Boijmans.
subonderdelen 2.4.10 en 2.4.12klagen over de verwerping in de eerste rov. 3.11 van de stelling van de Erfgenamen dat de 12 boeken met tekeningen niet als “tekeningen” werden aangemerkt. Het hof acht dit betoog niet overtuigend:
subonderdeel 2.4.10, samengevat, is dit oordeel onbegrijpelijk in het licht van de stellingen van de Erfgenamen dat de boeken niet als een reeks tekeningen waren geregistreerd in de administratie van het museum of de registratie van de verzekeringen. Wanneer het hof de verschillende wijze waarop de boeken zijn geregistreerd niet tot uitgangspunt heeft genomen, miskent het de werking van art. 149 Rv Pro, nu ook Museum Boijmans c.s. uitgaan van het feit dat het “boekmateriaal op andere wijze werd behandeld dan de losse tekeningen”.
subonderdeel 2.4.12geldt voor deze overweging hetzelfde als in subonderdeel 2.4.9 is uiteengezet en is deze overweging voorts onbegrijpelijk, samengevat, in het licht van het ontbreken van de boeken in het inventarisboek van de Stichting Boijmans.
subonderdeel 2.4.13). Het hof behoefde bij zijn uitleg van die brief daarom niet op deze stellingen van de Erfgenamen in te gaan. Nu de klacht van subonderdeel 2.4.9 niet opgaat, geldt hetzelfde voor subonderdeel 2.4.12 voor zover dat subonderdeel naar die klacht verwijst.
subonderdeel 2.4.11regardeert subonderdeel 2.4.10 ook rov. 1.4, waarin het hof bij de feitenvaststelling vooruitloopt op zijn oordeel in rov. 3.11 door, na een opsomming van de boeken en de tekeningen, te concluderen dat een en ander wordt aangeduid als de litigieuze tekeningen. Zonder enige motivering, afgezien van de niet toereikende motivering in rov. 3.11 dat de boeken gewoon gebundelde tekeningen zijn, gaat het hof voorbij aan de stellingen van de Erfgenamen, aldus de klacht.
subonderdeel 2.4.13, samengevat, miskent het hof in de tweede rov. 3.11 met zijn oordeel dat bewijs dat ziet op het tijdvak na de eigendomsoverdracht van 2 april 1940 buiten beschouwing zal worden gelaten, dat voor bewijs in het burgerlijk procesrecht kan volstaan dat feiten en omstandigheden voldoende aannemelijk worden (HR 16 februari 2018, NJ 2018, 394). Bij de uitleg van hetgeen Koenigs en de bank zijn overeengekomen op 2 april 1940 is relevant de wijze waarop partijen uitvoering aan deze overeenkomst hebben gegeven. De in de tweede rov 3.11 opgesomde feiten en omstandigheden kunnen licht werpen op wat de bank en Koenigs destijds begrepen achtten onder die overdracht.
onderdeel 2.5. De slotsom is dat het cassatieberoep moet worden verworpen.