Conclusie
ecologie-zone E3: Woongebieden met gemiddelde omgevingshelderheid”.In het eerste rapport van Lichtconsult.nl zijn enkele overschrijdingen geconstateerd van de grenswaarden voor lichtoverlast. In het tweede rapport van 10 maart 2011 van Lichtconsult.nl is vastgesteld dat uit de metingen is gebleken dat – na het kantelen van de lampen van enkele lichtmasten – de grenswaarden volgens de NSVV-richtlijnen voor de lichtsterkte en de verticale verlichtingssterkte niet worden overschreden.
all-weather-banen (rov. 4.5); Heijmans kan zich daarom niet op een mogelijke schending van de onderzoeksplicht door Kopers beroepen (in rov. 4.4-4.11). De rechtbank heeft verder vastgesteld dat er sprake is van langdurige lichthinder met een hoge intensiteit (in rov. 4.12-4.13).
Lichthinder
2.Bespreking van het principaal cassatieberoep
Inleiding
In dat kaderheeft de rechtbank geoordeeld dat Heijmans een op haar rustende mededelingsplicht heeft geschonden door de Kopers niet te informeren over de voorgenomen ombouw van de tennisbanen naar
all-weather-banen in rov. 4.10 (hetgeen iets anders is dan van de voorgenomen winteropening van het tennispark [30] ), zodat Heijmans zich niet op een mogelijke schending van de onderzoeksplicht door de Kopers kan beroepen (rov. 4.4-4.11). De rechtbank heeft verder vastgesteld dat sprake is van langdurige lichthinder met een hoge intensiteit (rov. 4.12-4.13).
eerste rechtsklacht). Dat geldt volgens de klacht ook voor het “kenbaarheidsvereiste” waarvan rov. 4.5 melding maakt, in die zin dat alleen dan een mededelingsplicht op Heijmans rustte als het voor Heijmans voldoende kenbaar was dat een winteropenstelling van wezenlijk belang voor de Kopers was (
tweede rechtsklacht). Op een koper rust in het kader van een beroep op non-conformiteit ex art. 7:17 BW Pro geen onderzoekplicht en ook geen plicht om wezenlijke belangen kenbaar te maken aan de verkoper. Door dergelijke eisen echter wel (impliciet) aan de Kopers te stellen geeft het hof blijk van een onjuiste rechtsopvatting over de conformiteitsbepaling doordat het een te strikte maatstaf toepast.
In het kader van dwalingis een mededelingsplicht van de verkoper alleen aan de orde indien aan een aantal voorwaarden is voldaan. Een van die voorwaarden is het vereiste dat de verkoper wist, althans behoorde te weten, dat de eigenschap/omstandigheid ter zake waarvan wordt gedwaald voor de koper van essentieel belang was (hierna ook: het kenbaarheidsvereiste) [32] . Deze basisvoorwaarden, waaronder het kenbaarheidsvereiste, hebben overeenkomstige betekenis voor de mededelingsplicht van de verkoper
in het kader van non-conformiteit [33] . Indien de verkoper niet op de hoogte is of kan zijn dat bepaalde zaken voor de koper van essentieel belang zijn, zal dus geen mededelingplicht aangenomen kunnen worden. Uit de bestreden overweging dat alleen dan een mededelingsplicht op Heijmans rustte als het voor haar voldoende kenbaar was dat een winteropenstelling van wezenlijk belang voor de Kopers was (in rov. 4.5), volgt in mijn ogen dat het hof dit heeft onderkend. Ook de tweede rechtsklacht zie ik zodoende niet opgaan.
lichtoverlastals gevolg van de winteropenstelling van het tennispark. Ik kom daar bij de bespreking van subonderdeel 2.1.3 nog op terug (zie hierna in 2.41-2.42).
afgewogentegen de plichten die op een dienstverlener als Heijmans als deskundig aannemer rusten [42] .
de situatie”in november 2008 kende [43] . Alleen al dat zou ertoe moeten leiden dat op Heijmans vanaf dat moment van wetenschap in principe een mededelingsplicht rustte, voor zover op dat moment nog een koopovereenkomst tot stand moest komen. De aard van de norm neergelegd in art. 7:17 BW Pro impliceert toerekening van kennis aan Heijmans volgens de klacht [44] . Juist bij een beroep op een mogelijk gebrek aan normaal gebruik van een zaak mag van een deskundig aannemer worden verwacht dat hij aansprakelijk is voor relevante kennis die hij wel heeft, maar niet deelt [45] . Het hofoordeel is volgens de klacht onbegrijpelijk, omdat het hof het kennisniveau van Heijmans onvoldoende in zijn overwegingen betrekt, althans daaraan geen waarde wenst te hechten.
ubonderdeel 3.1.1klaagt over de stelplicht en bewijslastverdeling. Nu Heijmans zich er primair op beroept dat de geleverde woningen aan de overeenkomsten beantwoordden, althans dat de Kopers hun onderzoeksplicht terzake hebben verzaakt, moet Heijmans die stelling bewijzen [47] . Volgens de klacht volgt uit art. 7:17 lid 2 BW Pro dat “normaal gebruik” ambtshalve door de rechter moet worden getoetst, zodat bewijslastverdeling daar niet aan de orde is. Zodoende rust op de Kopers geen bijzondere of aanvullende stelplicht anders dan dat de woningen niet conform zijn en daar hebben zij aan voldaan [48] . Voor zover het hof enige bewijslast op de Kopers heeft gelegd, is dat volgens de klacht onjuist in het licht van art. 7:17 lid 2 BW Pro, nu immers de wanprestatie van de verkoper vaststaat als de woning ongeschikt is voor normaal gebruik. Dat het hof enige bewijslast op de Kopers legt, volgt volgens de klacht uit rov. 4.11. Die bewijslast berust volgens de klacht kennelijk op het onjuiste uitgangspunt uit rov. 4.5 dat de Kopers Heijmans duidelijk hadden moeten maken dat zij de winteropenstelling van wezenlijk belang achten bij hun aankoopbeslissing.
3.Bespreking van het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep
“geschikt voor normaal gebruik”geldt dat niet meer verwacht mag worden dan dat de grenswaarden voor lichtoverlast niet worden overschreden en dat de woningen (in dit verband) alle eigenschappen hebben die voor normaal gebruik nodig zijn [61] ;
exact dezelfde feitenvaststelling [64] , juist heeft geoordeeld dat in onze zaak de mate van de lichthinder wél van zodanige aard is dat de verkochte woningen niet de eigenschappen bezitten die voor een normaal gebruik nodig zijn; vgl. rov. 4.3, met motivering in rov. 4.12 en 4.13, hiervoor weergegeven in 1.17. De rechtbank heeft daarbij niet alleen de intensiteit van het licht in haar overwegingen betrokken, maar vooral de aard en omvang van de gestelde lichtoverlast. In dat kader heeft de rechtbank ook betekenis toegekend aan de afstand van de lichtmasten tot de woningen en het gebrek aan maatregelen om de lichtoverlast te dempen. Bovendien heeft de rechtbank in rov. 4.13 gemotiveerd aangegeven waarom zij het tweede rapport van Lichtconsult.nl niet volgt maar afgaat op het STAB-rapport (onbestreden is volgens de rechtbank dat het tweede rapport van Lichtconsult bij de tweede test (na draaiing van enkele lichtkappen) niet alle woningen heeft bezocht of opnieuw heeft uitgemeten).